Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Andreas Burnier/C.I. Dessaur / Wat een vrouw!

Home

door Chris Rutenfrans

'Zeg, jij werkt toch voor die vrouw? Kom, hoe heet ze? Die professor. Waarom kleedt die zich toch zo raar? Altijd dat pak! Vind je dat niet vreemd? Het lijkt wel een man.' Woensdag 18 september overleed volkomen onverwacht de schrijver, filosoof en criminoloog Andreas Burnier/C.I. Dessaur. Chris Rutenfrans, jarenlang haar medewerker, over een vreemdeling in deze wereld, die is teruggekeerd naar de 'enorme ruimte van licht' waaruit ze afkomstig was.

Zo'n vijfentwintig jaar geleden liepen twee rechtenstudenten druk pratend over de Oranjesingel in Nijmegen, op weg naar de liftplaats. Ze hadden het over de hoogleraar criminologie, prof. dr. C.I. Dessaur, van wie ze zojuist het eerste college hadden bijgewoond. Wat een vrouw! Zoveel geest en eruditie waren ze nog niet eerder tegengekomen. Aan de Nijmeegse universiteit was iedereen traag en zwaar op de hand en nergens in geïnteresseerd. En dan die stem! Helder, gearticuleerd, in volzinnen. In Nijmegen mompelde iedereen maar wat voor zich heen. Nog diep onder de indruk begonnen ze liftgebaren te maken. En wat zoefde daar voorbij? Een prachtige donkere vrouw in een sportwagen, die minstens honderddertig reed. In de bebouwde kom. Ze keken elkaar aan. 'Zag je dat? In die wagen? Dat was Dessaur, man!' Pas toen ze haar echt leerden kennen, jaren later, begrepen ze dat dat nooit had gekund. De gewone dingen van het leven gingen haar niet gemakkelijk af, en de man van de rijles had haar al in een heel vroeg stadium aangeraden elke ambitie om ooit zelfstandig een auto te besturen te laten varen.

Dessaur, de professorennaam van de schrijfster Andreas Burnier, was een vreemde in Nijmegen. Ze vond het een gruwelijk oord, dat ze weldra als een ballingsoord ging ervaren. Het was al meteen verkeerd begonnen. Pas toen ze al was aangesteld als hoogleraar criminologie, door toedoen van de vrijzinnige Duynstee, ontdekten haar toekomstige collega's wie ze was: een homoseksuele vrouw. In 1971 was dat nog reden voor enkele hoogleraarsvrouwen om haar geen hand te geven. Ze leidde een geïsoleerd bestaan waaruit ze af en toe ontsnapte naar wat ze 'het vrije westen' noemde. Typerend voor haar gemoedsgesteldheid in Nijmegen is de volgende passage uit een brief uit 1982: ,,Vanmiddag zouden 'de vloeren worden gelegd' in mijn studio op het Galgenveld [een Nijmeegse wijk die echt zo heet]. Zoals jullie weten, is de studio zo klein, dat ware hij slechts enkele centimeters ingekort, het geheel onder de Wet op het Gevangeniswezen zou vallen, in plaats van onder Huisvesting. In elk geval verschenen, in goed-Nijmeegse trant, alle betrokken mannen ruimschoots te laat. Ook converseerden zij onder het werk in een soort dierlijk gekreun en gebrom, waaruit ik af en toe flarden van mensenwoorden zoals 'vrouw', 'voetbal' of 'geld' opving. Ik gaf hen grote, onverdiende fooien na afloop, omdat ik zo blij was dat zij weggingen. Het volk hier is heel anders dan het volk waar ik vandaan kom (Den Haag, Amsterdam). In het westen geldt: hoe lager rang of stand, hoe flitsender de repartee, hoe bijtender de humor, hoe kleuriger de woordkeuze. Maar achter (of onder) de grote rivieren is volk zoiets als sprekende modder, vleesetende planten.''

Toch bleek het westen waar Andreas Burnier, tegen het einde van haar wetenschappelijke loopbaan, naar terugkeerde, minder vrij dan ze zich in het benauwde Nijmegen had voorgesteld. Als haar alter ego David Reiser in haar laatste roman 'De wereld is van glas' (1997) een wandeling in het park gaat maken, neemt hij als 'anti-hondenwapen' een forse paraplu mee en moet hij de deur op het nachtslot en twee veiligheidssloten doen. In het park ziet hij niets dan 'lelijkheid, domheid, agressie en destructie'. Ze had het kunnen weten. Al in haar debuutroman 'Een tevreden lach' (1965) laat ze Simone als ze per trein van Griekenland naar Nederland terugreist, denken: 'Ik haatte de gedachte al aan Holland: het land waar alleen de zompige polders wijd zijn, en de rest beklemming, verstikking, kleinzieligheid. In mijn benauwdheid voor de toekomst: over hoogstens twee jaar zou ik arts zijn, en dan? Een praktijk in Zutphen? Polikliniek in Den Haag? O goden, wat heb ik u aangedaan dat ik dit moet uitzitten,

straks oud en alleen, een verachte flikker, een gesmade jood, of op zijn best een verkrampt, zielig, de Hollandse burgerschijn ophoudend namaak-wezen.'

'Een verachte flikker.' Als kind wou ze een jongen zijn. Heel lang kon ze zich inbeelden dat ze dat ook echt was. In 'Het jongensuur' (1969) vindt de veertienjarige Simone het vernederend dat ze, zich een jongen wanend, door anderen als meisje wordt behandeld. Net thuisgekomen van haar laatste onderduikadres, vlak na de bevrijding, haalt ze een uniform uit de kast. 'Van zakdoeken maakte ik een prop die ik in de broek schoof. Ik zag er nu zeer manlijk uit. (...) Nadat ik mijzelf frontaal en van opzij voor de spiegel had bekeken, kleedde ik mij uit. Ik ging in bed liggen, trok het licht uit, en begon aan mijn oefeningen. Het waren een reeks magische formules en voorstellingen, die mij binnen afzienbare tijd aan de ontbrekende geslachtsorganen moesten helpen, en mijn borsten zouden doen terugslinken naar hun natuurlijke vlakke staat.' Het mocht allemaal niet baten.

Ook toen Burnier zichzelf als - homoseksuele - vrouw (aan het woord 'lesbisch' had ze een hekel; 'manlijke homo's worden tenslotte ook geen florentijnen genoemd') had geaccepteerd, bleef ze fel over de fysieke en sociale onvrijheid van haar sekse. Ik herinner me een twistgesprek met Frans Kellendonk, waarbij haar laatste argument was dat het voor mannen toch veel gemakkelijker buiten plassen is dan voor vrouwen.

In veel opzichten blijft ze manlijk. Als twintigjarige gaat ze naar Marseille om zich aan te sluiten bij een militaristisch-zionistische organisatie. (Pas op het laatste moment deinst ze terug.) Hetzelfde doet haar protagoniste Simone in 'Een tevreden lach'. In een trainingskamp in de buurt van Brussel staat ze met een oudere man te kijken naar een partijtje volleybal van daar ook verblijvende Marokkanen: 'Simone, in haar westerse onnozelheid, had eerst gevraagd of zij mee mocht spelen. Dit werd met schaterlachen ontvangen. Toen zij werkelijk even meedeed kreeg zij zoveel smerige opmerkingen en pogingen tot handtastelijkheid te verduren dat zij maar weer ging toekijken. Want weglopen voor die primitieve vuilakken, dat nooit.' Haar mannelijke uiterlijk - ze was altijd kortgeknipt en steevast gekleed in een van haar vijfenvijftig donkerblauwe pakken met lage zwarte schoenen - wekte bij sommigen een enorme afkeer. Een secretaresse van de Nijmeegse rechtenfaculteit, liet mij dat eens in alle openhartigheid weten: 'Zeg, jij werkt toch voor die vrouw? Kom, hoe heet ze? Die professor. Waarom kleedt die zich toch zo raar? Altijd dat pak! Vind je dat niet vreemd? Het lijkt wel een man.'

Andreas Burnier was niet alleen een vreemdeling in Nijmegen, maar ook in Amsterdam en Nederland, en eigenlijk in de wereld als zodanig. Haar oerervaring, de bron van haar werk en haar levensbeschouwing, is die van een jong kind dat nog weet heeft van de goddelijke sfeer waaruit het afkomstig is, maar waarvan het tijdens zijn leven op aarde steeds verder verwijderd raakt. Zelfs de herinnering eraan raken de meeste mensen al heel vroeg kwijt. Daarom bond Burnier haar vrienden op het hart om het wiegje voor hun kinderen altijd - of het nu een jongetje was of een meisje -met hemelsblauwe stof te overhemelen, omdat alleen die kleur geschikt was om de pasgeborene de illusie te laten dat hij nog aan gene zijde was. Dat hij nog niet gevallen was in de nauwe donkere trechter van het leven dat ze soms opvatte als een leerschool, maar meestal toch vooral als een tuchtschool.

Zijzelf verloor de herinnering aan het geestelijke land van herkomst nooit. In 'De wereld is van glas' beschrijft ze het als 'een enorme ruimte van goddelijk licht', waar, in het jodendom, de 'rechtvaardigen' verblijven. Aan de verste onderrand van hun universum bevinden zich de duisternis en het lijden van de aarde.

In 'Een tevreden lach' zegt Simone dat ze aan het graf van 'hem die ik het meest heb liefgehad' plotseling 'het ontbindingsproces van zijn dierbaar lichaam in een vergevorderd stadium voor zich zag'. 'Op dat moment wist ik dat de mens geest is, met dezelfde elementaire zekerheid waarmee de houthakker weet dat een boom een boom is, ongeacht, laten we zeggen, filosofische speculaties over de structuur van de menselijke waarneming en ongeacht alle biochemische theorieën van het ogenblik.' Deze wetenschap heeft haar nooit verlaten. In het essay 'Het joodse levensgevoel' (1985) beschrijft ze haar levensopdracht zo: 'Via kleine stapjes vooruit en soms enorme smakken omlaag, probeer ik in contact te komen, of te blijven, met het Onbenoembare, waarnaar alle godsdiensten en esoterische systemen verwijzen, ieder op zijn eigen wijze en op zijn niveau. Het doel is uiteindelijk permanent in 'twee werelden' te leven en anderen te laten delen in het licht dat je ervaart.'

Voor en tijdens haar huwelijk - ze was negen jaar getrouwd en kreeg twee kinderen - liet ze zich inspireren door de antroposofie waarin ze werd ingewijd door haar schoonvader, de roemruchte F.W. Zeylmans van Emmichoven. Later wendde ze zich tot het boeddhisme en de hindoeïstische Vedanta-filosofie. Nog weer later, na haar bezoek aan Dachau in 1988, keerde ze terug naar het jodendom en studeerde zich een weg naar de esoterische kant daarvan.

In 1985 schreef ze dat ze zich alleen nog maar aan het jodendom gebonden voelde door 'de liefde voor en gave van het woord die, naar ik meen, onder joodse vrouwen en mannen onevenredig veel voorkomen'. Drie jaar later bleek de band veel dieper te zijn dan ze had gedacht. Maar het joodse lernen deed ze haar hele leven al. Studeren, zich kennis eigen maken, was haar manier om toegang te krijgen tot 'het Onbenoembare'.

Ze keerde niet zomaar terug naar het jodendom, maar begon meteen Hebreeuws te leren, wat op haar leeftijd (toen al ver in de vijftig) niet eenvoudig was. Tegelijkertijd verdiepte ze zich met volle overgave in de talmoed en de kabbala en 'alle overige halachische, verhalende, ethische, filosofische, historische, wetenschappelijke, poëtische en mystieke middeleeuwse en renaissance-geschriften die het rabbinale jodendom rijk is' ('De wereld is van glas').

En van alle opgedane kennis bracht ze verslag uit aan wie maar luisteren wilde. Ik bezit nog vele briefjes - half afgescheurde caférekeningen - waarop ze het voor mij geschikte literatuurlijstje heeft genoteerd. Het boek dat ze op d t moment bestudeerde, was altijd het ultieme boek dat iedereen onmiddellijk moest gaan lezen.

Ze was een geleerde in de oorspronkelijke betekenis van het woord, maar altijd ook een leraar. Ik heb veel van haar geleerd. Ik voelde me nauw aan haar verwant. 'We komen van dezelfde wolk', zei ze wel eens. Samen zijn we in 1986 ten strijde getrokken tegen het euthanasiasme (een term die we hadden geleend van Jacques van der Sluis). Nooit heeft ze zoveel instemmende reacties gekregen als na de krantenpublicatie van haar Delikt en Delinkwent-artikel 'De zelfmoord op zieken en bejaarden'. We bundelden het - tot dan toe onzichtbare - verzet tegen de liberalisering van medische levensbeëindiging in het pamflet 'Mag de dokter doden?'. In het tv-programma 'Het Capitool' (het toenmalige 'Buitenhof') besliste ze een discussie over euthanasie met de uitspraak: 'Gij zult niet doden.' Opnieuw regende het brieven en ansichtkaarten.

In de donkere schacht die de dagelijkse werkelijkheid vaak voor haar was, vond ze reizen eigenlijk de enige aanvaardbare manier van leven. Nu ligt ze weliswaar begraven in een zompige polder maar het uitzicht is weids, en van heel dichtbij zie je het ene vliegtuig na het andere opstijgen, misschien wel op weg naar het licht van Griekenland of van haar geliefde Amerikaanse westkust.

Deel dit artikel