Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Anatomie van de Verlichtingsfundamentalist

Home

Sebastien Valkenberg

Het begrip ’Verlichtingsfundamentalist’ – aanvankelijk weinig meer dan een retorische vondst – heeft in korte tijd ingang gevonden. Dat maakt de vraag of de term klopt niet minder urgent, vindt filosoof Sebastien Valkenberg. „Het gaat hier, onvriendelijk gezegd, om oude wijn in nieuwe zakken.”

Wie de vrijheid van meningsuiting fel verdedigt, heet tegenwoordig al gauw een Verlichtingsfundamentalist. De Leidse hoogleraren Paul Cliteur en Afshin Ellian zouden het zijn, net als hun Utrechtse collega Herman Philipse. Voor alle duidelijkheid: dat is niet complimenteus bedoeld. Een Verlichtingsfundamentalist is iemand die de waarheid in pacht meent te hebben en aan anderen wil opdringen. Van deze opstelling zouden vooral gelovigen het slachtoffer zijn.

Zonder de aanslagen op 11 september 2001 had de Verlichtingsfundamentalist vermoedelijk niet bestaan. Die kwamen voort uit religieus fundamentalisme, dat de waarheid in Heilige Boeken vindt. Een vergelijkbare denktrant zou zichtbaar zijn bij denkers die stellig opkomen voor de typisch westerse waarden, waarvan de vrijheid van meningsuiting al snel hét symbool werd. Hoe verdraagzaam waren zíj eigenlijk in hun bejegening van andermans ideeën? In plaats van naar een Heilig Boek verwezen ze immers naar de Verlichting. Dat ze geen wolkenkrabbers binnenvlogen maakte ze niet minder fundamentalistisch. Ze claimden immers eenzelfde monopolie op de waarheid als degenen die ze zeiden te bestrijden.

Inmiddels kan de diagnose op brede instemming rekenen. De spellingcontrole zet al geen rood golfje meer onder het woord ’Verlichtingsfundamentalist’. Het begrip heeft zelfs een eigen lemma in de internetencyclopedie Wikipedia – zij het dat het voorlopig blijft bij een vermelding in de Nederlandstalige editie. Iets als Enlightenment Fundamentalist bestaat (nog) niet.

Zo’n bliksemcarrière is indrukwekkend voor wat aanvankelijk weinig meer was dan een retorische vondst. Dat het begrip inmiddels algemeen is aanvaard, maakt de vraag of bovengenoemde analyse klopt niet minder noodzakelijk. Maken Verlichtingsfundamentalisten zich inderdaad schuldig aan het opdringen van het eigen gelijk? En is de vrijheid van meningsuiting terecht hét symbool van deze vermeende hooghartigheid?

Hoewel ’Verlichtingsfundamentalisme’ een recente vondst is, geldt dat niet voor de onderliggende thematiek. Het gaat hier, onvriendelijk gezegd, om oude wijn in nieuwe zakken. Het rationalisme, tot wasdom gekomen in de tweede helft van de achttiende eeuw, wordt al veel langer met wantrouwen bekeken. En niet alleen door filosofen, ook door leken.

Een treffende illustratie is nog altijd een fragment dat inmiddels tot de canon van de televisiegeschiedenis behoort. Een boer hoort dat er mensen op de maan zijn geland. Hij reageert in eerste instantie sceptisch. Onmogelijk dat mensen de maan hebben bezocht. Zal wel een trucage zijn, kijkers kun je immers alles wijsmaken. Dan zegt hij dat mensen zich nederiger zouden moeten opstellen. Het getuigt van hoogmoed, vindt hij, om de grenzen steeds verder te willen verleggen.

Een glimlach laat zich bij het zien van deze beelden moeilijk onderdrukken. Toch zou het een vergissing zijn het fragment af te doen als een vertoon van achterlijkheid. De boer staat bepaald niet alleen in zijn opvattingen. Zeker zijn opmerking over de technische vooruitgang als uitdrukking van een opgeblazen ego staat in een lange traditie van wantrouwen jegens het rationalistische wereldbeeld. Vooral als de mensheid letterlijk de hoogte ingaat, wordt dit manifest.

Ian Buruma en Avishai Margalit geven in ’Occidentalisme. Het Westen in de ogen van zijn vijanden’ (2004) een lucide analyse van het fenomeen. Hun essay heeft de omvang van een cadeauboekje, maar het is een van de instructiefste bijdragen aan het publieke debat na 11 september 2001. De vijanden van het Westen komen, hoe kan het anders, uit de islamitische wereld. Maar, en dat is verrassender, niet alléén daarvandaan. Veel antiwesterse sentimenten die nu leven onder moslims verwijzen naar bronnen uit het Westen. Buruma en Margalit besteden onder meer aandacht aan de rol die architectuur daarbij speelt.

Architectuur doet veel meer dan ons een dak boven het hoofd verschaffen. Een verzameling stenen, staal en glas kan grote weerzin oproepen, zelfs woeste razernij. New York met zijn Twin Towers was volgens Buruma en Margalit de verzinnelijking van het Westen, de zoveelste reïncarnatie van het bijbelse Babylon. In de negentiende eeuw vervulde Parijs die rol, zoals Rome dat deed in de eerste eeuw na Christus (volgens de dichter Juvenalis).

Over waarom God ingrijpt in Babylon, laat de Bijbel weinig los. Als de Babyloniërs een hoge toren hadden gebouwd waren ze daarmee vermoedelijk goed weg gekomen. Maar ze wilden hoger, nog hoger, tot in de hemel, een bestemming waarvan de symbolische waarde nauwelijks valt te overschatten. Hier zetelt immers God zelf. De Babyloniërs wilden niets minder dan op hetzelfde niveau komen als de Allerhoogste.

Ook op een andere manier bedreigden ze de hemel. De Babyloniërs, die gelden als de eerste astronomen, keken omhoog met een wetenschappelijke in plaats van een religieuze blik. Ze transformeerden de hemel tot een studieobject waarover je kennis kon vergaren. Kende je de wetmatigheden waarmee de hemellichamen bewogen, dan kon je zelfs hun route voorspellen. Deze pretentie riep God een halt toe toen hij de bouw van de Toren vroegtijdig stilzette.

Het negatieve imago van de Babyloniërs vond breed ingang in de cultuur. Telkens weer moet de wetenschap zich verdedigen tegen het verwijt van misplaatste superioriteit. Maar wie de voornaamste auteurs uit de Verlichting leest, stuit nergens op ronkende passages die de lezer de waarheid in het gezicht smijten.

In de autobiografische teksten van René Descartes tref je geen arrogante betweter, maar iemand die juist hoogst onzeker is over zijn kennis – en die onzekerheid zelfs begint te koesteren. De systematische twijfel groeit uit tot zijn filosofische methode.

Ook Immanuel Kant, de onbetwist grootste denker van de Verlichting, zul je niet kunnen betrappen op triomfantelijk borstgeroffel. Hij is wars van alle fundamentalisme. ’Durf te denken’ luidt zijn befaamde oproep. Omdat het gezag het altijd mis kan hebben, is weinig zo heilzaam als de kunst van het twijfelen, waar – dat had Kant scherp gezien – een flinke dosis moed voor nodig is.

Natuurlijk behelst de Verlichting meer dan het gedachtegoed van Descartes en Kant. Maar hun oeuvres zijn maatgevend geweest. En op grond van hun teksten is het dus lang niet eenvoudig de Verlichting arrogantie in de schoenen te schuiven. Een omgeving die ruim baan geeft aan de twijfel hoeft juist niet de doodsteek te betekenen voor de waarheid – hoe paradoxaal dat ook klinkt.

De klassieke liberaal John Stuart Mill, wiens ’On Liberty’ (1859) ook nog eens schitterend is geschreven, heeft deze paradox trachten op te lossen. Net zo eloquent, maar doorwrochter is ’The Constitution of Liberty’ van Friedrich von Hayek (1899-1992). Deze Oostenrijkse denker heeft tot dusver niet de aandacht gekregen die hij verdient, althans niet op het Europese continent.

