Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Allemaal meekwekken

Home

Henri Beunders

Politici zijn bijna permanent live te volgen, via televisie, blogs, twitter, etcetera. Ze geloven, aldus Henri Beunders, dat ze overal een mening over moeten ventileren en dat ze zich via alle denkbare communicatiemiddelen over de persoonlijkste zaken moeten uitlaten. Maar wat levert dat op?

De anekdote is bekend. Premier Colijn kwam in de jaren dertig op een ochtend verontwaardigd op zijn ministerie aan. Op straat had een journalist het gewaagd hem zomaar iets te vragen!

De afstand tussen politiek en publiek, inclusief de pers, kon niet groter zijn dan in die even verzuilde als autoritaire jaren van Colijn. Die afstand kwam overeen met de horizontale en verticale afstanden in het land en de samenleving. Groningen, Limburg en Zeeland hadden nauwelijks iets met elkaar te maken, ze konden elkaar letterlijk nauwelijks verstaan. En diezelfde Colijn rookte per dag voor meer geld aan sigaren op dan een werkloze per week aan bijstand ontving. In Drenthe woonden sommigen zelfs nog in een plaggenhut.

We zijn nu ruim tachtig jaar verder. Maar er zijn overeenkomsten tussen premier Balkenende en zijn verre voorganger: het steile geloof, het geloof in eigen gelijk, en allebei voerden ze vier, vijf kabinetten aan. Net als overigens premier Drees die – afhankelijk van de telling – drie of vier kabinetten leidde tussen 1948 en 1958.

Het grote verschil is dat Colijn en Drees nog premier waren in het televisieloze tijdperk, en wij nu al bijna acht jaar lang dagelijks JPB op tv kunnen volgen. En al die andere politici.

Wat is de invloed geweest van de tv, beter gezegd van de media, op de democratie, op het aanzien van de politiek en politici? Als we de kabinetsperikelen van de afgelopen weken en het gestuntel in de Tweede Kamer dat voorafging aan het aftreden als uitgangspunt nemen, dan is deze stelling te verdedigen: de alom aanwezigheid van de televisie in de politiek, en omgekeerd van de politici in de media hebben – tezamen met de geëmancipeerde ’mediaburgers’ – geleid tot een moeras waarin zowel publiek als politici dreigen te verdrinken. Met als enige winnaar de televisie.

De oorzaak van de frustratie die de huidige mediacratie dreigt te verlammen ligt in het verouderde politieke bestel van de representatieve democratie, met al haar hiërarchische structuren en benoemde functionarissen. Deze staat intussen haaks op de netwerkmaatschappij waarin iedereen zich gelijk waant aan de ander.

Dat de huidige politieke en mediale gelijkheidsmanie in de afgelopen jaren vooral frustratie en moedeloosheid heeft opgeleverd, wordt duidelijk uit de dagelijkse enquête, afgedrukt in De Telegraaf, onder de titel ’Stelling van de dag’. Afgelopen dinsdag luidde die: ’Moddergooien gevallen bewindslieden gênante vertoning’. Eens met de stelling was 89 procent, oneens 9 procent en 2 procent had geen mening. Maar hoe verwoordden de lezers dit? De krant vatte het samen: „Op harde toon rekent u af met de betrokken bewindslieden. ’Amateurs’, ’slappe hap’, ’prutsers’ en ’waardeloos kabinet’ klinkt het regelmatig in de duizenden reacties. U verwijt Wouter Bos, Maxime Verhagen én Jan Peter Balkenende een gebrek aan leiderschap en daadkracht.”

Een interessante enquête om minstens twee redenen. De ochtendkrant opende maandag 22 februari zélf met de vette kop ’Moddergooien begonnen’. Dan is het niet zo vreemd dat de lezers de dag erop oordelen dat dit moddergooien van politici onderling gênant is. Interessanter is dat de lezers de betrokken bewindslieden zelf in zo hard mogelijke bewoordingen veroordelen: ’slappe hap’, ’prutsers’ etcetera.

Is de burger boos omdat hij leiderschap en daadkracht eist maar die niet krijgt? Is hij boos omdat hij intussen wel de godganse dag – en nacht – gebombardeerd wordt door de trivia van twitterende politici, die zelfs nog twitteren als ze in de Kamer zitten of in een talkshow om die ’kloof’ met de kiezers te overbruggen? Of is de burger boos omdat ie zelf ook al die instant mediale middelen tot zijn beschikking heeft waarmee hij zijn mening de wereld in kan slingeren, om daarna te ontdekken dat de enige die zijn weblog leest hijzelf is?

Communicatie is één deel van het verhaal over het moeras waarin de huidige politiek is beland. Het idee leeft nog altijd dat meer informatie (tussen mensen, tussen volkeren) tot meer begrip en tolerantie leidt. Dat is een idioot idee, sterk gepropageerd door de Amerikaanse humanistische psycholoog Carl Rogers een halve eeuw geleden. Iedereen weet immers dat meer kennis over een ander, of een andere cultuur – ’Hij gaat vreemd!’, ’Ze besnijden daar vrouwen!’ – de afkeer eerder zal vergroten dan verkleinen.

Dit wordt bevestigd in recente psychologische studies, zoals die van de Amerikaanse psycholoog Michael I. Norton. Studenten vonden van de vier proefkonijnstudenten die ene het aardigst die (in tegenstelling tot de andere drie) geen woord met wie ook had gewisseld.

Het oude Britse gezegde ’Familiarity breeds contempt’ – vertrouwdheid veroorzaakt verachting – geldt nog altijd. Het dilemma van de politicus in de mediacratie gold in vroeger tijden voor de monarch. Zoals de Britse staatsrechtgeleerde Walter Bagehot in 1867 het als ’wet’ formuleerde: „Te veel zichtbaarheid leidt tot alledaagsheid, te weinig tot vergetelheid en onbegrip.” Om dat laatste te voorkomen kiezen moderne politici voor zoveel mogelijk media-aandacht.

Al die presentie in de media leidt allereerst tot een omdraaiing van de relatie tussen parlement en media. Niet de media berichten over wat er in het parlement gezegd wordt, maar het parlement vergadert over wat er in de media is gezegd. De gekte is zelfs zo ver voortgeschreden dat een Kamerlid al eens een vraag stelde over wat een ander Kamerlid zojuist met zijn mobiel had getwitterd naar internet.

De bijna permanente live verslaggeving op televisie en internetsites van wat politici binnen en buiten het parlement doen, geeft hen de kans om op te vallen, maar de kans om door de mand te vallen is nog veel groter. Het is immers maar weinig politici gegeven om altijd ’naturel’, dat wil zeggen als een volleerd acteur, in alle omstandigheden dezelfde persoon te lijken, met dezelfde boodschap. De historische ’wet’ voor het succes van politici geldt in mijn ogen nog altijd: de tijd, de boodschap, de persoon. In die volgorde. Ofwel: de tijd vraagt om een bepaalde boodschap. Iemand staat op die de gewenste boodschap succesvol verwoordt, en hij heeft ook zijn persoonlijkheid nog mee om dat overtuigend te doen, waar of via welk medium hij de boodschap ook verkondigt.

Aangezien de meeste politici noch een duidelijke boodschap noch een stevige persoonlijkheid bezitten, gokken ze op een zo groot mogelijke mediapresentie. Bij de geringste tegenslag vallen ze door de mand. Daar zorgden vroeger de kranten natuurlijk ook voor, via snerpende hoofdartikelen, maar dat ging over standpunten. In onze 24/7-mediacratie hebben politici zichzelf in een glazen huis gezet.

De digitale breedbeeldtelevisie onthult nu werkelijk elke minuscule spierbeweging in de gelaatsexpressie en de overige lichaamstaal. We hebben daarvan de afgelopen weken fraaie staaltjes kunnen zien tijdens de debatten met de premier en de vicepremier, en ook toen minister Koenders ongevraagd achter het katheder klom. „Bert, niet doen”, hoorden we de premier fluisteren, want ook de richtmicrofoons zijn tegenwoordig digitaal en uiterst verfijnd.

In de huidige kiezersdemocratie moeten boodschap en ideologie – als die er tenminste is – verkocht worden aan wantrouwige, zwevende stemmers. Geloofwaardigheid en vertrouwen spelen daarom een grotere rol dan ooit. Omdat we in een coalitiebestel leven, zodat een verkiezingsprogramma niet al te veel zegt over de praktijk na de gang naar de stembus, heeft de kijker-kiezer niet veel meer om op terug te vallen dan de indruk die de politicus maakt.

De meeste politiek geïnteresseerde burgers weten in grote lijnen wel waarvoor de verschillende partijen staan. Politici daarentegen denken, met het oog op al die zwevende kiezers, dat ze overal een mening over moeten ventileren en dat ze zich via alle denkbare communicatiemiddelen over de persoonlijkste zaken moeten uitlaten. Al die energie in alle windrichtingen leidt niet tot duidelijkheid, vertrouwdheid of geliefd zijn, maar tot afstomping, en fixatie op de persoon zelf.

Neem al die weblogs van politici. Een van mijn studenten deed er onderzoek naar. Wat bleek? Rita Verdonk, Femke Halsema en Mark Rutte scoorden veruit het hoogst als het ging om praten over de hond die werd uitgelaten of het kind dat naar de crèche moest gebracht. Wie scoorde op deze ’ontboezemingsschaal’ het laagst? Geert Wilders. Die praat alleen over politiek, met die ene boodschap. Weinigen weten of en met wie de man getrouwd is, of hij kinderen heeft. Maar hij staat nogal hoog in de peilingen.

Omdat bijna alle andere politici – figuren als Donner en Van der Vlies uitgezonderd – altijd overal over willen praten en daarvoor op een holletje naar Hilversum rennen, komt het steeds meer aan op de vraag hoe leuk ze hun zegje kunnen doen. En hoe overtuigend ze, door de camera geregistreerd, in het parlement kunnen interrumperen. Dit leidt tot een permanente beoordeling van gezichtsexpressies, op zoek naar een hapering in de stem, een frons van de wenkbrauwen, een gepeuter in of gewrijf aan de neus. En dat laatste duidt meestal op liegen.

Zo is het politieke schouwspel meer en meer gaan lijken op de Amerikaanse tv-serie ’Lie to me’, die hier ook wordt uitgezonden. De hoofdpersoon, dr. Cal Lightman en zijn collegae helpen overheden zoals het openbaar ministerie bij onderzoek naar ’de waarheid’. Dat doen ze met behulp van toegepaste psychologie op het gebied van lichaamstaal en gezichtsuitdrukking, ontleend aan het onderzoek van de toppsycholoog Paul Ekman. Ekman werd beroemd door zijn analyse van Bill Clinton tijdens Monicagate in 1998: de rimpels in het voorhoofd, de vinger die langs de neus wreef ’bewezen’ dat hij zat te liegen. Bij de rechtszaak tegen O.J. Simpson werden getuigen op video op dezelfde wijze onderworpen aan een visuele, emotionele leugendetector.

In Nederland zijn het de afgelopen jaren vooral commentatoren, politici en wetenschappers van PvdA-huize geweest die de invloed van ’de media’ op de politiek hekelden. Via ombudsmannen of zelfs regels van overheidswege probeerden ze die terug in hun hok te krijgen.

Dat werd duidelijk na de afgang van Ad Melkert tegenover Pim Fortuyn in 2002. Direct daarop verschenen rapporten, zoals van de Raad van Maatschappelijke Ontwikkeling en de Raad voor Openbaar Bestuur (onder leiding van Jos van Kemenade). Daarin werd de ontstane ’medialogica’ gehekeld en gepleit voor het terugbrengen van ’Het Haagse Huwelijk’ tussen politiek en media tot een latrelatie. Wat die ’medialogica’ precies was bleef onduidelijk. De ene keer werd er de commercialisering mee bedoeld, de andere keer personalisering, en daarna was het weer drama en sensatie.

PvdA-ideoloog Jos de Beus hekelde in november 2006, na weer een verloren verkiezing, het ontbreken van leiderschap in de ’toeschouwersdemocratie’. De mediacratie was zijns inziens een fatale ontwikkeling. Hij concludeerde daarom „dat de Nederlandse politieke televisie door alle weldenkende kijkers moet worden geboycot. We lezen voortaan de kwaliteitskranten en luisteren in de file naar de radio. Mannen als Pauw en Witteman zijn de gladste vijanden van het volk.” Toen hijzelf commentator werd in het tv-programma Buitenhof hoorden we trouwens weinig meer over die kwalijke effecten.

De Beus had overigens gelijk in de stelling dat tv-presentatoren én krantecolumnisten grote invloed kunnen uitoefenen. Een andere student van mij onderzocht na het referendum over de Europese Grondwet in 2005 de invloed van de columnisten op het debat hierover. Zij concludeerde – onder meer op basis netwerkanalyse: wie reageert op wie – dat twee tegenstanders het meeste effect hadden gesorteerd: Bob Smalhout in De Telegraaf, en Ronald Plasterk in de Volkskrant.

Ook in deze tijd van nieuwe verkiezingen spelen columnisten en televisiegenieke persoonlijkheden een niet te onderschatten rol. Mensen als Jan Blokker, toen hij nog gelezen werd in de Volkskrant, hadden een grote invloed op de mening over politici – en nooit in gunstige zin trouwens. Nu fungeert Maarten van Rossem, lijstduwer van de PvdA in zijn woonplaats Utrecht, als de cabarateske propagandist tégen het populisme, met als telkens terugkerende oplossing: stem PvdA. Dat is overigens ook de impliciete conclusie van zijn – letterlijk en figuurlijk – erg dunne boekje ’Waarom is de burger boos?’.

Maar waarom de burger boos is, en waarom de huidige politieke toestand er zo belabberd uitziet, heeft veel meer te maken met fundamentele structuurveranderingen in de samenleving. De samenleving is horizontaal geworden, terwijl politiek en bestuur nog altijd verticaal georganiseerd zijn. Dit is ook de conclusie van het nieuwste rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur, op 17 februari gepubliceerd. Helaas bleef het vooralsnog ondergesneeuwd in de lawine van media-aandacht voor de Haagse perikelen. Bovendien kwam de titel, ’Vertrouwen op democratie’, op het ongunstigste moment denkbaar. Weinigen op het Binnenhof zullen immers direct gedacht hebben dat het motto van het rapport nagevolgd moet worden. Dat motto was ontleend aan de Amerikaanse gouverneur Alfred E. Smith (1873-1944): „De beste remedie tegen de tekortkomingen van de democratie is méér democratie.”

Het is een verfrissend rapport, met opmerkelijk radicale conclusies en aanbevelingen. De kloof tussen burger en politiek bestaat niet, er is een andere kloof: „De samenleving horizontaliseerde in haar verhoudingen, terwijl het politieke bestuur goeddeels als vanouds – dus uitgaande van verticale, hiërarchische gezagsverhoudingen – bleef opereren. Dat wringt. [...] Daarmee dreigt de politiek volledig los te raken van de samenleving.”

Het rapport suggereert drie nieuwe ’verbindingspunten’. De politiek moet opereren vanuit waarden en beginselen. De mensen moeten „aanzienlijk meer invloed krijgen op beleid en besluitvorming”. Dat betekent dat de representatieve democratie ’aanvulling met elementen van participatieve en/of directe democratie’ behoeft, bijvoorbeeld via referenda. En ten slotte moeten de burgers meer invloed krijgen op de keuze van hun politieke leiders.

Afgelopen week hebben we gezien hoe zowel het bestuur van de PvdA als van het CDA direct na de val van het kabinet respectievelijk Bos en Balkenende aanwezen als lijsttrekkers. Nog maar 2,5 procent van de kiezers is lid van een partij. Hoe begrijpelijk deze snelheid om electorale redenen ook was, hij bevestigt het beeld dat de kiezers niets te vertellen hebben over wie de leiding van het land ter hand wil nemen.

Dat versterkt de frustratie. En dan bedoel ik niet de bekende frustraties over ongewenste ontwikkelingen (onveiligheid, multiculturele samenleving, economische crises) die natuurlijk een belangrijke voedingsbodem zijn. Ik bedoel de frustratie dat mensen zich niet serieus genomen voelen. En die vloeit mede voort uit de desillusie over de droom van totale communicatie. Kijkend naar al die talkshows voelt de burger zich alsof hij ook aan die tafel zit mee te kwekken. Maar dat kan ie pas daarna, achter zijn pc, via zijn eigen weblog, via Twitter, Facebook, e tutti quanti.

De burger is als het ware langszij gekomen bij alle massamedia, heeft zich op een zelfgeknutseld virtueel platform gehesen. Om tot de ontdekking te komen dat de spotlight niet op hem, maar nog altijd op de politici en presentatoren rond de talkshowtafel is gericht. En dat zijn commentaar in het donker van het virtuele universum blijft – onopgemerkt, veronachtzaamd.

Nederland heeft in de afgelopen twee decennia een Amerikaanse mediacultuur gekregen. Maar het grote verschil is dat in de Verenigde Staten de burgers in zowel de lokale als landelijke politiek veel actiever, bevlogener maar ook gedisciplineerder zijn dan in ons land. Uit onderzoeken blijkt dat van alle landen ter wereld in Nederland het meest gescholden, verketterd en gedemoniseerd wordt op internet. Dat komt voort uit het feit dat de Nederlander sinds de jaren zestig wel tot autonoom en gelijk burger is verklaard, maar het in wezen niet is. Sommigen voelen zich zoals de tekst op een reclameposter bij de Burgerking, recht tegenover de Tweede Kamer: ’De beste burger is een gegrilde burger’.

De oplossing is daarom tweeërlei. Radicale emancipatie en participatie van de burger inzake politiek en beleid. En een politieke klasse die niet langer op popiejopie-wijze in het gevlij tracht te komen bij de mediaconsument, maar die op gepaste momenten zijn politieke visie met kracht en overtuiging voor het voetlicht brengt. Met als standaard openingszin: als u het niet met me eens bent, stem op een ander.

Lees verder na de advertentie
Henri Beunders @is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Deel dit artikel