Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Als een speeltuin

Home

Arend Evenhuis

In het ’fladderige gezelschap’ rondom Couperus’ heldin Eline Vere bevindt zich ook de theatrale Freddy. Terughoudend gespeeld door Pauline Greidanus.

De Haagse vrienden en vriendinnen van Couperus’ tragische heldin Eline Vere moeten terughoudend acteren teneinde ruim baan te geven aan hoofdrolspeelster Eline zelf. In het toneelstuk ’Eline Vere’, dat nu door het land reist, is personage Freddy bovendien erg op haar hoede voor Eline .

Pauline Greidanus speelt de struise, argwanende en afgunstige Freddy. ,,Het is een wat fladderig gezelschap dat om Eline hangt. Freddy is niet echt dol op Eline. Ook andere personages uit de roman zijn aan de theatrale Freddy toegevoegd. Ze zou net zo groots en overdreven als Eline willen zijn, maar ze ’zit vast in regels’. Je krijgt geen kans een psychologische opbouw van haar personage te maken, daar is haar rol te klein voor. Er is ook geen begin of eind bij haar. Ze praat hooguit in korte zinnetjes als: ’Drink je thee maar op’, ’Wat fijn dat Sinterklaas weer komt’ en ’Wat heerlijk om niets te doen’. Eigenlijk heb ik niks te spelen. Ik heb wel geprobeerd die Freddy-rol uit te diepen, maar na vijf weken repeteren kwam ik erachter dat ik simpelweg moet zeggen wat er in het script staat, meer niet.’’

De Freddy-rol zou wel eens een markeringspunt voor Pauline Greidanus kunnen zijn. Ze speelde in Fassbinders ’Het vuil, de stad en de dood’, in Ayckbourns ’Huis en tuin’, Molière’s ’Tartuffe’, Shakespeare’s ’Othello’, Tsjechovs ’Ivanov’, Hugo Claus’ ’Een bruid in de morgen’ en in Oscar Wilde’s ’Het belang van Ernst’. Tamelijk verscheiden rollen en personages, maar toch steeds wat ze noemt ’de-ojee-wat-moeten-we-nou-toch-doehoen-vrouwtjes’.

,,Ik ben wat uitgekeken op die jonge meisjesrollen. Ja, Julia van Romeo is met 14 jaar wel erg jong. Als ik haar nu zou moeten doen, zou ik haar niet als jong meisje maar als verveeld chagrijnig wijf spelen. Ik heb genoeg meiden gespeeld die met zichzelf in de knoop zitten en volwassen moeten worden. Ik wil ook wel eens een volwassene spelen. Ik kijk erg uit naar de ’oudere rollen’. Jaah: een Griekse tragedie. Of Marta uit ’Wie is bang voor Virginia Woolf’. Met Fedja van Huêt als echtgenoot George.’’

Paradoxaal genoeg speelde Pauline Greinadus al ’oude rollen’ lang voordat ze de stemgerechtigde leeftijd bereikte. Jeanne d’Arc op haar zesde. Samen met haar een jaar oudere broer Aus, inmiddels ook toneelspeler en haar tweelingzus Tessa. Ze wist toen nog niet dat ze toneelspeelster wilde worden. Dierenarts, olifantenverzorgster, goudsmid of ballerina leken haar geschiktere keuzes.

Ondertussen was er al een voluntair jeugdtheatergezelschap Greidanus. Pauline, Tessa en Aus beschouwden dat niet als vak, maar als hun speeltuin. Als kinderen van de Appel-actrice Sacha Bulthuis en Appel-acteur/regisseur Aus Greidanus wisten ze niet beter. Als de ouders geen oppas voor hen konden regelen, gingen de kinderen mee naar het Scheveningse Appeltheater. In de grote zaal beneden speelden hun ouders, daar pal boven op de kostuumzolder speelden de drie kinderen. Paradijselijk: een kostuumzolder; barstensvol kleren, skeletten, hoeden, zwaarden en nota bene koperen toneelmunten!

Als favoriete spel gold het naspelen van het Romeinse keizerrijk. ,,Daar wisten we niks van, maar zodra Aus een laken omsloeg, was hij keizer Nero. En stonden je dertig stokslagen te wachten zodra je hem geen boterham met pindakaas kwam brengen. De tweede favoriet was ’Jeanne d’Arc’. Ik had geen idee wie dat was, dacht dat ik tégen het Franse leger vocht.’’

Letterlijk uit een handomdraai begon die middeleeuwse tragedie. Onverhoeds werd Pauline door haar broer in een houdgreep genomen en kreeg dan subiet te verstaan: ’Zo mevrouw d’Arc, komt u maar mee naar de kerker!’ Even later kon je broer en tweelingzussen als nonnen verkleed in gebed verzonken zien rondwaren.

