Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Achterhuis en de illusie van geweld

Home

Sebastien Valkenberg

Hans Achterhuis herlas wat hij in de marges van boeken over geweld schreef. Nu is er zijn eigen studie naar geweld – hij rekent af met de illusies uit zijn verleden. Een persoonlijk gesprek.

’Wie schrijft over geweld schrijve persoonlijk, of schrijve niet.’

De openingszin van het nieuwe boek van Hans Achterhuis is al even monumentaal als het werk zelf. ’Met alle geweld’ is ruim 700 pagina’s dik en je hebt er minstens drie verschillende boeken mee in handen. Allereerst is het een onuitputtelijk naslagwerk over geweld. Daarnaast biedt het een evaluatie van het publieke debat van de laatste jaren. En het is, hoe kan het anders met zo’n titel, een zelfanalyse.

„Ik heb geen grote persoonlijke ervaringen met geweld”, zegt Achterhuis, die tot vorig jaar hoogleraar Algemene Wijsbegeerte in Twente was. In zijn boek gaat hij dus niet op de divan om met trauma’s uit het verleden af te rekenen.

„Het is een analyse van een sociaal zelf uit de jaren zestig en zeventig uit de vorige eeuw. Tijdens mijn studententijd ontdekte ik het marxisme, was ik bezig met de Derde Wereld. Ik werkte toen bij het werelddiaconaat van de Hervormde Kerk. Toen speelde de vraag: hoeveel geweld mag je gebruiken om onrechtvaardige situaties in Latijns-Amerika te veranderen?”

Daarna raakte het thema op de achtergrond. Tot het begin van deze eeuw. „Toen merkte ik dat ik al heel lang met geweld ben bezig geweest. Ik heb geschreven over Gandhi en over Mao. Terwijl ik alles weer opzocht, schrok ik. Van de koude en nuchtere manier waarop ik erover schreef. Geweld was een optelsommetje: de ene optie kost zoveel duizend doden, de andere zoveel duizend. Dan is het een beter dan het ander.”

Vanwege de quasi-rationele aanpak klinkt deze rekenkundige benadering ons aannemelijk in de oren. Geweld is prima te verantwoorden zolang het maar in verhouding staat tot het doel dat het dient. Dit perspectief – het boek behandelt in totaal zes perspectieven op geweld – noemt Achterhuis het doel-middelschema. Bij nader onderzoek blijk het lang niet zo aantrekkelijk.

Geweld wordt teruggebracht tot een offer voor een hoger doel. Om een omelet te bakken moet je nu eenmaal eieren breken. Jean-Paul Sartre, de filosoof-koning van de jaren zestig, was de kampioen in dit soort redeneringen. Over de Franse Revolutie oordeelde hij dat ze terecht iedereen uit de weg ruimde die haar bedreigde. En in plaats van te veel geweld is toen juist te weinig geweld gebruikt. „De revolutionairen van 1793 hebben waarschijnlijk niet genoeg gedood.”

Dat gold volgens Sartre evenzeer voor de revoluties in zijn eigen eeuw. Als in China tijdens de Culturele Revolutie het geweld nóg massaler zou zijn geweest, zou Mao het land wél succesvol hebben hervormd. Bloeddorstig, noemt Achterhuis Sartre nu. Een verheerlijker van geweld.

Toch waren er wel degelijk denkers die kritisch waren. „Maar ze werden niet gehoord, ook door mij niet.” Achterhuis herinnert zich Cornelis Verhoeven, die in 1967 ’Tegen het geweld’ publiceerde. Het belandde al snel in de ramsj. Om maar duidelijk te maken hoe de tijdgeest was.

Die tijdgeest komt ook tot uitdrukking in Achterhuis’ eigen exemplaar van ’Tegen het geweld’. „Als ik de aantekeningen in de marge teruglees, staat daar: gelul.” Op vergelijkbare manier verliep de confrontatie met Hannah Arendt. „Slim geredeneerd maar onjuist”, schreef hij in de kantlijn van haar boek over geweld. „Ik was zo door Sartre bevangen. Nu denk ik: ze heeft gelijk gehad.” Inmiddels heeft hij Arendt gerehabiliteerd. In de beginparagraaf van zijn boek noemt hij haar zijn ’filosofische leidsvrouw bij de studie van geweld’.

Arendt doet een poging afstand te nemen van de logica van het doel heiligt de middelen. Als het over politiek gaat weigert ze te spreken over doelen – dat is iets voor ambachtslieden die de realiteit volgens hun werktekeningen modelleren. Natuurlijk hebben politici ambities. Maar daarnaast heeft de democratie ook een intrinsieke waarde: in deze staatsvorm komt een opvatting over goed samenleven tot uitdrukking.

Zo’n principiële verdediging van de democratie miste Achterhuis in de affaire-Duyvendak. De aanvankelijke trots van het Kamerlid op zijn actieverleden maakte weliswaar snel plaats voor spijt. Inmiddels had hij ingezien dat hij via het parlement meer kon bereiken. Bij dit mea culpa zet Achterhuis vraagtekens. Want hoe was Duyvendaks waardering van de democratie uitgevallen als de Kamer minder effectief was gebleken?

Het antwoord op die vraag kreeg Achterhuis tien jaar geleden al. Het ministerie van Landbouw had hem, naast verschillende wetenschappers en activisten, uitgenodigd voor een discussie over het milieu. Centraal stond de vraag hoe het mogelijk was om duurzaamheid en natuurbehoud te realiseren. Al snel bereikte men overeenstemming: in elk geval niet via democratische weg. Daarom stelde de gespreksleider een tijdelijke ’milieudictatuur’ voor, om de noodzakelijke maatregelen snel door te kunnen doorvoeren. Prima idee, vond men.

Dus hoewel Arendt zich inmiddels aan de ramsj heeft ontworsteld en Sartre nauwelijks nog wordt gelezen, is daarmee niet gezegd dat diens denktrant tot het verleden behoort. Van de discussiebijeenkomst over het milieu is het maar een kleine stap naar de moord op Pim Fortuyn, één van de gebeurtenissen die vormend zijn geweest voor het boek van Achterhuis. „Ik had meteen het gevoel: dit heeft te maken met de milieubeweging. Terwijl de eerste reacties waren: dit heeft er niets mee te maken, hier is gewoon een gestoorde gek aan het werk geweest.” Meteen werd naar Gandhi verwezen als inspirator van de milieubeweging.

„Toen heb ik bits gereageerd”, aldus Achterhuis. „Er zitten bepaald problematische kanten aan de milieubeweging. Ik was verbaasd over de discussie die toen ontstond. Het blijkt heel moeilijk voor mensen om te erkennen dat een beweging met zulke mooie doelen gewelddadige kanten heeft.”

Als 6 mei 2002 de ene cruciale datum in het boek is dan is 11 september 2001 de andere. Achterhuis weet nog goed dat de dag erop een belangrijke vergadering gepland stond. Hij meldde zich af: „Ik was geschokt en kon niet overzien wat het allemaal betekende. Toen kon ik niet gewoon over koetjes en kalfjes gaan vergaderen.”

Inmiddels heeft Achterhuis uitvoerig geanalyseerd wat er gebeurde op die dinsdag in september. Dat neemt niet weg dat hij zich nog steeds kan opwinden over de manier waarop over de aanslagen wordt gesproken. „Ik word altijd boos als mensen roepen: waar maak je je toch druk om! Het verkeer is erger, daar vallen veel meer doden.”

Opnieuw die reductie van geweld tot een kwestie van optellen en aftrekken. Zo belanden slachtoffers van terreur en verkeersslachtoffer onterecht op één hoop. Het gevolg is dat cruciale verschillen uit het zicht raken en gaat uiteindelijk alles op elkaar gaat lijken. „Eigenlijk leven wij in een samenleving die uiterst gewelddadig is”, redeneert men dan. „Kijk eens wat een ongelukken er in het verkeer gebeuren!”

De gedachte dat het geweld alomtegenwoordig is, is een tweede perspectief van waaruit Achterhuis zijn thematiek behandelt. Geweld is inherent aan onze maatschappij, is de diagnose dan. Onze instituties zijn racistisch, ze discrimineren, onderdrukken en buiten uit.

Dit verklaringsmodel deelt de wereld in twee kampen in: daders en slachtoffers. Verschillen zijn symptomen van groot onrecht. Vandaar de grote populariteit van deze opvatting onder revolutionairen, utopisten en terroristen, die er een legitimatie van hun daden in zien. Achterhuis vat hun gedachtegang in één zin samen. „Wij, de terroristen, zijn niet met het geweld begonnen, wij oefenen alleen maar bevrijdend tegengeweld uit tegen de onderdrukkend maatschappelijke structuren.”

Na 700 pagina’s mag de lezer zich gerust een kenner van het geweld noemen. Maar wie op een eindconclusie hoopt waarin Achterhuis aangeeft hoe we het kunnen uitbannen, komt bedrogen uit. Zo’n oplossing heeft hij niet. „Deze illusie van geweldloosheid is mij tijdens het schrijven van ’Met alle geweld’ stukje bij beetje uit handen geslagen.”

Achterhuis geeft dus geen route naar de eeuwige vrede – en weigert die ook te geven. Velen zullen dat teleurstellend vinden: het mag toch best iets ambitieuzer? Daar ligt juist het bezwaar van Achterhuis tegen een recept voor pacifisme: bij die ambitie. De geschiedenis heeft uitgewezen dat die dramatisch geeft uitgepakt. „Wie droomt over geweldloosheid als een reële mogelijkheid, roept vaak het meest extreme geweld op.”

Ondanks deze huivering begrijpt Achterhuis de verlokkingen van het filosoof-koningschap goed. „Het lijkt zo voor de hand te liggen om, als je een maatschappelijk thema uitputtend als filosoof hebt onderzocht, met een blauwdruk voor verbeteringen te komen.”

Wat is zijn ambitie dan wel? Een auteur wil tenslotte dat zijn boeken invloed hebben. Het geweld is niet uit te roeien en dat is ook niet wenselijk, maar we kunnen er wel mee leren omgaan. Dat is wat Achterhuis bedoelt als hij zegt dat zijn boek wellicht als een bliksemafleider kan fungeren in een elektrisch geladen maatschappelijk klimaat.

„Ik hoop dat mensen iets herkennen in wat ik beschrijf.” In het bijzonder geldt dat voor politiemensen, militairen en andere groepen die van zeer nabij te maken hebben met geweld. Achterhuis zou de theorie graag concreet gemaakt zien, bijvoorbeeld in workshops met deze mensen. „Ik kan me goed voorstellen dat die zeggen: ’Hé, met behulp van deze analyses kunnen we zelf aan de slag’.”

Lees verder na de advertentie
Hans Achterhuis maakt zich boos over vergoelijking van geweld. (FOTO WERRY CRONE, TROUW)



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie