Alfred Kossmann 1922 - 1998

home

T. VAN DEEL

AMSTERDAM - Alfred Kossmann was een gretig citeerder, uit het hoofd, van poëzie. Hij kende niet alleen regels, ook hele verzen, zowel in het Nederlands als in het Duits. Die kon hij op een toepasselijk moment inzetten als de beste verwoording van datgene waarover het in het gesprek handelde. Het typeert zijn innige omgang met dichtkunst, meer in het algemeen met literatuur, die natuurlijk geen werkelijkheid is, maar wel voor formuleringen zorgt waarin onze ervaringen met de werkelijkheid, soms onvergetelijk, besloten liggen.

Hij was iemand wiens lezen zich in en met de literatuur afspeelde, geen verliteratuurd mens, allerminst: een echte liefhebber. Vandaar dat veel van zijn boeken titels hebben meegekregen van dichtregels zoals 'Ga weg, ga weg, zei de vogel' en 'Oh, roos, je bent ziek'.

Ook in zijn recensiepraktijk voor Het Vrije Volk, vanaf 1968, liet hij zich kennen als een royale en gretige lezer. In latere boeken, als 'Duurzame gewoonten of Uit het leven van een romanfiguur', staan literair-historische beschouwingen naast memoires en verhalen; ze onderhouden een levendig onderling verkeer.

'De nederlaag', zijn omvangrijke romandebuut uit 1950, was de eerste belangrijke literaire verwerking van het fenomeen van tewerkstelling-onder-dwang in Duitsland van Nederlandse mannen. Hij kreeg er direct een prijs voor.

Als tweede hoogtepunt van zijn gevarieerde oeuvre geldt algemeen 'Geur der droefenis' uit 1980, een grote familiekroniek die veertig jaar omspande. Het is begrijpelijk dat hij vrijwel direct daarop de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele werk in ontvangst kon nemen.

Al in 'Ga weg, ga weg, zei de vogel', dus in 1971, schiep Kossmann een personage dat zich door een handicap van een directe omgang met de wereld afgesloten voelt, een dove man namelijk die zich, zittend in een stoel in zijn flat, de levens en gesprekken verbeeldt van de omwonenden. Hier treedt een thema op, dat van verbeelding, waar in het latere werk een drastische uitbreiding aan zal worden gegeven.

Naar alle waarschijnlijkheid heeft de concentratie die in het werk uit de jaren zeventig en tachtig ligt op het geheugen, de herinnering, het zelfverlies en de desinintegratie, veel te maken met het auto-ongeluk waar Kossmann in 1972 het slachtoffer van werd en waar hij superieur over geschreven heeft in 'Laatst ging ik spelevaren'.

Wie veel thuis in zijn stoel moet zitten en zich alleen met krukken en dan in de loop der jaren steeds moeizamer, kan voortbewegen, gaat het eigen hoofd en de fantasieën en stemmen die zich daarin laten horen, in het schrijven vrij spel geven. De literaire wereld wordt steeds meer opgeroepen vanuit een binnenwereld. Dat is ook de kracht en het bijzondere van dit latere werk, dat door de kenners als postmodern werd gekarakteriseerd. Ook de voorliefde voor grenssituaties kan mogelijk door de biografie enigszins verklaard worden, aangezien Kossmann verschillende keren de dood in het aangezicht heeft gekeken.

In dit verband is een dialogisch meesterwerkje te noemen als 'Een gouden beker', waarin een gestorven man, vergezeld door een begeleider, in het niemandsland loopt tussen leven en dood: hij moet de volkomen vergetelheid nog deelachtig worden.

Aan de rand van een rivier drinkt hij telkens een slokje uit een beker die hem wordt aangereikt; die drank zet hem aan tot het vertellen van zijn levensgeschiedenis. Het is kenmerkend voor Kossmann dat dit leven niet uit één leven, maar uit vele levens bestaat, van violist, groot-industrieel, journalist, geleerde en zelfs zijn eigen vrouw.

Dit standpunt, dat “persoonlijkheid een prothese is”, huldigt Kossmann in later jaren steeds nadrukkelijker. Vroeger heeft hij zichzelf enige keren getypeerd als een toerist, dat wil zeggen als een gedistantieerde en enigszins geamuseerde waarnemer van leven waar hij niet aan deelneemt. Dat nu ook de persoonlijkheid een illusie is, ligt in het verlengde hiervan.

“De mannen waaruit ik besta”; met deze zinsnede begon hij dikwijls de columns die hij de laatste anderhalf jaar op de Achterpagina NRC/Handelsblad schreef. Niemand is uit één stuk, wilde hij uitbeelden, iedereen verschilt van zichzelf van moment tot moment. Er heerst geen contnuïteit, maar discontinuïteit.

In de loop van de jaren tachtig verflauwde de aandacht voor zijn werk. Hij deed daar zelf absoluut niet dramatisch of verongelijkt over (reacties die hem volstrekt vreemd waren), maar het resulteerde toch in een soort stilzwijgen van hemzelf begin jaren negentig.

Met het door de Libris-prijs bekroonde 'Huldigingen', waarvan de beelden van de prijsuitreiking worden vertoond op de tv-journaals ter begeleiding van het nieuws van zijn overlijden, kwam hij weer even in het licht te staan, tot zijn eigen verrassing.

Het verschimmen (een typisch Kossmann-woord) van zijn aanwezigheid in de Nederlandse literatuur, een verschijnsel dat wel bijna al te perfect aansluit bij zijn thema, moet geweten worden aan onzorgvuldigheid van degenen die over literatuur informeren. Of aan het geringe belang dat nog aan stijl gehecht wordt: als er iemand prachtig schreef dan Kossmann.

Misschien dat zijn dood aanleiding kan zijn om zijn werk en het grote belang en de waarde ervan te herontdekken. “Ik bèn mijn boeken” heeft hij eens gezegd. Wie Kossmann nu nog in levende lijve wil tegenkomen, moet hem lezen.

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie