Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Afghanen kiezen voor de sterkste

Home

Henri Beunders

Henri Beunders was onlangs te gast bij de Nederlandse missie in Afghanistan om de ’communicatie’ te bestuderen. Hij vergelijkt de situatie nu met die in 1987, toen hij het land ook bezocht. „Zouden wij het beter doen, met al onze goede wil, met al onze projecten en projectjes?”

’Hé Appie, kom eens uit die boom!” Er klinkt gelach. Afghanen weten dat ze allemaal Appie heten. Het zijn voornamelijk jongetjes die even later uit de boom klimmen, en het zijn voornamelijk jongetjes die op straat rondlopen. De Nederlandse militair: „Ze kweken hier alleen maar jongetjes, lijkt het wel.”Tarin Kowt, Uruzgan, op missie.

De zwaarbewapende Nederlandse uniformen houden wat gloednieuwe brommers aan, en fouilleren, ook onder de lange gewaden. De brommers lachen. „Ja, lachen kunnen ze. Maar als ze aan een touwtje trekken, ben je er geweest.” De EHBO’er, machinegeweer om de schouder, pakt zijn verbanddoos en legt, gehurkt en ongevraagd, een pleister op een schaafwond van het been van een Afghaan. Die grijnst schaapachtig, maar ook letterlijk neerbuigend.

Na het pleisterwerk wijst hij dwingend op de verbanddoos en dan op zichzelf. „Nee, die verbanddoos krijg je niet.” De militair praat gewoon Nederlands, de Afghaan begrijpt het wel. Niet eens verongelijkt stapt hij weer op zijn brommer. Dan trekt de karavaan weer naar Kamp Holland, de Bushmaster in het midden, een pantservoertuig met zwaar geschut aan alle kanten, voorafgegaan en gevolgd door een jeep met licht geschut.

De operatie Hearts and Minds – wij willen jullie helpen – zit er voor vandaag op. De communicatie verloopt weer via de koptelefoon in de helm. Bij allemaal voert het witte draadje van de iPod naar hetzelfde oor.Ik vloog naar Afghanistan om de communicatie te bestuderen: tussen de jongens met hun thuisfront via gsm en laptop, tussen de militairen onderling, en ook tussen de militairen en de lokale bevolking. Hoe kun je in vredesnaam de Afghanen overtuigen dat je het beste met ze voor hebt als je omhangen met geweren het dorp binnenkomt? Overdag dan, want deze goodwilltrips zijn een nine to five-job. ’s Avonds is het te gevaarlijk, dan komen de taliban de dorpen binnen.

Wie wie is, kunnen buitenstaanders trouwens ook overdag niet uitmaken. De Afghanen wel, natuurlijk. Maar het komt zelden voor dat ze dat tegen die vreemdelingen zeggen. Laatst belde een local naar de Afghaanse presentator van RadioUruzgan.fm op Kamp Holland. Hij had een bermbom gezien, en zei ook waar. Zoiets wordt gevierd als een overwinning.

Geschiedenis, zo luidt het citaat, is een engel die ruggelings de toekomst in wordt geblazen. Dat gevoel heb je als je ziet hoe hightech mensen van goede wil een land binnenvallen om het te helpen opbouwen. Om een volk bij te staan waarvan het gros nog in de tijd van Maria en Jozef leeft, in een struikgewas van orale cultuur, waarin geruchten en gefluister, verhalen en traditie de bronnen vormen. Een volk dat te boek staat als gastvrij en genadeloos, als gewelddadig en trots. Zal dit charmeoffensief nu slagen? Hoe verloopt die communicatie daar in de praktijk?

Ik heb de kranteartikelen bij me die ik schreef in 1987, rondreizend door het noorden en westen van het land, uitgenodigd door Najibullah, de eerste president van de nieuw gevormde Republiek van Afghanistan. De poging van de Afghaanse communisten om het prehistorische land te moderniseren – langs seculiere weg en door centralisering van het bestuur, en ook de meisjes moesten naar school – was al mislukt.

De voormalige chef van de geheime dienst Najibullah moest, op last van Gorbatsjov, uit arrenmoede maar vrede sluiten met de clans. Dat probeerde hij, hij voerde islamitische wetten weer in, gaf moellahs hoge posten. Hij ging zelfs op bezoek in de moskee. Daar boog hij biddend voorover. Helaas lieten de foto’s zien dat hij zijn schoenen nog aan had. De president redde het niet, de taliban veroverden de hoofdstad in 1996.Najibullah bungelde even later aan een lantaarnpaal, zijn testikels afgesneden, zijn mond vol roebels gepropt.

Zouden wij het beter doen, met al onze goede wil, met al onze projecten en projectjes? Zonder de taal te kennen, en nauwelijks op de hoogte van de orale cultuur, waarin een handtekening niets voorstelt en alleen de mondelinge belofte telt? Waarin de Afghanen altijd de kant van de sterkste kiezen? Of anders vluchten naar het buitenland?

Ik ga mee met enkele leden van het Provinciale Reconstructie Team om te kijken hoe ze dat doen – analfabete mannen opleiden tot politieagent, wijkagent eigenlijk. Zo’n tochtje naar het dorp wordt voorafgegaan door radio-uitzendingen van Uruzgan.fm, door posters, en door toespraken van de moellahs uit de omgeving. Dat heet ’psyops’: psychological operations.

Aangekomen zitten de teamleden met gekruiste benen op de grond in een kring om, via een tolk, wat te praten met de twee verfomfaaide uniformen die hun aftandse AK-47’s op schoot houden, en met enkele bejaarde tulbanden. De Nederlanders zijn geïnstrueerd door de psycholoog. Ze hebben een klein foldertje bij zich, met vertalingen van ’goedendag’, ’hoe gaat het?’ en nog zo wat beleefdheden. „Een paar Afghaanse woorden doen wonderen”, zegt de vrouw van de psyops. Ze laat trots een paar zinnen horen.

Een soldaat krijgt naderhand een lichte reprimande. Hij had na het eerste kopje thee nee gezegd tegen het tweede. „Het eerste kopje thee is ter verwelkoming, het tweede om de gastvrijheid te tonen, tijdens het derde kun je iets beginnen te bespreken.” „Oké, zal het onthouden.”

De Defensiekrant in het Engels laat de nieuwe aanpak zien. Het toont louter succesverhalen en prachtige foto’s. Fruitbomen in bloei, de patrouillerende leden van de Battle Group lopen er gewapend langs. Een soldaat zit rustig op de uitkijk, machinegeweer op schoot, terwijl een Afghaan gehurkt aan het wieden is. Idyllisch bijna. En toch, het lijkt verrassend veel op Najibullah’s regeringskrant The Kabul Times uit 1987, de Afghaanse Pravda. Ook die stond vol met precieze getallen en geslaagde projectjes.

Braafheid, goedwillendheid, aanpassing, het straalt af van de hele missie. De landbouw verbeteren, dat is de koers van dit moment. Daarom woon ik het gesprek bij dat minister van landbouw Gerda Verburg heeft met de provinciale minister van landbouw, Mohammad Haji Sardar, in het mooiste zaaltje van het kamp, het hoofdkwartier van het PRT, het Provincial Reconstruction Team Met antieke instrumenten en Afghaanse kledij aan de muur is het net een museumpje.

Een waardige, bebaarde man in traditionele kledij schrijdt binnen, jaartje of vijftig, zestig, zeventig, wie zal het zeggen, blote voeten in de sloffen.Verburg, panterjack aan, broek en bergschoenen eronder, steekt van wal. Ze heeft geweldig nieuws. Ze biedt een expertisecentrum aan, ofwel 1 miljoen dollar, het is de eerste fase, tot augustus volgend jaar. Ze spreekt een kwartier lang, vol punten 1, 2, 3, 4 en 5, vol details over de FAO, de EU, en alles wat Wageningen aan kennis in huis heeft. Het gaat immers over de noodzaak om de boeren beter te onderwijzen in de verbetering van de kwaliteit van de gewassen. „Heeft u gehoord van dit initiatief?”

