Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Allen voor het kind, het kind voor allen

Home

Ingrid Robeyns

Menig overheid ondersteunt ouders. Die krijgen kinderbijslag, de opvang van hun spruiten wordt gesubsidieerd of ze mogen ouderschapsverlof opnemen. Is dat wenselijk of voortrekkerij, vraagt de Rotterdamse filosofe Ingrid Robeyns zich af.

Mag de overheid gezinnen met kinderen bevoordelen? En zo ja, op basis van welke principes dan? Creëert zo’n voorkeursbeleid geen onrechtvaardigheden tussen ouders en mensen zonder kinderen?

Het is een aantal van de vragen die wij – een kleine groep politiek filosofen aan de Erasmus Universiteit – ons stellen. In dit debat spelen de belangen van meerdere partijen een rol: van kinderen, ouders en van volwassenen zonder kinderen. Die laatste groep is erg divers en bestaat uit twijfelaars, kinderlozen die onvruchtbaar zijn en kindvrijen die bewust kiezen voor een leven zonder kinderen.

Voor we deze vragen filosofisch kunnen beantwoorden, moeten we nagaan wat studies over ouderschap en gezinsbeleid ons leren. In bijna alle Westerse welvaartstaten ligt het geboortecijfer onder het reproductiecijfer: de bevolking krimpt. Dit creëert op termijn budgettaire problemen, omdat de welvaartstaat hoofdzakelijk gefinancierd wordt door de werkende bevolking.

De kosten (maar dan de niet-financiële) van het ouderschap zijn de laatste decennia toegenomen. Vooral voor moeders, omdat veel vrouwen tegenwoordig interessante kansen krijgen op de arbeidsmarkt die ze vroeger niet hadden. De persoonlijke kosten van het ouderschap zijn bovendien groter voor moeders dan voor vaders. Daar waar moederschap vaak leidt tot lagere lonen en een glazen plafond, resulteert vaderschap in een toegenomen kans op een hoger loon en promotie.

Heel wat landen kennen beleidsmaatregelen die ouders ondersteunen. Iemand moet die betalen. Dat kunnen werkgevers zijn, of diegenen die belastingen betalen op inkomen, op vermogen, consumptie of schenkingen. Welke principes rechtvaardigen zo’n belasting?

Het eerste principe is het ’publieke goederen’-argument: de kinderen van vandaag zijn de actieven van morgen, van wie iedereen zal profiteren. Ook de kinderlozen willen op hun oude dag eten krijgen en verzorgd worden. Daarom moet iedereen nu een deel van de kosten van het ouderschap dragen. We hebben behoefte aan een volgende generatie die uit genoeg mensen bestaat en voldoende geschoold zijn, om de economie draaiende te houden.

Dit argument is echter niet zo sterk als het op het eerste gezicht lijkt. Is het echt noodzakelijk dat een volgende generatie minstens zo groot is als de huidige? Vanuit ecologisch perspectief zijn er goede redenen om de wereldbevolking te laten krimpen. Zelfs binnen Nederland is het helemaal niet immoreel om na te denken over een zeer geleidelijke afname van de bevolking om onze leefomgeving te behouden voor toekomstige generaties.

Het feit dat bepaalde delen van het socialezekerheidssysteem gebaseerd zijn op een niet-krimpende bevolking is op zich onvoldoende reden om te pleiten voor dit soort bevolkingspolitiek. We kunnen het systeem omvormen, zodat het hiervoor minder gevoelig wordt.

Het ’publieke goederen’-argument is ook lastig als we het over de karakteristieken van de volgende generatie hebben. Terwijl de een hoopt dat er in de volgende generaties voldoende priesters zijn, laat dat een ander, die vooral hoopt dat er voldoende milieuactivisten zijn, volledig koud. Omdat onze oordelen over wie een waardevolle bijdrage aan de maatschappij levert zo uiteenlopen, is het hachelijk mensen voor te stellen als publieke goederen.

De overheid kan gezinsbeleid ook funderen op het principe dat kinderen recht hebben op maatschappelijke steun in hun hoedanigheid van kind, net als andere kwetsbare groepen. Kinderen hebben recht op kwalitatief goed onderwijs, op ruimte om zich te ontwikkelen, op een fysiek en emotioneel veilige omgeving, op steun in tijden van nood, enzovoort.

