Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

AFSCHEID

Home

GEORGE MARLET

Jan Terlouw begint maandag aan zijn laatste werkweek als commissaris van de koningin in Gelderland. Wetenschapper, politicus en topambtenaar; ooit zondagskind, later zondebok eindigt hij zijn loopbaan als gelouterd en gewaardeerd bestuurder. “Ik denk altijd: het komt wel goed.”

Naast zijn politieke en bestuurlijke bezigheden is Terlouw al zo'n 25 jaar lang een succesvol schrijver van jeugdboeken en romans. Door zijn boeken zal Terlouw langer in de herinnering voortleven dan door zijn politieke prestaties. “Wie schrijft, die blijft. Politiek zal niet meer opduiken in de kennis van toekomstige generaties, leert de ervaring. Een boek misschien wel, als je geluk hebt.”

In het Huis der Provincie in Arnhem zijn de meeste ambtenaren al naar huis als Jan Terlouw zich voorbereidt op een avondlijke vergadering. Hij maakt ondanks een nog steeds overvolle agenda een ontspannen indruk. Terlouw is vorige week 65 jaar geworden. Die leeftijd is hem niet aan te zien. De 'ideale schoonzoon' van weleer is inmiddels grootvader. Maar het jongensachtige, open gezicht dat hem als lijsttrekker van Democraten '66 aanvankelijk zo populair maakte bij de kiezers, is niet wezenlijk verouderd. Zijn pensionering per 1 december betekent dan ook niet dat Terlouw op zijn lauweren gaat rusten. Hij blijft betrokken bij allerlei bestuurs- en advieswerk. Voor schrijven zal er meer tijd zijn. Het onderwerp van zijn volgende boek is er al: de strijd tussen het rechtssysteem en het rechtsgevoel.

Zijn zorgvuldige en bedachtzame manier van formuleren is de vrucht van zijn wetenschappelijke, politieke en literaire achtergrond. Een man die boven de partijen in Gelderland beter tot zijn recht komt dan in de politieke slangenkuil in Den Haag. “Mensen hebben nooit helemaal gelijk of ongelijk. Ik respecteer ieders mening en kan daardoor standpunten op één noemer brengen.” (Het Parool, 1973). Het schrijven loopt als een rode draad door Terlouws carrière. Niet als tegenwicht, maar eerder als aanvulling op het vluchtige politieke bedrijf. “Ik heb na mijn studie een jaar of tien in de natuurkundige research gewerkt. Toen heb ik me afgevraagd of ik dat mijn hele leven zou willen doen en ben tot de conclusie gekomen dat ik wat anders wilde. Ik ben twee wegen ingeslagen door te gaan schrijven en me met een politieke partij te gaan bezighouden. Dat voel ik wel als twee heel verschillende aspecten van mijn leven: eerst dertien jaar research en daarna een jaar of vijfentwintig politiek en bestuur. Wetenschap is veel meer een tegenhanger van politiek dan schrijven. Je schrijft toespraken, je schrijft politieke programma's. Dat is natuurlijk niet hetzelfde als een roman schrijven, maar er zit toch veel meer verwantschap in dan met de wetenschap.”

Terlouw, zoon van een Gereformeerde Bond-dominee, heeft sinds zijn studietijd geen binding meer met de kerk. Niet vanwege traumatische jeugherinneringen, maar omdat de politiek hem meer boeide. In zijn levensbeschouwing klinkt het calvinistische verleden even goed nog door. “De emancipatie van de burger in alle opzichten, dat is wat me bezielt en waarnaar ik heb geprobeerd te handelen. Ik zie graag dat mensen in de gelegenheid worden gesteld en opgevoed en opgewekt worden hun verantwoordelijkheid te nemen. Er is weinig wat me zo deprimeert als mensen die zich als slaven gedragen, bijvoorbeeld als ze lijdzaam in een ziekenhuis zitten te wachten.”

Uit Oosterschelde, Windkracht 10 (1976): Zoon: “Er wordt belachelijk veel geld uitgegeven voor die dam met schuiven. Ik vind dat onzin. Het zou veel beter en goedkoper zijn om gewoon de dijken op deltahoogte te brengen, net als langs de Westerschelde.” Moeder: “Dat geld besteden we om een brug te bouwen. Een brug over de kloof tussen twee soorten mensen. Mensen die in de techniek geloven en mensen die vinden dat een lieveheersbeestje een veel kunstiger bouwwerk is dan de Haringvlietsluizen. Hoe zou je dat geld nuttiger kunnen besteden?”

Terlouw heeft er altijd voor gewaakt, als schrijver iets anders te beweren dan als politicus. “Het is dezelfde persoon met hetzelfde waarden- en normenpatroon. Over de Oosterschelde schrijf ik niet anders dan ik in de Tweede Kamer die zaak heb verdedigd, namelijk dat hij open moest blijven. Van 'Koning van Katoren' zei men vaak dat dat het partijprogramma van D66 was. Daar is iets van waar. Ik heb dat boek vanuit dezelfde mentaliteit en opvattingen geschreven. Zolang je jezelf niet tegenspreekt, valt het wel mee met die kwetsbaarheid. Ik heb het tegendeel één keer meegemaakt op een partijcongres over de kruisraketten. Dat lag heel moeilijk. Toen begon een meisje van een jaar of zestien, zeventien het hoofdstuk uit 'Koning van Katoren' voor te lezen waarin ik de draak steek met de bewapeningswedloop. Daar had ik geen verweer tegen. Als schrijver had ik een krachtiger standpunt ingenomen dan als partijleider.”

De verdienste van Terlouw als kinderboekenschrijver is “dat hij belangstelling voor actuele maatschappelijke problemen wekt door ze te verpakken in een spannend verhaal in een taalgebruik dat lekker wegleest, zonder dat je zinnen nog eens over moet lezen om te kunnen begrijpen wat er staat”, aldus een recensie van Lieke van Duin in Trouw (maart 1989). Maar ook: “hapklare lectuur door een schoolmeesterachtige domineeszoon die het preken niet kan laten, met personages die sjablonen zijn in plaats van mensen van vlees en bloed.”

Terlouw, naar eigen zeggen een perfectionist, laat zich niet graag betrappen op tegenstrijdigheden of fouten. Kritiek op zijn werk als politicus of schrijver raakt hem diep, zeker als die naar zijn idee niet gebaseerd is op feiten. Zoals dat hij als minister van economische zaken in het tweede en derde kabinet-Van Agt (1981-1982) niet goed zou hebben gefunctioneerd. “Ik sta open voor kritiek op partijpolitiek gebied. Ons congres zei altijd vantevoren met wie er moest worden samengewerkt. Ook in 1981 had het congres gezegd dat er alleen maar een kabinet tot stand mocht komen van CDA, PvdA en D66. Dat zat me in de onderhandelingen ontzettend dwars; je kunt geen kant uit, hebt geen manoeuvreerruimte. Ik wilde dat niet meer en zei tegen het congres: als jullie weer zo'n soort motie aannemen, ben ik geen lijsttrekker meer. Dat viel in de partij en bij een deel van de zeer gepolitiseerde pers heel slecht. Achteraf werd dat gemakshalve vertaald naar mijn beleid als minister. (Verongelijkt) Het stak me vreselijk dat mensen zonder argumenten - want ik moet het eerste nog horen - beweerden dat ik het niet goed deed op het departement. Er is niet één keer een motie tegen mijn beleid als minister ingediend, laat staan aangenomen.”

Uit 'Naar zeventien zetels en terug' (1983): “Onafhankelijke journalisten bestaan niet meer in Nederland. Alles, maar dan ook alles wordt onbeschaamd persoonlijk gekleurd met persoonlijke opvattingen van de journalist. Het is een beerput van activiteiten. Ze storten zich als aasvreters op het slachtoffer.”

In twee jaar tijd beleefde Jan Terlouw zijn politieke hoogte- en dieptepunt. In 1981 voerde hij als lijsttrekker D66 naar een klinkende verkiezingsoverwinning van zeventien zetels en was hij de held van politiek Den Haag. De twee kabinetten-Van Agt waarin Terlouw minister van economische zaken was, stonden bol van de conflicten. In 1982 stapte de Partij van de Arbeid onder aanvoering van Joop den Uyl uit het kabinet vanwege onenigheid over bezuinigingen op de overheidsuitgaven. Hoewel Terlouw wist dat doorregeren zonder de PvdA voor D66 schadelijk zou zijn, liet hij de politieke zuiverheid zwaarder wegen en ging door met het CDA. Deze rechtlijnige opstelling kwam D66 duur te staan: in de Kamerverkiezingen van 1982 maakte de partij een dramatische terugval naar zes zetels. Het zondagskind werd zondebok. Met hoon overladen verdween Terlouw uit de Nederlandse politiek om in Parijs secretaris-generaal van de Europese conferentie van transportmininisters te worden.

“In het begin had ik nog wel het gevoel van: waarom moest dat nou allemaal zo in Den Haag, maar dat is toch gauw verdampt, hoor. Ik had nieuw, leuk werk, het ging goed, ik heb acht jaar lang de hele wereld afgereisd, ik heb zeer veel vrienden in Europa gemaakt, in negentien landen, ik heb waardering ondervonden. Een deel van de pers vond het heel erg vervelend dat ik er niet meer was om op te schelden.”

Het kan verkeren. Terlouw, in 1991 als eerste D66'er benoemd tot commissaris van de koningin in Gelderland, oogstte begin vorig jaar grote waardering door zijn bestuurlijk optreden tijdens de bijna-watersnood. Met gevoel voor understatement zegt hij dat “van de vijf jaar als commissaris dit bestuurlijk gezien de interessantste week” was. Het woord 'revanche' zal Terlouw zelf niet in de mond nemen, maar hij kon wel enigszins afrekenen met het imago uit zijn ministerstijd van een zwakke bestuurder. In Gelderland moesten 250 000 mensen het rivierengebied verlaten. De ongekend grote operatie verliep vrijwel vlekkeloos. “Ik voelde de verantwoordelijkheid voor die evacuatie zwaar, maar het heeft ook iets heel moois dat je die verantwoordelijkheid mag dragen. Ik ben daar niet onder gebukt gegaan.” Zelf dacht Terlouw dat de dijken het wel zouden houden. “Als ik in het gebied had gewoond, had ik de neiging gehad om lekker te blijven zitten. Dat is mijn optimistische aard. Maar tegelijk was ik ervan overtuigd dat we dat risico voor andere mensen niet mochten nemen. Al is er maar een paar procent kans dat een dijk breekt en je weet dat er dan honderden mensen verdrinken, dan is er toch geen twijfel over wat je moet doen.”

Jan Terlouw en zijn vrouw Alexandra wonen 'buiten', in Twello op de grens van Gelderland en Overijssel. Voor zover zijn verplichtingen dat toelaten, is Terlouw graag aan het klussen. Op zulke momenten komt er iets van de avonturier boven die Paul van 't Veer zo'n twintig jaar geleden al vermoedde. “Ik neem meer risico's dan andere mensen, houd wel van een beetje gevaarlijke dingen. Van mijn familie krijg ik af en toe het verwijt dat ik een avonturier ben. Ik klim op het dak als de panlatten misschien niet meer helemaal betrouwbaar zijn. Dan denk ik: ach, ze houden het wel. Als wij de koeien verweiden, laat ik nogal eens gauw hekken openstaan. Voordat ze kunnen weglopen, ben ik er wel op tijd bij.”

“Ik ben een optimist, iemand die denkt: ach, dat komt wel goed. Ik heb lange tijd gedacht dat ik een pessimist was, maar dat is gewoon niet waar. Ik ben natuurlijk wel een schorpioen, iemand die zwaarmoedig kan nadenken over dood en leed, maar dat wordt toch wel overschaduwd door optimisme. Ik denk dat ik altijd zo ben geweest, maar mezelf niet kende. En misschien vond ik het ook wel romantischer om een pessimist te zijn. Een optimist heeft toch iets onnozels; het is eigenlijk een beetje dommig om optimist te zijn in dit leven.”

Deel dit artikel