De tolk gaat aan de slag. Sardar: „Ik weet het niet precies. Heeft u verder nog wat voor ons?”Verburg: „Dan moet u contact opnemen met Kaboel.”Sardar: „De minister zit ver weg, in Kaboel. Wij krijgen hem nooit te spreken. De overheid heeft ons vergeten. Daarom hopen wij hulp van u te krijgen. ”In de ene hand heeft hij een A4’tje, in de andere hand een tak van een amandelboom. Uit het hoofd somt hij zijn verlanglijstje op. Transportmiddelen, irrigatiewerken, waterreservoirs, goed geselecteerd zaaigoed, kwekerijen, bestrijdingsmiddelen, dierenklinieken, nieuwe fruitbomen, goede melkkoeien, landbouwmachines, zonnebloemen, grote weegbree ’en wijenboerderijen’.

Aan deze kant van het salontafeltje gaan de wenkbrauwen omhoog.„Wijnboerderijen?”

De tolk: „Nee, bijenboerderijen.”

„Oh.”

„En zonnebloemen, grote weegbree, en vooral voedingswieken.”

Nog meer gefrons. „Voedingswieken?”

Verburg: „Oh, ik begrijp het al. Voederbieten!”

Nee, zegt de tolk. „Voedingswieken.”

Hij blijft erbij, hij is gepromoveerd bioloog, weet waarover hij het heeft.

Dan neemt Sardars assistent het woord, zijn salaris komt uit Nederland.

„Er zijn helemaal geen instructeurs hier. En misschien zou u de kwaliteit van uw ambtenaren kunnen verbeteren.” Zo, die zit.

Deze tafelkant zucht, hoe kun je hier een einde aan breien?

Sardar sluit het gesprek maar af. „Bedankt voor de informatie. Weet u, we zijn hier erg arm. Daarom vechten onze jongens. En daarom heb ik ook geen cadeau meegebracht.

”Verburg: „Dit gesprek is het mooiste cadeau. Het was zeer vruchtbaar. Succes!

”Zo’n gesprek maakt veel duidelijk. Misverstand en onbegrip domineren. Of niet? De Afghanen begrijpen dondersgoed wat de minister te bieden heeft, iets tamelijk virtueels. En wat ze zelf willen, weten ze nog beter.

„Ze willen hier allemaal van alles, en wel direct”, zegt de tolk later.

Ik ben benieuwd wat de gouverneur hier te zeggen heeft. Helaas, die is met verlof, naar Engeland waar hij parttime woont. En diverse pizzeria’s drijft.

Dan maar een gesprek met een Afghaanse schrijver, althans zo wordt hij gepresenteerd. Wat ie schrijft en waarin is onduidelijk. Wat hij wil niet. Hij begint te ratelen als een machinegeweer. En weer is de boodschap klip en klaar. „We willen dat alle buitenlanders vertrekken! Wij willen jullie wegen en bruggen niet! We willen vrede!”

Hij draagt een Nederlands uniform, hij is tolk op Kamp Holland. Door Nederland betaald. De militaire top doet alsof alles hier geheim is. Voor hun burelen is een pasje nodig, het is er verboden te fotograferen en de gsm’s moeten uit. „Die worden afgeluisterd. Maar niet door ons.” Vermelden dat een bom het hart van het kamp heeft geraakt, dat mag later ook vanuit Kandahar niet. Dat is Opsec: Operations Security. Dan weten de taliban dat ze de roos hebben geraakt.

Een Nederlander die Farsi spreekt vindt al die Opsec lariekoek. „Hiernaast liggen soldaten van het Afghaanse Leger, de ANA. Binnen het kamp werken overal Afghanen. ’s Avonds gaan ze de poort uit, ze slapen thuis. We zijn hier omringd door spionnen. Denk je dat zij niets vertellen als er ’s nachts een talibanstrijder op de deur klopt? Wat hier binnen gebeurt, weten zij wel. Wat daar buiten gebeurt, weten wij niet.”

Duidelijk maken dat we ontwikkeling brengen, én het gedrag veranderen – er zijn eenvoudiger missies denkbaar. De Nederlandse Afghanistankenner spreekt de lokale taal ook niet, maar hij wilde een districtchef toch iets duidelijk maken. Die doet het met kleine jongetjes. Dat doen er wel meer „maar ja, we kunnen dat soort lui toch niet steunen?” Hoe zeg je zoiets? „Dan begin ik over die foto op internet waarop de man met een glas wijn staat. Zegt die districtchef: ’Die is gefotoshopt.’ Zeg ik weer: ’Dat is toch een slechte zaak.

Verder nog dingen waarmee u gechanteerd kunt worden?’

”Kijk, zegt de Nederlander. „Het enige woord dat je hier nooit moet gebruiken is ’moeten’. Je moet iets dus heel voorzichtig duidelijk maken.

”In 1987 stond ik ergens op een vliegveld bij Herat oeverloos te wachten op een van de twee toestellen die de Afghaanse overheid toen rijk was. Ik dacht: laat ik eens een praatje maken met die bejaarde, bebaarde man in die lange witte jurk, AK-47 om de schouder, en ogen als kooltjes. Ik bood hem een sigaret aan uit een onaangebroken pakje. Hij nam die gretig aan, de kooltjes glommen van vrolijkheid. Ik stopte het pakje weer weg, ik rookte niet. De kooltjes spoten ineens vuur, de kalasjnikov ging van de schouder. „Me smoke, you smoke!” Oké, oké.

Als dank vertelde hij ook wat over zichzelf. De Afghaanse gids vertaalde. „Overdag vecht ik met mee de heidenen, de communisten. ’s Nachts met de moedjahedien. En als we zo’n sovjet te pakken krijgen, snijden we hem aan stukken, en leggen hem in een zak op de landingsbaan. Zo verdienen we twee keer.”De gids knikte somber.

Zou er sindsdien veel veranderd zijn? Weinig, zo lijkt het. In elk huis ligt een Koran, maar niemand die hem leest, ze kunnen niet lezen. „Ze houden het boek alleen maar vast, het biedt rust, stabiliteit.” Wat ook niet is veranderd, zegt de kenner, is dit: „Afghanen kiezen altijd voor de sterkste.”

De basics van de propaganda zijn evenmin veranderd, twintig jaar en diverse regime changes verder. De taliban komen ’s avonds een dorp in, als de Nederlandse militairen allang weer aan de haringen zitten in het restaurant, met cappuccino toe. „Dan hakken ze een kop af van iemand die met ons heeft gesproken. De angst verspreidt zich zo vanzelf. Ze zijn dus doodsbang om met ons te praten.”

Eén ding is wél anders in de propagandaoorlog: de techniek. „In 2002 stonden ze met open mond te kijken naar de vreemdelingen die in hun hand praatten. Nu hebben ze bijna allemaal zelf een mobiel.” En vaak een opwindbare radio. Kunnen ze naar onze fm-zender luisteren, maar ook naar de zenders van de taliban. En diegenen die over een pc met internet beschikken, zoeken de site theunjustmedia.com op, van de leiders in Pakistan. Die staat vol met claims van geslaagde aanslagen, en berichten over burgerdoden als gevolg van geallieerd mortiergeschut en de F16’s.

De psyops-vrouw: „Daarom moeten wij niet alleen ons infonetwerk uitrollen, maar de mensen ook weerbaar maken tegen de Pakistaanse propaganda. Dat moet kunnen, want ze haten de Paki’s hier.”

De missie Hearts and Minds en Comprehensive Approach laveert dus tussen een hightech mediaoorlog en het afdalen in het struikgewas van de orale cultuur vol argwaan en staphorstachtig conservatisme. Gesteund door pantserwagens en mitrailleurs. Maar ook die strijd is ongelijk. Wij vliegen met Apache’s en F16’s. De taliban rijden inmiddels op Honda’s 125 cc rond, gsm in de hand en een bermbom op de bagagedrager. Ze parkeren de motor op de marktplaats om ’aan het touwtje te trekken’. Niet alleen kan niemand het verschil zien tussen een goede en een gevaarlijke Afghaan, hoe moet je je tegen zelfmoordacties beschermen?

Is het vechten tegen de bierkaai? Zal het lukken het doel van de missie (’Opbouw waar mogelijk, veiligheid waar het moet’) duidelijk te maken? Weinig gesprekspartners zijn er optimistisch over. Tegenover alle hallelujaverhalen van de minister en onze generaals – ’Het gaat goed, het gaat vooruit, maar het blijft fragiel, we moeten in de volgende generatie investeren’ – staat de mening van de lager gesitueerde militairen, die anoniem willen blijven, want ze moeten nog een paar maanden. „Als die extra Amerikaanse troepen komen om de zware strijd in de naburige provincies Helmand en Kandahar te voeren, dan zal Uruzgan misschien wel de zwakste schakel worden. Dan wordt het ook hier weer permanent knokken.”

De krijgskundekenner die meereist in het gevolg van de Amerikaanse topgeneraal die even Kamp Holland aandeed: „Uruzgan is nu een rustplaats en uitvalsbasis voor de taliban. Het is hier park and ride.”

Op de terugweg na een patrouilletochtje zet een Nederlandse militair een knuffel op zijn jeep, naast de mitrailleur, een bever met een strik erom. Op de weg, waar alle fietsers, wandelaars, auto’s en vrachtwagens naar de berm uitwijken om de colonne door te laten, zwaait de soldaat naar de Afghanen. Sommige Afghanen zwaaien terug. Zwaaien moet, dat heeft hij van de psycholoog geleerd. „Negentig procent van de communicatie is non-verbaal.”

En toch verandert de samenleving hier, zegt de Afghanistankenner. „Ik was in ons kamp in Deh Rawod. Daar gaf een Afghaan instructie over de landbouw. Hij was op cursus geweest in Kaboel. Zijn praatje zat vol met sheets, met matrixen en multi layer levels. En de boeren dienen tegenwoordig hun verzoek om investeringen en subsidie op papier in. Geholpen door ’de schrijver’ van het dorp, natuurlijk, maar ze weten heus wel hoe ze geld moeten krijgen.”

En zo gaan de geallieerde ISAF-militairen en ontwikkelingswerkers op de hurken, en staan de Afghanen van goede wil langzaam op. Maar zij leren meer de taal van de westerse hulpverleningsbureaucratie dan dat omgekeerd het Westen de taal van guerrilla leert, en van de inmiddels ook multi layer-propaganda van de taliban. Nog geen enkele missie heeft ooit op zoveel niveaus – én vrede én vechten én ontwikkeling – moeten opereren. Intussen zijn al die militairen gaan praten als ontwikkelingswerkers. Toch zijn de successen van minister Koenders nergens te zien in een glossy folder. Zo blijft het ministerie van defensie de baas van de missie. Maar de militairen hebben het niet gemakkelijk.

Daarom moest ik, toen vorige week die raket viel in het hart van Kamp Holland, toch weer denken aan het lot van Najibullah. Als ik een staflid van het reconstructieteam de uitspraak voorleg van die ene tolk-schrijver die zei dat alle buitenlanders moeten oprotten, zegt hij gelaten: „We zijn hier op hun verzoek, hoor. En als ze ons niet willen, dan blazen we die wegen en bruggen bij vertrek toch weer op? Dan zeggen we: beste mensen, tot ziens en prettig weekeinde. Maar voorlopig blijven we het proberen. We hebben geen keus.”

In de gepantserde slaapbarakken liggen soldaten vanaf hun brits World of Warcraft te spelen. „Nog drie maanden en vijf dagen”, zegt er een. „Voor die tijd zal ik nog van je winnen.”

Lees verder na de advertentie
(Trouw) © ANP
(Trouw)

Deel dit artikel