Hayek staat vooral bekend als econoom en dankt zijn faam aan het pamflet ’The Road to Serfdom’ (1944) waarin hij waarschuwt voor overheden die zich opwerpen als hoeders van de economie. Het oprukkende communisme in de Sovjet-Unie baarde hem grote zorgen, maar nog verontrustender vond hij dat de tendens naar een planeconomie ook in verschillende Europese landen zichtbaar werd. Hij vond het aanmatigend om te veronderstellen dat politici over zoveel inzicht beschikten dat ze als architect konden fungeren van zoiets complex als de economie.

Politici, meende hij, moeten hun ambities temperen. In ’The Constitution of Liberty’ (1960) geeft Hayek een filosofische onderbouwing van deze gedachte en breidt haar uit naar andere disciplines, waaronder de wetenschap en het publieke debat. Beide domeinen zoeken naar de waarheid. Zonder deze ambitie is deelname zinloos. Maar hier past nederigheid: de individuele deelnemers hebben hun beperkingen. Niermand heeft de waarheid in pacht – wat niet betekent dat er geen waarheid kan bestaan. Hayek is geen postmodernist die iedereen zijn eigen waarheid gunt.

Overschatting van het menselijk kenvermogen is een risico, maar onderschatting evenzeer. Individuen zijn nietig; het collectief daarentegen biedt een bron van wijsheid. Er is namelijk al een geweldige hoeveelheid denkwerk verzet. Soms lijkt het alsof in ’The Constitution of Liberty’ Edmund Burke aan het woord is, de aartsvader van het conservatisme, die de geschiedenis beschouwde als een schatkamer waar ’de opgespaarde redelijkheid der eeuwen’ lag opgeslagen.

Natuurlijk ging het vaak mis. Wat vroeger voor waar werd aangenomen, wordt in het heden dikwijls herzien. Op dezelfde manier zal de toekomst het heden weer herroepen. Toch zijn deze flaters niet voor niets gebleken. Waarheidsvinding is de resultante van het chaotische proces waarin iedereen elkaars opvattingen, die van tijdgenoten maar ook die van voorgangers, becommentarieert, bediscussieert en in sommige gevallen falsifieert.

Het is verleidelijk te veronderstellen dat deze vorm van vooruitgang in een rechte lijn aankoerst op de waarheid. Maar zo is het niet gegaan. Geschiedenis komt tot stand door het gekrioel van individuen, met eigen inzichten en oordelen.

Het zal niet verbazen dat Hayek grote waarde hecht aan trial and error. Garanties op vooruitgang zijn er niet. Wel zijn sommige voorwaarden gunstiger dan andere. Vooruitgang bewijs je de beste dienst door zoveel mogelijk opvattingen toe te laten. Ofwel: door op te komen voor een maximale vrijheid van meningsuiting. Welke opvattingen houden zich het beste staande nadat ze van alle kanten beproefd zijn?

En er is in mijn ogen geen enkele reden om religieuze opvattingen hiervan uit te sluiten of anderszins een bijzondere behandeling te geven. Ook zij doen uitspraken over hoe de wereld in elkaar steekt. In confrontatie met andere inzichten moet blijken hoe houdbaar die zijn.

De vrijheid van meningsuiting schept de mogelijkheid voor élke vorm van kritiek. Alleen zo waarborg je dat mensen kunnen experimenteren, zowel in het wetenschappelijk bedrijf als in het publieke debat. De uitnodiging tot deelname hieraan moet zo ruimhartig zijn als maar kan, de entree tot de arena moet met zo min mogelijk restricties gepaard gaan.

Betekent dit dat elke uitspraak is toegestaan? Ook de voorstanders van een maximale vrijheid van meningsuiting zullen dat niet beamen. Zij erkennen wel degelijk dat er grenzen zijn aan dit beginsel. De vraag is alleen wáár je die situeert. Als fatsoensnomen in het gedrang raken? Of als de vrije meningsuiting wordt aangewend om aan te zetten tot geweld?

De maximale vrijheid van meningsuiting houdt inderdaad op in dat laatste geval – niet zozeer omdat zo’n mening moreel verwerpelijk zou zijn, maar omdat hier het punt ligt waarop ze zichzelf om zeep brengt, zoals een schorpioen zichzelf met zijn staart kan doden.

Het voorbeeld aller voorbeelden is natuurlijk de fatwa die ayatollah Khomeini in 1989 uitsprak tegen Salman Rushdie vanwege diens roman ’De duivelsverzen’. Moslims zouden hun heilige plicht vervullen als ze hem zouden vermoorden. Ben je geen kampioen van de vrijheid van meningsuiting als je Khomeini deze uitspraak gunt? Nee, natuurlijk. Want wat er bij hem aan spreekruimte bijkomt, gaat er bij Rushdie vanaf. Dáár wordt de vrijheid van meningsuiting begrensd: als anderen dit recht niet meer kunnen genieten.

Natuurlijk zijn er regels nodig die maken dat discussies ordentelijk verlopen. Die zijn niet van juridische, maar van logische aard. Zo is een ad hominem-argument bepaald niet sterk, en soms ronduit kwetsend. Maar zelfs als er sprake is van smaad, dan nog is terughoudendheid gewenst: stel de gang naar de rechter zo lang mogelijk uit.

Nogal eens hoor je beweren dat de vrijheid van meningsuiting een zeker niveau van beschaving veronderstelt. Maar de vrijheid treedt juist dan in werking als het betamelijke uit het zicht raakt. Het onbetamelijke stelt de vrijheid van meningsuiting op de proef. Pas wie dit recht knarsetandend verdedigt, heeft het goed begrepen.

Terug naar het verwijt dat Verlichtingsfundamentalisten zich te pretentieus opstellen. Is het opkomen voor de vrijheid van meningsuiting een teken van arrogantie? Nee, het is eerder omgekeerd. Ieder zijn zegje laten doen is een remedie tegen buitenissig zelfvertrouwen. Vandaar dat je de vrijheid van meningsuiting ook een oefening in nederigheid kunt noemen. Daarvoor op de bres springen duidt niet op superioriteit, maar juist op generositeit. En net zomin als de verdedigers van het vrije woord aanmatigend zijn, zo zijn hun vermeende slachtoffers niet de pleitbezorgers van een tolerante opstelling.

Interessant is, nogmaals, het verhaal van de Toren van Babel. De straf die God uitkoos voor de Babyloniërs was opmerkelijk. Uit andere bijbelpassages blijkt dat hij doorgaans de harde tuchtiging niet schuwde, door bijvoorbeeld de elementen in te zetten om zondaars een lesje te leren. Zo niet in het geval van de Babyloniërs. Met een bliksemschicht had hij hun Toren kunnen neerhalen, maar hij bedacht iets anders. „Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan.”

Polyfonie is desastreus, zo luidt hier de niet mis te verstane boodschap. Van verder bouwen kan geen sprake meer zijn. Hoe kan de aannemer zich nog verstaanbaar maken aan zijn werklieden? Maar de Babylonische spraakverwarring schrikt ook op een andere manier af. Het verhaal van de Toren opent met de opmerking dat ooit op aarde één enkele taal werd gesproken. Ooit was er een semiparadijselijke toestand waarin de mensheid één grote familie was. Maar net als de Hof van Eden is ook dit verloren gegaan. Als maximale gemeenschapszin het ideaal is, dan mag het niet verbazen dat de Bijbel nauwelijks een goed woord over heeft voor pluraliteit. Die kan eigenlijk alleen maar destructief uitpakken.

Inderdaad sluit veelstemmigheid bijna per definitie harmonie uit. Kakofonie ligt altijd op de loer. Alleen is dat niet zonder meer reden voor somberheid. Rumoer hoort nu eenmaal bij het publieke debat. De clash of opinions is zelfs de kraamkamer van kennis en vooruitgang.

Wie zijn de beste pleitbezorgers van een variëteit aan opvattingen? De zogeheten Verlichtingsfundamentalisten winnen. Als zij opkomen voor de vrijheid van meningsuiting openen zij een ruimte waarin plaats is voor meerstemmigheid. Dat maakt hen tot de ware vrienden van de multiculturele samenleving.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie