Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Alle verschillen verdwijnen

Home

Jan Oegema

„Ik zou een dramatisch essay kunnen schrijven over theologen die worstelen met hun intelligentie.” In zijn vierde en laatste beschouwing over de grote Duitse mysticus Meister Eckhart (1260-1328) gaat Jan Oegema in op het begrip ’intellect’ in diens preken. „Waarom hecht Eckhart er zoveel waarde aan? Waarom blijft hij de duizelende nonnen met zijn speculaties bestoken?”

Wat is intellect? En wat is intellect precies bij Meister Eckhart? In zijn preken en traktaten kom je het begrip om de andere pagina tegen. Voor ons, eenentwintigste-eeuwers, is dat tamelijk ongewoon. Wij beschouwen religie als de plaats waar het intellect buigt voor het mysterie, waar het hart regeert over het hoofd. Dat het intellect ooit onverdacht als een gave Gods door het leven ging en een speciaal soort religieuze hartstocht uitlokte – we kunnen het ons nauwelijks meer voorstellen.

Intellect geldt als verdacht; ik zou een dramatisch essay kunnen schrijven over theologen die worstelen met hun intelligentie. Maar in hoeverre is de argwaan terecht? Ik denk dat elk denkend mens ten minste twee opvattingen over het intellect huldigt, verre en vage echo’s van de twee bomen die God volgens Genesis 2 in het paradijs plantte.

We weten dat we deel uitmaken van de kosmos, een ongelooflijk complex systeem met een zelfregulerende intelligentie waarvan ook wij een autonome aftakking meedragen. Geheel op eigen houtje reguleert ons brein ademhaling, bloedsomloop, voedselvertering en ovulatie, processen waarop we amper invloed op kunnen uitoefenen maar waarvan we iedere dag getuige zijn. Wij zijn kennende wezens: in ons slaat de natuur haar ogen op. Wij zetten op onze manier de creatie voort, leerden vuur te maken, brood te bakken, auto’s te fabriceren, auto’s te besturen, mobiel te telefoneren, een ingeklapte long te verhelpen, als het moet zelfs een hersenoperatie uit te voeren.

Dit alles behoort, deels bewust, voor een nog groter deel onbewust, tot onze creatieve intelligentie: bron van immense verwondering.

De appelboom

Daarnaast is er onze destructieve intelligentie: broedermoord, uitbuiting, uitsluiting, ketterverbranding, volkerenmoord, gedwongen volksverhuizingen – bron van verwarring en schaamte, voor de auteurs van Genesis (het boek kreeg zijn definitieve redactie in de zesde eeuw voor Christus, tijdens en na de Babylonische ballingschap; de geschiedenis was toen al volop modern), aanleiding voor een symbolische maatregel zonder weerga: sluiting van het paradijs.

Van deze destructieve intelligentie is onze morele intelligentie een afgeleide; de een zo groot als een boom, de ander zo klein als een appel. We weten dat we in de ene situatie een keuze hebben tussen goed en kwaad, in de andere de gevolgen van ons handelen met geen mogelijkheid kunnen overzien – terwijl we daar toch verantwoordelijk voor blijven.

Het christendom heeft ons altijd voorgehouden dat we beperkte en zondige wezens zijn; na 1918 en na 1945 zijn we voorgoed ontmaskerd als kwaadwillende en onverschillige wezens.

De theologie heeft daar haar consequenties uit getrokken (dat moest ze ook wel, met haar antisemitische reflexen) en zich andermaal opgeworpen als weermiddel tegen onze destructieve intelligentie, nu vanuit een deemoediger grondtoon. Auschwitz is een cesuur, ook voor theologen die door de doorwerking van de Reformatie (Kierkegaard en Barth) en door de confrontatie met allerlei denkers (Feuerbach, Nietzsche, Freud) er toch al toe neigden het intellect te wantrouwen. Zij blijven gevangen in de schaduw van de appelboom, hun denken cirkelt onveranderlijk rond moraliteit en overgave, de twee grootheden waarvoor zij alle vingers van de rede eerbiedig ineen vouwen.

Intussen lijken ze al lang vergeten dat er in het paradijs nog een andere boom staat. Die boom is natuurlijk net zo goed een boom van kennis, niet minder ook van godskennis. De levensboom staat symbool voor de creatieve intelligentie die zich ook in de mens heeft genesteld, in zijn lichaam, in zijn brein. U raadt het al: onder deze boom is Meister Eckhart te vinden.

Oneindig subtiel

Eckhart staat midden in de scholastiek, de door theologie beheerste en door Aristoteles geïnspireerde wetenschap van de latere Middeleeuwen. Die is minder dor dan we nu denken; met ’De naam van de roos’ heeft Umberto Eco geprobeerd het misverstand recht te zetten. Na een winterslaap van duizend jaar ontwaakt de intellectuele mens; de scholastici wrijven zich de ogen uit, vol verwondering over het genie van de schepping. Hun gedachte is deze: God heeft hemel en aarde ontworpen, wij kunnen die al denkend na-ontwerpen. Ook Dante, generatiegenoot van Eckhart, levert met zijn ’Divina Commedia’ een proeve van zo’n na-ontwerp.

Voor middeleeuwse intellectuelen en kunstenaars bestaat er dus geen verschil tussen wetenschap en theologie. Geloven is voor hen geen irrationele daad, zij pendelen nog tamelijk onbevangen tussen de twee bomen in het paradijs.

Eckhart profiteert volop van die onbevangenheid, hij voelt zich als een vis in het water tussen zijn collega’s in Parijs en Keulen. Sterker dan anderen voelt hij zich aangetrokken tot die ene boom, die door God – aldus Genesis 2 – in het midden van de hof is geplaatst. Eckhart ziet al het schepselijke doorstraald met een en hetzelfde licht, oneindig fijn, oneindig subtiel. Hij keert zich daarmee tegen zijn ordebroeder Thomas van Aquino, die zich op het standpunt stelt dat er een wezenlijk en onoverbrugbaar verschil bestaat tussen God en de schepselen. Als God licht is, betoogt Thomas, dan hebben wij hooguit deel aan dat licht; het beschijnt ons, valt over ons heen. Wij zijn dat licht niet, dat mogen we nooit en te nimmer denken.

Maar Eckhart denkt dat wel – omdat hij geheel andere opvattingen over God heeft, zo anders dat zelfs wij de consequenties ervan amper kunnen overzien en ons blijven verbazen over zijn formuleringen. God is nog dikwijls mensvormig bij Eckhart, even vaak is ze dat ook niet – en dan valt ook het ontzag weg dat haar gestalte gewoonlijk afdwingt. (Ik blijf God, net als in de eerdere essays, als een ’zij’ presenteren.)

Dat leidt bij Eckhart tot uitspraken die een rust en zekerheid ademen die je alleen maar kunt begrijpen wanneer je al je aangeleerde ideeën over God terzijde schuift en meegaat in Eckharts vermoeden dat we via dat woord een ruimte betreden waarin Gods gestalte is verdwenen en haar naam is uitgewist.

Tjilpende mussen

Stel je voor dat je in de natuur bent en met je rug tegen een boom zit. Voor je stroomt de rivier, ergens naast je hoor je mussen tjilpen. Je kijkt wat om je heen, staart naar je handen, ziet er een vlieg op landen en je hoort Eckhart zeggen: „[D]eed het geval zich voor dat een vlieg intellect bezat en via het intellect op de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn zou kunnen zoeken waaruit hij is voortgekomen, dan zouden wij kunnen zeggen dat God met al wat er God aan haar is, niet voldoende vervulling zou kunnen bieden voor de vlieg. Daarom bidden wij God dat wij van God leeg worden en dat wij de waarheid ontvangen, een eeuwig genieten daar waar de opperste engel en de vlieg en de ziel gelijk zijn; daar waar ik me bevond [in de eerste oorzaak] en wilde wat ik was en was wat ik wilde.”

Jij, de vlieg, de boom, de engel – er zijn momenten waarop tot je doordringt dat de gedachtenstroom die onze waarnemingen begeleidt, berust op een immens misverstand. Het misverstand dat er een binnen is en een buiten, een boven en een onder, een vlieg en een hand, een mus en een tjilp, een jij en een god. Onderbreek die gedachtenstroom, voel hoe de tijd stolt terwijl de rivier zijn weg vervolgt (een verkeerde manier van zeggen, dat weet je, de rivier vervolgt helemaal niets, de rivier riviert alleen), en luister naar wat Eckhart de ongelovige Thomas toefluistert:

Eminente collega, hou eens op alles in tweeën te delen. God heeft ons nu juist een intellect ingegoten om de illusies van onze zintuigen en de patronen van ons verstand te doorgronden. Heus, er is maar één wereld, alleen moet je anders kijken om die te leren zien. Staar je niet blind op die ene boom, er is nog een ander. Niet zonder reden staat die in het midden van de hof.

Eckharts intellectbegrip is behoorlijk ingewikkeld. Het kan niet anders of de nonnen zitten regelmatig met hun oren te tuiten zodra hij er weer mee op de proppen komt.

Waarom hecht Eckhart zo veel waarde aan het intellect? Waarom slaat hij het zo veel hoger aan dan de wil en het geheugen, de twee andere krachten die hij als middeleeuws geleerde lokaliseert in de ziel? Waarom blijft hij de duizelende nonnen met zijn speculaties bestoken?

Eckhart was op eigen houtje bezig een nieuwe psychologie uit te denken, een die de mens helpt oog te krijgen voor de listen en lagen van zijn eigen geest. Van de listen en lagen van zijn ego, zouden wij nu zeggen – maar helaas beschikte Eckhart niet over dit begrip. Hij moest zich behelpen met het arsenaal van zijn tijd, een wonderlijk samenstel van theologie en klassieke metafysica, de twee belangrijkste pijlers van de middeleeuwse scholastiek. Die was nog geheel onkundig van het bestaan van het hindoeïsme en boeddhisme, zodat Eckhart enkele kerninzichten van deze religies zelf moest ontdekken.

Dat lukte hem, mede dankzij zijn intellect. Eckhart ziet het intellect als de kracht in het bovenste deel van de ziel, als de edelsteen op het topje van de kroon. Het is het zuiverste wat de mens bezit, het meest innerlijke, het puurste. Het intellect bewaart de herinnering aan de wereld vóór de zondeval en vóór de schepping, toen de opperste engel en het pietepeuterigste eendagsvliegje volmaakt aan elkaar gelijk waren en samen met het vonkje van het intellect het genot smaakten van de grote godloze eenheid. Godloos, omdat in die grote symbiose geen besef kan bestaan van een ander zijn dan het éne zijn (door Eckhart aangeduid als een afgrond: elk verschil, elke naam, elk tijdsbesef verdwijnt daarin).

Vroegere symbiose

Nu, in de geschapen wereld, heeft het intellect nog altijd weet van die vroegere symbiose. Maar jammer genoeg heeft de mens amper weet van zijn eigen intellect. Hij wordt geheel beheerst door ego, zo luidt de analyse van het hindoeïsme, het boeddhisme en, meer recent, de contemplatieve psychologie, in ons land in kaart gebracht door Han F. de Wit. Ego is de constante psychische activiteit waarmee de mens zich harnast tegen existentiële naaktheid, tegen bestaansangst, tegen de gevaren en verwarringen van het sociale verkeer. Jij mag denken dat je dankzij je ego een beetje controle weet te houden over het bestaan, in feite houdt het jou onder controle en laat het je ijskoud vergeten wie je was toen je je nog in het genot van de waarheid bevond.

Voor ego moet je dus oppassen. Het praat je een zelf aan en zodra je daarin gaat geloven, snijdt het je af van de grote ruimte waarin de vlieg op je hand rond trippelt. Tenminste, mocht het geval zich voordoen dat die vlieg intellect bezit.

Als Eckhart spreekt over het intellect, dan moet je dat in zijn geval begrijpen als de grote kracht tegenover het ego en diens gedienstige souffleurs: de wil en het geheugen. Die op hun beurt terzijde worden gestaan en worden gevoed door de zintuigen. Eckhart wil grif toegeven dat die ons tot zonde verleiden, met dien verstande dat hij zonde even ongewoon definieert als in onze tijd de Duits-Amerikaanse theoloog Paul Tillich: als de neiging ons voortdurend te laten afleiden en wegleiden van onze eigenlijke bestaansgrond. Of zoals Eckhart zegt: de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn. Zonde wijst op afzondering, afgezonderd zijn.

De eerste zonde is wat Eckhart betreft niet dat we eten van de boom van goed en kwaad. De eerste zonde is dat we vergeten te eten van de levensboom.

Het allerinnerlijkste

Het intellect dus als de grote kracht tegenover het ego. Alle godsdiensten en religies beweren dat de mens vervreemd is van de omvattender werkelijkheid waarin hij zijn oorsprong vindt. Vooral het hindoeïsme en boeddhisme verbinden die vervreemding met een gebrekkige kennis van de menselijke geest. Ook Eckhart legt die verbinding, en daarin is hij betrekkelijk uniek binnen het christendom. Pas in de twintigste staan er theologen op ( Paul Tillich, Eugen Drewermann, Hugo Enomiya-Lassalle, Willigis Jüger) die in zijn voetsporen treden.

Intellect impliceert inzicht, inzicht impliceert bevrijding. Bevrijding, allereerst, van de manier waarop we ons identificeren met het ding in onszelf dat we ’ik’ of ’zelf’ noemen. Daarmee denken we ons te onderscheiden van de buitenwereld, terwijl we in feite niets anders doen dan ons te voegen in de denkwijzen en verwachtingen van die buitenwereld. Ons ’ik’ is eigenlijk een ’wij’, samengeperst in een hanteerbaar formaat. Maar daar hebben we amper enige notie van, al die miljoenen keren dat ons het noodlottige woordje ’ik’ over de lippen rolt.

De contemplatieve tradities willen ons die notie inscherpen, en dat doen ze met een merkwaardige paradox. Naarmate je er beter in slaagt dat ’ik’ van je transparant te maken, naarmate je beter gaat begrijpen hoe geconditioneerd het is, verliest het gaandeweg zijn greep op je en vind je de weg naar een onpersoonlijk of een transpersoonlijk ’zelf’ dat je evengoed kunt aanduiden als een ’niet-zelf’. Je zou het zelfs kunnen aanduiden als een ’wij’, maar dan begrepen als een panoramisch wij, een weids wij dat haarscherp en daarom met groot mededogen ziet hoe elk menselijk individu – te beginnen met jezelf – een speelbal is van instincten, maatschappelijke instructies en sociale omstandigheden.

Dit alles vraagt om onderscheidingsvermogen, of, zoals de hooggeleerde Eckhart zegt, om intellect.

Onvervaard zelfonderzoek

Het intellect is niet alleen het allerzuiverste in ons, het is ook datgene wat ons helpt ons ego en dat van duizenden anderen te doorgronden en te overstijgen. Bevrijding begint dus bij en in de mens zelf, zij begint met onvervaard zelfonderzoek. „Het intellect is altijd innerlijk zoekende”, legt hij de nonnen uit. „Gods wezen is van dien aard dat het altijd woont in het allerinnerlijkste. Daarom zoekt het intellect altijd binnenin.”

Maar Eckhart laat het woord God niet vallen zonder er een waarschuwing aan vast te knopen. Behalve dat hij probeert te verijdelen dat we ons vereenzelvigen met ons ego, probeert hij ook te verijdelen dat we ons vereenzelvigen met ons godsdienstig ego. Hij heeft heel goed door (net als Paul Tillich, trouwens) dat mensen vooral naar grote woorden grijpen om hun wankele ego te stutten en hun bestaansangst te overstemmen. Dat narcistische mechanisme legt hij even geduldig als genadeloos bloot.

Lieve zusters, jullie denken dat God bron is van liefde, van waarheid, van goedheid? Kan zijn, kan zijn. Maar alsjeblieft, ga eerst eens bij jezelf na hoezeer je gekweld wordt door miskenning, onzekerheden en pesterijen, vooraleer je die verzekering van mij vraagt.

Jullie vinden het belangrijk om te bidden, te biechten en te vasten? Geloof mij, God vraagt in de eerste plaats om een gemoed dat even ledig is als het hare. Alleen daarmee zul je God kunnen vinden, in haar eenheid en in haar eenledigheid, in haar woestenij en in haar afgrond.

En wanneer je haar vindt, dan zul je bemerken dat God aan niets gelijk is, zoals ook het intellect aan niets gelijk is. Dan kan het woord God je even weinig vervulling bieden als de vlieg waarover ik het eerder had. God is slechts een manier van spreken. Een manier van spreken over de ziel, een manier van spreken over de wereld.

Verlegenheidstermen

Eckharts intellect heeft dus twee functies die in elkaars verlengde liggen. Het moet ons bevrijden van ons ego (’Neem jezelf waar, en waar je jezelf vindt, laat jezelf daar los’) en vervolgens van ons godsdienstig ego.

Maar het moet ons ook bevrijden van een bepaald soort kennis – en vooral dan weer van een bepaald soort godsdienstige kennis. Eckhart staat te boek als een vertegenwoordiger van de negatieve theologie, een tak van denken die beweert dat we over God alleen kunnen spreken door middel van ontkenningen. God is noch dit, noch dat. In die richting wijst ook een van zijn meest geciteerde uitspraken: wij bidden tot God dat wij leeg worden van God.

Die bede begrijp je maar half zolang je haar uitlegt als een theologische uitspraak. De contemplatieve psychologie maakt onderscheid tussen conceptuele en perceptuele kennis, en dat is in Eckharts geval buitengewoon nuttig.

Conceptuele kennis stoelt op begrippen, op rationele analyse, op ordening. Perceptuele kennis doet dat ook, maar dan vanuit de vraag naar het belang daarvan voor onze zelfhandhaving. Zij verzamelt en ordent de waarnemingen omtrent de verrichtingen van de menselijke geest, met als voornaamste doel allerlei vormen van rationele verwarring en verstarring weg te nemen.

Dat is ook een voornaam doel voor Meister Eckhart. Zo roept hij zijn luisteraars regelmatig op om goed te beseffen dat God een product is van het menselijk brein. Of om in zijn idioom te blijven: wij zijn het die God tot God maken. Tot een voorwerp van conceptuele kennis, ook op die momenten dat we haar raadselachtig of onkenbaar noemen. Dat zijn verlegenheidstermen van een theologisch denken dat gevangen blijft in zijn eigen rationaliteit.

Dat denken roept Eckhart een halt toe, zoals hij élk conceptueel denken tot staan wil brengen – hetgeen natuurlijk alleen maar kan als je heel goed hebt nagedacht en aan den lijve hebt ondervonden wat denken met je doet. Geleid door dit perceptuele inzicht zul je in staat zijn, zo durft Eckhart te verzekeren, een kalme, wakkere helderheid te ontwikkelen waarin het woord God niet zijn bestaansrecht maar wel zijn noodzaak verliest. (Lees in dit verband Eckharts bijzondere preek over de rust, de laatste in de bloemlezing van C.O. Jellema.)

Eckhart wil dus toe naar een andere vorm van weten, die hij regelmatig aanduidt als ’onweten’ – maar die in feite neerkomt op een hogere vorm van weten. Dát weten is het specialisme van Eckharts intellect. Dat helpt je om de conditioneringen van je (godsdienstig) bewustzijn te overwinnen en je blik te verruimen.

Mentale ruimte

Ruimte. Het is een essentiële metafoor in Eckharts bespiegelingen over het intellect. Maar ruimte is hier méér, het is het codewoord voor een ervaring, waarbij Eckhart telkens nieuwe woorden zoekt. Rust is daar een van. Of: stilte. Eenheid. Ledigheid. Woestenij. Afgrond. Afgescheidenheid. Allemaal talige ingangen om duidelijk te maken dat de menselijke geest een uitgang kent die – hoewel aanvankelijk niet groter dan het oog van Jezus’ beroemde naald – toegang biedt tot een ruimte die je niet kunt uitdrukken in millimeters of kilometers, in ellen of mijlen.

In een van zijn adventspreken typeert Eckhart die mentale ruimte als ’wijd zonder wijdte’ en hij vervolgt: „In het hoofd van de ziel, in het intellect, ben ik even dicht bij de plaats die duizend mijl aan de overzij van de zee ligt als bij de plaats waar ik me nu bevind. In deze wijdte en in deze rijkdom van God onderkent de ziel, daar ontvalt haar niets en daar verwacht zij niets.”

Zeven eeuwen na Eckhart zal de dichter Rainer Maria Rilke dit besef van ruimte samenballen in het begrip ’Weltinnenraum’. Wereldbinnenruimte. Dit is een perceptueel begrip, typisch een begrip van een mysticus, dichter of kunstenaar. Bezien vanuit het conceptuele perspectief van een godgeleerde of een menswetenschapper krijg je er moeilijk vat op, daarvoor onttrekt het zich te zeer aan de theologische en wetenschappelijke ratio. Je zou kunnen zeggen dat het die ratio verdiept, er een dimensie aan toevoegt, een dimensie waarin de grenzen tussen binnen en buiten, jij en de wereld vervagen.

Vliegen en engelen

Eckhart kende de term dualisme nog niet, maar het is alsof het op het puntje van zijn tong ligt wanneer hij in dezelfde adventspreek tegen de nonnen zegt: „Voor wie onderscheid zou kunnen maken zonder getal en zonder menigte waren honderd [engelen] hetzelfde als één.” Onderscheid maken zonder getal: dat kun je alleen als je snapt dat ons gewone denken ons van minuut tot minuut bij de neus neemt. Dat is het denken van de ongelovige Thomas, een denken dat alles in tweeën deelt, in vliegen en engelen, in linker- en rechtervleugels, terwijl die vleugels voor Eckharts ogen vervloeien in één ononderbroken beweging die zich vanaf de eerste seconde van de schepping voortzet tot in het Nu waarin hij tegen de licht verbouwereerde gezichten van de nonnen praat.

Eckhart denkt niet statisch, hij denkt in beweging. Op een of andere manier heeft hij het voor elkaar gekregen door het oog van Jezus’ naald te kruipen en de schepping te zien als een film die hij naar believen supersnel of superlangzaam kan afdraaien. Eckhart weet zijn ik te verwijden tot een panoramisch wij, een wij dat ziet hoe elk ik, elke engel, elk vliegje niet meer maar ook niet minder is dan een golfje in een machtige, brede stroom.

Stroom – let op dat woord wanneer Eckhart zijn geliefde nonnen deelgenoot maakt van zijn wereldbinnenruimte: „Ik breng alle schepselen uit hun onstoffelijk zijn in mijn verstand opdat zij in mij één zijn. Wanneer ik in de grond, op de bodem, in de stroom en in de bron van de godheid kom, vraagt niemand waar ik vandaan kom of waar ik ben geweest. Niemand heeft me daar gemist, daar ónt-wordt ’God’.”