,,Het was zaak om binnen zoveel minuten zoveel mogelijk kruisjes (van papier of stokjes) te maken, want anders wachtten je weer stokslagen. We hoefden die ’spelregels’ onderling nooit uit te leggen; we wisten waarom en waartoe, ook als we onze moeder vastbonden. Dat moest dan. Vreselijk als we met neven of nichtjes speelden. Die vroegen altijd uitgerekend verkeerd: ’Wat gaan we doen?’ We hadden een verbond met z’n drieëen. Wát: rolverdeling? We waren al aan het spelen voordat je daar aan dacht! Als je daar al aan dacht. Ik weet niet meer wanneer het ophield. Wel weet ik dat het nooit meer terugkomt.’’

Achteraf en onbedoeld was er allicht een rolverdeling, en daar wisten ze alle drie goed mee te leven. ,,Aus was zo’n beetje de baas, deed zich slimmer voor dan ie was. M’n tweelingzus speelde ’de stille’, en ik de geímponeerde: ’goh, wat stoer!’ Ik volgde steevast de bevelen van m’n broer en zus op. Moest ik ’s zondags snoep halen. Klom ik op de wasmachine om bij de trommel te komen, schreeuwde ik vandaar af of ze een blauwe of rode toffee wilden. Niet beseffend dat m’n vader dat kon horen.’’

Werd Pauline door vader Aus terechtgewezen. ’Ja maar dat moest van Aus en Tessa’, verweerde zij zich fier. Vader Aus naar de twee beschuldigden. Is dat zo? Moest Pauline snoep voor jullie pakken? Alom ongeloof, verzinnebeelde verontwaardiging en twee heftig nee schuddende kinderbolletjes.

,,We waren altijd aan het fantaseren . Maar toen ik m’n broer op zijn schooltoneel zag, zag ik mezelf ineens ook zo staan. Ook omdat ik op hem lijk, maar ook dat je daar zo geschminkt belangrijk kon wezen. Als ik m’n ouders zie spelen, dan zie ik dat ze aan het werk zijn. Niet dat ze een personage spelen. Toen ik mijn broer in dat schooltoneel zag, wist ik: hij is niet zichzelf, hij speelt iemand ánders. Nog steeds kan ik er niet tegen als hij op het toneel moet huilen . Want dan sta ik zelf meteen ook te sniffen. Terwijl ik weet dat hij een rol speelt.’’

Hoewel ze zelf nooit bedacht dat ze ooit eens aan het toneel zou moeten, kwam dan toch het moment dat ze zich voor de toneelschool aanmeldde. ,,Misschien dat ik het niet durfde. Afkomstig uit een theaterfamilie bang dat theater m’n leven zou beheersen. Bang dat het vak me opvreet. Wil ik nog steeds niet, ook al is theater mijn vak.’’

De Amsterdamse toneelschool wees haar aanvankelijk af (’met 17 te jong, te weinig levenservaring’), ze was kwaad, teleurgesteld en opstandig (’voor het eerst zeiden mensen dat ik het nog niet kon!’).

Een jaar later lukte het wel, voelde Pauline Greidanus zich onoverwinnelijk maar vroeg ze zich na een tijdje af wie nou meer z’n best deed: de toneelschool of zij? Lessen ervoer ze als ouderwets, als een leraar ziek was kregen ze soms maandenlang geen les in dat discipline. Ze nam het heft in eigen hand. Samen met een mede-studente maakte ze Jean Genet’s ’De meiden’. Licht, decor, stukkeus, rolverdeling, spel, regie, dramaturgie, souffleuse: Pauline Greidanus.

De directeur van de toneelschool was ’trots op z’n brutaal meisje’, haar medestudenten keken er naar ’als kippen naar onweer’. O zo, dacht ze recalcitrant zelf: ze moeten mij niet vertellen hoe theater in elkaar zit.

Een val van een toneelschoolstellage bracht, twee jaar lang, meervoudig onheil. Weliswaar afgestudeerd, maar geen werk, geen stage-ervaring door de val, een broer die zich (bij theatergezelschap Hollandia,nu NTGent) theatraal profileert, zijzelf een ’depressieve pion op wie niemand zit te wachten’.

Toch belandde Pauline Greidanus bij het Nationale Toneel, waar zij in de Engelse dubbelkomedie ’Huis en tuin’ naast toneelspelers als Gijs Scholten van Aschat, Lou Landré en Carine Crutzen speelde. ,,Ik stond te stuiteren. M’n grote mond was ineens weg, ik werd onzeker en verlegen. Voor ’t eerst werk, en met zulke mensen!’’

En het allerbelangrijkst: op eigen houtje. Bedoeld of/en onbedoeld had zij kennelijk de raad van haar ouders opgevolgd. Die hielden hun kinderen inzake een theatrale toekomst voor: we gaan jullie niet helpen, en neem ons niet als voorbeeld.

Deel dit artikel