Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

AFSCHEID ZONDER TRANEN Cor Koppies streed 40 jaar voor de 'betere' film

Home

ANITA LÿWENHARDT

AMSTERDAM - “Tot m'n verbazing”, zegt hij drie dagen voor de overdracht, “ben ik niet zo verdrietig als in 1979 bij het afscheid van Cinétol. Toen barstte ik op de laatste avond echt in tranen uit. Nu heb ik een gevoel van tevredenheid: wat we hebben gedaan, hebben we goed gedaan. Die 40 jaar - op twee maanden na - was één hoogtepunt. Ik heb het gevoel dat ik mijn leven nuttig en plezierig heb gebruikt. Ik had niet anders willen leven en heb nooit één dag moeten werken met de pest in.”

In Cinétol begon het allemaal in 1954. Daar mocht de 18-jarige Cor aan de slag als leerling-operateur. “Van film hield ik al als jongetje van tien. Met m'n vriendjes ging ik zo vaak als ons zakgeld het toeliet naar de bioscoop. En mijn vader sleepte me van tijd tot tijd naar de 'betere' films in De Liefde en De Uitkijk. Daarvan herinner ik me 'Fietsendieven' van Da Sica als eerste film. Mijn vader was een liefhebber van alles wat de kunsten betrof, een soort vuilnisbak. Hij was kleurmaker bij de toenmalige verffabriek van Vettewinkel en heeft tot zijn dood zelf geschilderd. Niet voor exposities, hoofdzakelijk voor familie. Mijn huis hangt vol met zijn schilderijen.”

In Cinétol, in de Tolstraat in de Amsterdamse buurt De Pijp, klom Cor al snel, via derde en tweede operateur, op tot eerste filmoperateur. “Dat kon als je je examens had gedaan van de opleiding van de Bioscoopbond.” In 1956 moest Koppies in dienst. Die 21 maanden bracht hij vooral door bij de militaire 'welzijnszorg' onder meer als operateur en toneelmeester: “Goed voor m'n vakkennis.”

Na de dienst had Cinétol geen plaats voor hem. Hij werd ondergebracht bij De Uitkijk, in afwachting van een baan bij het Leidsepleintheater dat in 1958 van theater werd omgebouwd tot bioscoop. Daar was hij het eerste half jaar chef-operateur en technisch bedrijfsleider. Daarna werd hij, 22 jaar oud, bedrijfsleider.

Drie jaar later hoorde Koppies dat de Maatschappij voor Cinégrafie Cinétol kwijt wilde. “Het was toch min of meer een buurttheater, liep niet zo goed en was - naast de Uitkijk (voor de 'betere' film) en het Leidsepleintheater (tussen de populaire en 'arthouse-film' in) - moeilijk te programmeren. Ik heb toen mijn vinger opgestoken dat ik Cinétol wel wilde overnemen. Geld had ik niet en geen bank wilde lenen aan een jongetje van 25.” Het ging dan ook om het niet geringe bedrag van 25 000 gulden. “Uiteindelijk bood de directie van de Maatschappij voor Cinegrafie me een prettige betalingsregeling aan.”

Op 1 augustus 1961 begon Koppies zijn Cinétol-avontuur. “Omdat het slecht liep, moest ik de kosten zo laag mogelijk houden. Ik deed alles zelf, was directeur en operateur. Ik had alleen wat ouvreuses en portiers in dienst. Die kostten niet zoveel, hadden een basisloon van zeven gulden en leefden voor de rest van de fooien.” Zijn eerste succes was, in oktober, de Ingmar Bergman-maand. “Sindsdien deden we dat elk jaar. Ik kan niet alle films van Bergman waarderen, maar er was publiek voor, de 592 stoelen waren bijna altijd bezet. Door dat succes gingen we meer van die dingen organiseren: over de Nouvelle Vague, de Britse Free Cinema, Italiaanse films.”

Zo'n thema-aanpak was nieuw in de bioscoopwereld en Koppies werd voor de Bergman-cyclus zelfs op het matje geroepen bij de Nederlandse Bioscoop Bond, want volgens de reglementen moest een film een hele week vertoond worden. Uiteindelijk mocht hij ermee doorgaan. Het zou niet de laatste keer zijn dat hij met de filmautoriteiten botste. Zo sleepte hij in 1974 de filmkeuring en de Staat der Nederlanden voor de rechter, omdat een door hem geïmporteerde (erotische) film was afgekeurd en dreigde hij in 1992 de filmgigant Cannon met een proces, toen die hem de voet dwars wilde zetten. In beide gevallen won hij, al was het na veel strijd.

Een andere noviteit in Cinétol waren de boekjes die filmredacteuren schreven, ter begeleiding van bepaalde films of filmthema's en bestemd voor (vaste) bezoekers. Het werden er ruim veertig die helaas, zegt Koppies, niet allemaal bewaard zijn gebleven. Eveneens nooit vertoond waren de dagelijkse nachtvoorstellingen, die meteen een 'klapper' waren. En dan de 'teach-ins', een typisch jaren zestig-fenomeen. Die in Cinétol - over thema's als 'Is Ingmar Bergman een charlatan?' of de controversiële Bergman-film 'Wilde aardbeien' - waren volgens Koppies “beroemd en berucht” en altijd 'uitverkocht'.

Koppies stichtte, om bij het verwerven van betere films niet altijd afhankelijk te zijn van anderen, zijn eigen filmdistributiebedrijf: NV Cupido. En hij bedacht stichting Zinezien, waarvan de leden exclusief en in besloten kring konden bekijken wat de Filmkeuring te licht had bevonden. Later zagen de Zinezien-leden ook pornofilms: toen nieuw en hèt fluistergesprek van de dag. Koppies werkte dag en nacht - “Ach, ik vond het leuk en was nog niet getrouwd” - en maakte van Cinétol een instituut: dè ontmoetingsplaats voor liefhebbers van goede of controversiële films.

Het was dan ook een schok toen in 1974 de Theosofische Vereniging, eigenaar van het Cinétol-pand waar voorheen hun tempel in gevestigd was, meldde het gebouw af te willen breken om er appartementen te bouwen. Van de opbrengst wilden ze een nieuwe tempel bouwen in Den Haag.

“De buurt kwam in opstand en wist de afbraak keer op keer via de rechter te traineren, maar dat hield een keer op. In 1978 zette de gemeente het pand op de lijst van jonge monumenten, zodat het niet kon worden afgebroken. Toen wilde de Theosofische Vereniging het verkopen. Ik deed een bod, maar dat was te laag (de taxatiewaarde was 480 000 gulden) en de gemeente ging ermee strijken. Die heeft er nog voor een paar miljoen aan verspijkerd, waarna het niet meer te exploiteren was.”

“Ik had het aan zien komen en ging in 1977 op zoek naar een ander onderkomen. Toen ik bij de gemeente informeerde of ik een pand op de Keizersgracht kon ombouwen tot bioscoop, wezen ze me op een plan van een projectontwikkelaar. Die wilde van de voormalige suikerfabriek aan de Lijnbaansgracht een complex maken met bioscopen erin. Dezelfde avond nog belde ik de architect.”

In 1979 ging Cinétol dicht en op 19 september vierden 1 200 genodigden de opening van Cinecenter. Omdat Koppies zich ergerde aan al die nieuwe, kale bioscopen had hij zijn drie (later vier) filmzalen 'knus' ingericht, “in de stijl van de volkstheaters en poppenkasten, vóór er bioscopen waren.” En hij kwam opnieuw met primeurs. In de foyer kon je ook maaltijden krijgen en er waren zes voorstellingen per dag. Dat was, zegt Koppies nu, toch te hoog gegrepen. Het aantal vertoningen werd teruggebracht tot vier en met de maaltijden was het snel over. De bezoekers waren er destijds nog niet aan gewend en dus werden ze vooral, tegen gereduceerde prijzen, door het personeel verorberd.

De nachtvoorstellingen, dè succesformule van Cinétol, werkten in Cinecenter niet, omdat het Leidseplein een overvloed aan amusement had en parkeren er moeilijk was. Toen in de jaren '80 de televisie (èn de tv-piraten) steeds meer films ging uitzenden, liep het bioscoopbezoek dramatisch terug, volgens Koppies mede door de verandering van het culturele klimaat. “Mensen hadden meer geld, vrije tijd en keuzemogelijkheden. Een moeilijke tijd, want ik had veel geïnvesteerd en moest wèl de bank tevreden stellen. Ik had menige slapeloze nacht. Daarna trok het wel weer behoorlijk aan. Nu komt in Cinecenter al jaren weer een vast publiek, in de wetenschap dat er altijd goede films draaien. Dat vertrouwen moet je in een nieuw theater weer zien te winnen.”

“Daarbij moest ik altijd manipuleren tussen de commerciële bioscopen en filmhuizen in. Natuurlijk zijn filmhuizen met hun subsidie oneerlijke concurrentie, maar dan had het commerciële bedrijf maar moeten bedenken om subsidie te vragen voor het draaien van betere films. Zo hebben ze ook de hele videomarkt laten liggen, tot die in handen was van kooplui en boeven. Dat geld hadden ze zelf kunnen verdienen. De aankoop van films op de grote festivals lieten ze ook sloffen, tot de jongens met de zakken vol geld de prijzen zo hadden opgedreven dat het nu onbetaalbaar is geworden.”

Koppies bleef gestaag doorwerken, tot hij in 1991 in het ziekenhuis belandde. “Ik zat met een glaasje wijn in m'n hand en van de ene minuut op de andere kon ik niets meer.” Het was een bloedprop in de hersenen en later bleken ook zijn bloedvaten niet in orde. “Na twee operaties dacht ik: je bent nu 58, hebt er bijna 40 jaar opzitten, je moest met je vrouw maar iets leuks gaan doen, voor het niet meer kan. Bovendien gaat, omdat we geen kinderen hebben, het geld dat we niet opmaken naar de fiscus.”

Er kwamen vijf gegadigden voor zijn bedrijven. De koper werd directeur Krijn Meerburg van filmverhuurbedrijf Hungry Eye Pictures. Voor het personeel verandert niets, dat krijgt alleen een andere baas. De overnamesom laat Koppies in het midden. Liever praat hij over zijn toekomst. “Wij wonen aan de Nieuwkoopse plassen, maar hebben nooit een boot gehad, dus we beginnen met een klein bootje. En ik wil weer gaan fotograferen. De donkere kamer in mijn huis staat al 22 jaar leeg. Verder gaan we reizen en zal ik een beetje betrokken blijven bij het filmbedrijf. Als iemand me nodig heeft, ben ik er.”

Deel dit artikel