Godloze wateren

Dit citaat heb ik eerder aangehaald, in het tweede essay van deze reeks. Toen zei ik: dit zouden zinnen kunnen zijn van een dichter of romancier. Of, voeg ik daar nu aan toe: van een kunstenaar of scheppend filosoof. Als ik in Eckharts preken en traktaten lees, zie ik voortdurend parallellen tussen zijn psychotechniek en die van allerlei creatieve makers. Kort door de bocht geformuleerd: Eckhart eindigt in de leegte waar de creator begint. In de leegte van het geprepareerde doek, het witte vel, de maagdelijke partituur.

Nu wil ik de kunsten helemaal niet idealiseren. Zoals er decoratieve, autistische, modieuze, kwaadaardige religie bestaat, zo bestaat er ook decoratieve, autistische, modieuze, kwaadaardige kunst. Maar de religie die mij iets doet, heeft een vergelijkbaar doel en een vergelijkbaar effect als de betere kunst: bestaansverheldering. Een roman van Imre Kertész of een dagboek van Oek de Jong hebben voor mij dezelfde betekenis als een verzameling preken van Eckhart. Ze doen me beter begrijpen wie ik ben – wat onder meer betekent dat ik steeds beter begrijp dat ik niet weet wat ik zeg als ik ’ik’ zeg.

„Een ledig gemoed kan alles.” Dit is een zin van Eckhart en Oek de Jong neemt hem over in zijn dagboek ’De wonderen van de heilbot’. De Jong citeert hem in een reeks passages waarin hij verwoordt wat talloze schrijvers en kunstenaars vóór hem hebben verwoord: dat je je kop stil moet krijgen wil je iets tot stand brengen. Dat je dikwijls eerst door allerlei verwarring, vertwijfeling, walging heen moet. Dat je de discipline van een kloosterling moet opbrengen. Dat je in die concentratie de stellige indruk hebt dat je ’ik’ is opgelost en iets of iemand anders het werk doet. Dat scheppen een vorm van opengaan is, ook een opengaan van je lichaam. Dat scheppen dus evengoed gebeurt met je darmen, je witte bloedplaatjes, je prostaat, je baarmoeder.

„Nur so kann geschrieben werden, mit einer so vollstündige üffnung des Leibes und der Seele”, juicht Franz Kafka in een nacht waarin hij een artistieke doorbraak heeft bereikt. Scheppen is in beginsel beaming, ja zeggen, zelfs wanneer je hoofdpersoon zich in een rivier verdrinkt na een vernietigend gesprek met een toornende vader – de plot van Kafka’s bekende verhaal ’Das Urteil’, het verhaal dat hij beleefde als een keerpunt in zijn schrijverschap.

Een van de grote paradoxen van artistieke intelligentie is dat zij een destructief aspect bezit. Die paradox tref je volop aan bij Meister Eckhart. Hij breekt ons ego af, met inbegrip van ons godsdienstig ego, en hij zaait welbewust onzekerheid over onze gewone manier van kennen, met inbegrip van ons godskennen. Hij weet dat er een ander kennen bestaat, dat ons boven onszelf uittrekt en ons bij momenten even licht en beweeglijk maakt als een vuurvliegje dat over Gods godloze wateren scheert.

„Immers”, zo leert hij de nonnen, „er is iets in de ziel van waaruit kennis en liefde voortvloeien. Dat ’iets’ kent niet en bemint niet, zoals de [andere] krachten van de ziel dat doen. Wie dit onderkent, onderkent ook waarin zaligheid ligt.”

We weten nu hoe dat iets-in-de-ziel heet. Het heet intellect.

Jan Oegema is uitgever en publicist. Dit is het laatste essay uit een reeks over Meister Eckhart. Eerdere afleveringen verschenen op 2/12, 6/1 en 10/2.

Deel dit artikel