Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Antilliaans honkbal vaart eigen koers

Home

ERIC HORNSTRA

HAARLEM - Hamilton Richardson, Simon Arrindell, Hudson John en Dassy Rasmijn. De magie die in het voetbal aan de namen Abe en Faas kleeft, is vergelijkbaar met die van de honkbalkoningen van weleer. Het waren de Antilliaanse toppers, die het Nederlandse honkbal een gezicht gaven.

De sport kreeg in de periode van 'de grote oversteek' een belangrijke injectie. De tijd dat een club op afroep iemand van de andere kant van de oceaan binnen kon halen, is voorbij. Sterker nog, talentvolle jongeren van de eilandengroep peinzen niet meer over een enkele reis Nederland. De bondscoach van het Antilliaanse team, Carlos van Heyningen, laat zijn licht schijnen over die ommekeer.

Hier krijgt hij een uitgestoken hand, daar een ferme schouderklop. Vrouwen kussen hem en aaien hem over de bol. Voor Van Heyningen, manager van de ploeg die grotendeels uit achttien- en negentienjarige spelers van het eiland Sint Maarten bestaat, is het bezoek aan de Haarlemse Honkbalweek meer dan zo maar een reeks oefenduels voor zijn jeugdige team. Het is ook het weerzien met de talloze vrienden die hij hier heeft. De man die - onder meer namens UVV en Quick - jarenlang de Nederlandse velden onveilig maakte met zijn slaggeweld, keerde in 1985 terug naar de Antillen. De geboren Arubaan vestigde zich op Sint Maarten, waar hij zich ging toeleggen op de andere kant van het spel, de coaching. “Geen toeval”, oordeelt hij. “Als ik in Nederland was gebleven, was ik ongetwijfeld in het zelfde métier terechtgekomen. Als aanvoerder zat ik altijd al dicht bij de coaching.”

Broeierig

Het is donderdagmiddag en traditiegetrouw staat er in de Honkbalweek een wedstrijd tussen Aruba en Curaçao op het programma. Antilliaanse orkestjes hebben de dagen ervoor al een paar keer voor hartverwarmende latijnse klanken gezorgd, maar laten het in de broeierige warmte afweten. De bespelers van de schelle koperinstrumenten zijn in geen velden of wegen te bespeuren, er klinken geen snerpende fluitjes, zelfs tromgeroffel blijft achterwege. De wedstrijd, aangekondigd als de botsing tussen twee rivalen die elkaar bij elke tak van sport de loef af willen steken, brengt nauwelijks enige emotie op de tribunes te weeg, al int de Curaçaose aanhang ten slotte tevreden de eerste overwinning (4-1) na nederlagen in de vier voorgaande jaren.

Carlos van Heyningen houdt het na twee innings voor gezien. Ook de aanwezigheid van een neef (Patrick van Heyningen) in de Arubaanse selectie kan daar niets aan veranderen. Een aardige pot tussen behoorlijke hoofdklassers is het, meer ook niet, heeft Van Heyningen vanuit zijn ooghoeken kunnen constateren. “Het kan ook niet anders”, legt hij uit. “De instroom van Antilliaans talent is de laatste jaren steeds geringer geworden.”

De grote intocht begon een paar decennia terug op een heel aparte wijze, weet Van Heyningen zich te herinneren. “Het was een soort kettingreactie. De een gaf de ander aan. 'Ik weet nog wel een werper', werd er dan gezegd op de club en in no-time was zo iemand er. Clubs als Quick, Sparta, Ajax, Feyenoord en ook Storks werden door de massale komst verenigingen waar Antillianen de boventoon voerden. Vergeet niet dat de clubs er alle baat bij hadden mensen van de Antillen te halen. In Nederland achtte men het destijds heel belangrijk bij de top te blijven behoren. Eén regel was daarbij storend: er mochten per team slechts twee buitenlanders vastgelegd worden. Het halen van Antillianen (Nederlanders dus) paste prima in de strategie.”

Van Heyningen - ooit heel toevallig begonnen bij rayonploeg Achilles'28, hij kwam naar Nederland om te studeren - zal het de getalenteerden in zijn selectie nooit aanraden een honkbalcarrière in Nederland voort te zetten. “In 1972 was het nog mogelijk dat Eddy Halman en Frank Lewis na een toernooi stiekem hier achterbleven. Dat gebeurt niet meer. Het zwakke punt van Nederland is altijd de opvang geweest. Er werd nooit gedacht aan werk, aan scholing. Clubs regelden een uitkering en werkten zo - weliswaar vaak met de beste bedoelingen - in de hand dat spelers een verkeerde visie ontwikkelden. Velen dachten dat het leven niet meer was dan een partijtje honkbal.”

Van Heyningen weet dat tijdens de Honkbalweek achter de coulissen met een aantal van zijn spelers is gepraat over een eventuele overgang. Het baart hem geen zorgen. “Gershwin Baly gaat hier studeren. Hij is de enige die blijft. Pitcher Halley is in trek, maar zit op de universiteit van South Alabama en maakt al deel uit van een collegeteam. Ook de rest zal zich niet gek laten maken.” Amerika heeft meer aantrekkingskracht, weet hij.

Flinke zet

Sinds zijn aanstelling heeft de bondscoach het honkbal op Sint Maarten een flinke zet in de rug gegeven. Hij vond Tim Schmidt (excoach van Neptunus, nu werkzaam bij de Florida Marlins) bereid de nodige energie te steken in een honkbalschool op het eiland. Daarnaast legde Van Heyningen een reeks lijntjes uit in Amerika. Naast de directe contacten met de Marlins en de LA Dodgers is er de samenwerking met de coaches van Iowa en Connecticut. Het schaven aan de details geschiedt via de clinics tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Amerikaanse coaches.

De nabijheid van Amerika wordt ten volle uitgebuit, stelt Van Heyningen vast. “We proberen onze beste jongens op een college te krijgen. Daar liggen de beste kansen, als je profhonkballer wil worden. Goede opvang en huisvesting. En belangrijker nog: een stok achter de deur. Bij zwakkere schoolprestaties raak je honkbaluren kwijt. Van het team dat in Haarlem speelt, kan ik er zo zes aanwijzen, die dat traject volgen of gaan volgen. Het leuke is bovendien dat ze in hun vakantieperiode op Sint Maarten kunnen honkballen. Een competitie die - uitgezonderd de pitching - over de hele linie gelijk is aan de Nederlandse, maar met de jaarlijkse rentree van de Amerikagangers zeker in kracht zal toenemen.”

Als hij het heeft over professionele zaken als clinics en conventions verschijnt er plotseling een glimlach op het gezicht van Carlos van Heyningen: “In mijn jeugd was honkbal een radiosport. Het klinkt idioot, maar het is waar. Ik was fan van de Dodgers en zat bij mijn transistortje te luisteren naar de wedstrijdverslagen. Je wist niet hoe de spelers eruitzagen. Bij de Baltimore Orioles speelden in die tijd Frank en Budd Robinson. Broers dacht ik, maar zou het misschien een tweeling zijn? De kaartjes bij de kauwgom moesten in dat beeldloze tijdperk uitkomst brengen en namen, toen ik beide Robinsons bezat, iedere twijfel weg. De ene was zwart, de ander spierwit.”

Deel dit artikel