In een rechtvaardige samenleving heeft een kind van rijke ouders daar niet meer recht op dan een kind van minder gegoede ouders. Met dit principe kunnen we goed onderwijs of voldoende middelen voor de jeugdzorg rechtvaardigen, maar is het veel moeilijker om er bijvoorbeeld kinderopvang, ouderschapsverlof of een inkomensonafhankelijk recht op kinderbijslag mee te verdedigen.

Ten derde is er het efficiëntieprincipe: ondersteuning van kinderen en ouders levert op termijn efficiëntievoordelen op. De overheid kan met dit principe goed onderwijs rechtvaardigen. Kwalitatief goede kinderopvang valt hier ook onder, indien subsidiëring van kinderopvang minder kost dan de bijkomende belastingsopbrengsten van ouders die (meer) gaan werken en indien opvang bijdraagt aan een gezonde ontwikkeling van de kinderen.

Vervolgens is er het principe van gendergelijkheid. Westerse culturen hanteren nog steeds verschillende sociale normen en verwachtingen voor mannen en vrouwen. Als de arbeidsmarkt en de publieke voorzieningen erop ingesteld zijn dat één van de ouders zijn of haar professionele activiteiten drastisch terugschroeft voor de kinderen, is dat in de praktijk vooral een appèl aan moeders.

Wil de samenleving mannen en vrouwen gelijke kansen geven, dan moeten we loopbanen verenigbaar maken met ouderschap voor beide ouders. Op basis van dit principe kan de overheid financiering van kinderopvang, voldoende ouderschapsverlof, vaderschapsverlof bij de geboorte, en ruime schooluren rechtvaardigen.

Het laatste principe is de idee dat ouders zelf recht hebben op steun van de gemeenschap. Vanuit een pluralistische filosofie is dat moeilijk te onderbouwen, want waarom zou je de levenskeuzes van ouders bevoordelen? Moeten we als politieke gemeenschap niet neutraal staan tegenover de reproductieve keuzes van volwassenen?

Uiteraard leidt ouderschap tot een aanzienlijke beperking van persoonlijke vrijheid en heeft het zware financiële consequenties. Maar dat vormt op zichzelf onvoldoende reden om ouders in hun hoedanigheid van ouders te ondersteunen.

Het feit dat ouders kiezen voor een leven met kinderen, betekent dat ze verwachten waardevolle ervaringen in de plaats te krijgen voor de vrijheid die ze opgeven. Mensen kiezen wel vaker voor levenspaden die economisch minder riant zijn, omdat ze daar op emotioneel, esthetisch, religieus, of intellectueel vlak veel meer uit halen.

Sommige filosofen vinden dit een merkwaardige gedachtengang. Misschien dat mensen het persoonlijk anders ervaren, maar deze stroming vindt kinderen krijgen geen weloverwogen keuze, zoals de keuze voor een studie of een partner.

Dat neemt niet weg dat een gezinsbeleid dit wel als uitgangspunt dient te nemen. Bovendien geldt die kanttekening ook voor andere levenspaden. Er zijn genoeg mensen die het priesterschap, de wetenschap of het activisme als een roeping zien en niet als een keuze, maar dat betekent nog niet dat de maatschappij daarvan de kosten moet dragen.

Een combinatie van de principes van efficiëntie, de belangen van het kind en gendergelijkheid bieden voldoende filosofische fundering voor een breed pakket aan maatregelen ter ondersteuning van ouders, in ieder geval veel meer dan momenteel voorhanden is. Filosofisch gezien blijft het een uitdaging om te onderzoeken of er een principe bestaat dat ondersteuning van ouders in hun hoedanigheid van ouders legitimeert.

De politiek hoeft daar gelukkig niet op te wachten, want er is voldoende analytische duidelijkheid over welk beleidsvoorstellen sterke filosofische fundamenten hebben. De vraag die dan rest, is of de politici de moed hebben om deze filosofische helderheid uit te werken naar een doordacht gezinsbeleid.

Ingrid Robeyns is hoogleraar praktische filosofie aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Lees verder na de advertentie
(\N)
Ouder met kinderen. (Trouw, Werry Crone)

Deel dit artikel