Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Altijd het Midden-Oosten

Home

Ruud van Heese

Jíj hebt geboft, hoorde Michael Stein vaak als het over de oorlog ging. Misschien zocht hij juist daarom als journalist soms het gevaar.

Als Midden-Oostenjournalist Michael Stein en zijn gezin met de auto op vakantie gingen, moesten er altijd enkele vuilniszakken met ongelezen kranten mee. Vaak gingen ze ongeopend mee terug. Want hij kocht weer gewoon nieuwe kranten in Frankrijk en Italië.

Doordat hij zeven dagen per week – ook tijdens vakanties – met zijn werk bezig was, groeide Michael uit tot een van de best geïnformeerde journalisten over het Midden-Oosten. Hij maakte talloze reizen naar het gebied. Als verslaggever was hij onder andere bij de burgeroorlog in Libanon, de bevrijding van Koeweit, en de staatsgreep in Algerije. Hij interviewde vele mensen, onder wie Arafat, koning Hoessein, en de Tunesische president Bourgiba. Vaak verliep de communicatie via tolken of in het Engels. Arabisch sprak hij niet. Een enorm gemis, vond hij.

Enkele woorden Maleis kende hij wél. Geleerd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Michael heette toen Chiel. Hij woonde bij een oer-Nederlands, christelijk gezin in Nijmegen. De NSB-jongetjes op school moesten denken dat dat donkere jongetje uit Nederlands-Indië kwam. Maar Michael was joods en kwam uit Duitsland.

Hij was de jongste van drie broers. Zijn familie – intellectuelen en zakenlieden – was al generaties lang volkomen geassimileerd. Grootvader Stein had in het Beierse Nordheim/Schweinfurt een basaltmijn, ontving een IJzeren Kruis na de Eerste Wereldoorlog en werd uitgeroepen tot ereburger van Nordheim.

Die onderscheidingen bleken weinig waard toen Hitler aan de macht kwam. Pesterijen. Bedreigingen. Arrestatie. De mijn ging ’vrijwillig’ naar de staat, voor een schijntje. Via Hamburg vluchtten de Steins naar Amsterdam. Niet te ver van hun geliefde Duitsland, én met een vestiging van het bedrijf in kolen en staal van de familie van Michaels moeder.

Tijdens de oorlog viel het gezin uiteen. Broer Tom zat ondergedoken in Limburg. Wolfgang werd naar Bergen-Belsen gestuurd, waar hij zijn ouders terugzag. In Nijmegen keek Michael de treinen na die naar Duitsland reden, soms met het vage gevoel dat hij mee wilde. Het gezin overleefde de oorlog. Maar het herstel van de band met zijn ouders verliep moeizaam. „Mevrouw, ik ken u niet”, zei Michael tegen de vreemde vrouw die zo naar haar zoon had verlangd. Weer thuis in Amsterdam, waar vader directeur werd van het kolen- en staalbedrijf, leefde de jonge Michael tussen mensen die tegen elkaar opboden over de doorstane verschrikkingen. Hij voelde zich schuldig. „Jíj hebt geboft”, kreeg hij steeds te horen.

Michael ging naar het gymnasium en vervolgens politieke wetenschappen studeren, zonder enig idee wat daarna te doen. Intussen had hij allerlei baantjes. Als 16-jarige was hij piccolo in Hotel de l’Europe. Totdat een Duitse gast hem – in het Duits – afblafte en Michael hem de trap afsloeg. Stage lopen bij een bank, ter voorbereiding op een carrière bij het familiebedrijf, lag hem evenmin.

Tijdens zijn studie ontmoette hij Vera Leever, die Frans studeerde. „Jij lijkt op een antiek beeldje”, zei hij tegen haar. Vera wist er niet zo goed raad mee. Maar waarschijnlijk bedoelde Michael het als een compliment. Al vanaf zijn 13de verzamelde hij antieke beeldjes.

Op een bromfiets reed Michael adressen af. Hij hield interviews voor een enquêtebureau. Zo ontmoette hij Joop van Tijn, de later legendarische journalist van het weekblad Vrij Nederland. „Jij moet journalist worden”, zei hij.

Op zijn 32ste begon Michael aan het vak dat hij de rest van zijn leven voor achtereenvolgens Algemeen Handelsblad, Trouw, Haagsche Courant en NRC Handelsblad met een enorme bezetenheid zou uitoefenen.

Met zijn entree in de journalistiek kreeg Vera er een baan bij. Naast haar werk op een Italiaans/Frans im- en exportbureau hield zij Michaels archief bij. Het besloeg al snel talloze knipsels, boeken en cahiers met aantekeningen van gesprekken. Niet alle informatie die Michael vergaarde, haalde de krant. Maar hij wilde wel alles lezen, alles weten en iedereen zelf spreken.

Thuis in Amsterdam kwam de wereld over de vloer: Koerden, Egyptenaren, Algerijnen, Irakezen, Iraniërs, Israëliërs. Op reis schuwde Michael het gevaar niet. Hij ging met iedereen mee, ook met bijvoorbeeld de Palestijnse groepering Jihad Islamia, die bekend stond als terroristisch. Alles voor het verhaal. Toen Khomeiny in 1979 van Parijs naar Iran vloog dreigde zijn vliegtuig daar uit de lucht te worden geschoten. Maar Michael belde dolenthousiast naar huis dat hij mee kon. Soms was hij wel degelijk bang. Maar na die ene oorlog waarna hem keer op keer te verstaan was gegeven dat hij als onderduiker niets had meegemaakt, zocht hij het gevaar juist op.

Hij schreef óók om het gevaar te bezweren, hoopte dat zijn verhalen er toe zouden bijdragen dat die donkere periode zich niet zou herhalen. Hij was dan ook diep geschokt toen in voormalig Joegoslavië een gewapend conflict werd uitgevochten langs etnische scheidslijnen. Toen Michael in 1992 de Dick Scherpenzeelprijs kreeg uitgereikt voor zijn reportages uit Algerije, gaf hij het geld terug aan minister Pronk met als opdracht om dat aan de moslims in Bosnië te geven. Voor wapens, om zich te kunnen verdedigen tegen dreigende uitroeiing.

Een gemakkelijke werknemer was Michael niet. Hij was principieel, dwars en dominant. Bij Trouw stapte hij destijds op, omdat de hoofdredactie van de krant onvoldoende afstand nam van een antisemitische publicatie over de toenmalige Tour de France-directeur Félix Lévitan. Zijn stukken oogstten bewondering, maar kwamen vaak te laat binnen en waren altijd te lang. Toen een hoofdredacteur van Trouw hem voorstelde korter en eenvoudiger te schrijven, nam Michael wraak. Zijn eerstvolgende verhaal was als volgt opgebouwd: ’In Jor-da-nië, een land hier heel ver vandaan...’. Het werd nog net uit de krant gehouden.

In 1999 ging Michael in alle stilte met vervroegd pensioen na twintig jaar bij NRC Handelsblad.

Maar bij belangrijke ontwikkelingen in het Midden-Oosten bleef hij te zien en te horen op televisie en radio. En hij leverde bijdragen aan het katern Letter & Geest van Trouw.

Hij waarschuwde voor de gevaren van de radicale islam, maar onderscheidde die scherp van de vele goedwillende, gematigde individuele moslims.

Michael had nooit erg op zijn lichaam gelet. Hij was een zware roker, zelf ook een groot liefhebber van de verrassingstoetjes die hij altijd voor zijn twee zonen maakte, en een totale workaholic. In 1989 werd hij getroffen door een zwaar hartinfarct. In 1993 onderging hij een hartoperatie, daarna nog enkele dotterbehandelingen.

Alle medische ingrepen konden niet voorkomen dat het de laatste jaren fysiek steeds slechter ging. Bezoek werd hem te veel. Zijn wereld, ooit zo groot, werd allengs kleiner. Hij trok zich terug in het gezin, genoot van zijn kleinkinderen en van kleine dingen in het leven. Zoals de jonge gaai die uit het nest was gevallen en die door de familie Stein liefdevol werd opgevangen.

Op 25 juni ging Michael naar het ziekenhuis voor een hartkatheterisatie. Om ongeveer vier uur ’s middags was die achter de rug. De familie was er niet gerust op en kwam ’s avonds terug. De bange voorgevoelens bleken juist. Om elf uur stopte zijn hart ermee.

Lees verder na de advertentie
MIchael Stein (Trouw)

Deel dit artikel