Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Achterberg kon een vrouw heel gelukkig maken

Home

door Léon Hanssen

Een gevoel van gêne overvalt me bij het lezen van Wegens gebrek aan leven (L & G, 15 juni) en Het meisje van zestien (L & G, 16 november), de twee stukken die Godert van Colmjon schreef over Gerrit Achterberg. Gêne om verschillende redenen. Achterbergs moord op zijn hospita, de pathologische wanorde in zijn psyche en gedrag, de sporen daarvan in zijn poëzie behoren tot de brandende kwesties in het Achterberg-onderzoek. Ze keren op gezette tijden terug en leiden tot felle polemieken.

Telkens is er onder wetenschappers de neiging tot witwassen. Dichters zijn engelen, heiligen of martelaars. Maar de hel, dat zijn de domme burgers, die niet begrijpen wat er in het dichterlijke brein omgaat en waarom een kunstenaar nu eenmaal altijd anders en soms, zoals in het geval van Achterberg, een echte gruwel is. Ook is er de neiging de literatuur tot een autonome enclave uit te roepen, waar de wetten van de normaliteit niet geldig zijn.

Voorbeelden van dat witwassen zijn er legio. In een televisie-uitzending van Literaire Ontmoetingen op 13 november 1963 onder regie van Hans Keller werden toespelingen gemaakt op 'het drama in Achterbergs leven'. Er volgden onthullingen in de pers. De uitgever Bert Bakker besloot prompt een nummer van het tijdschrift Maatstaf aan de dichter te wijden. Daarin moest worden aangetoond dat dit drama, het doden van zijn hospita en het verwonden van haar dochter met pistoolschoten, niets uitstaande had met zijn poëzie en het centrale thema: de gestorven geliefde. De schrijver en criminoloog W.H. Nagel werd met deze opdracht belast. Zijn artikel, 'Schrijvers van nabij', is een aanklacht tegen wat hij noemde de 'hedendaagse ordinaire openbaringszucht betreffende sensationele persoonlijke kwesties'. Hiertegen wilde hij Achterberg en zijn nagedachtenis 'beschermen'. We zullen volgens Nagel nooit 'genoeg compassie' met Achterberg kunnen hebben. Op grond van de ontsnappingsclausule van artikel 37 van het strafwetboek was hij als niet toerekeningsvatbaar buiten vervolging gesteld. Daardoor had hij, och arme, nooit zijn verdiende straf kunnen voldoen. Het liefst stortte hij zich in het enige ware element waarin hij echt leefde: de taal. Men kon de dichter dan ook geen groter plezier doen dan zijn werk te lezen als 'poëzie-zonder-meer'. Wie het las door de bril van de werkelijkheid, lag eruit. Toen en nu. Gordijn gesloten! Ziedaar de retorische structuur van de rehabilitatie van Achterberg. Dit grondplan heeft het een halve eeuw uitgehouden.

De literatuurwetenschapper en Achterberg-kenner R.L.K Fokkema bedacht de term 'verlossingslyriek'. 'In de metafysisch ingestelde verlossingslyriek', redeneerde hij met hoodletterwoorden, 'wordt de poging de Vrouw als incarnatie van de Liefde in het gedicht te vangen gelijk aan de poging het volmaakte gedicht te schrijven'. De accentuering van het biografische moment deed Fokkema af als 'kortzichtig en naïef'. Helaas bleek het volmaakte gedicht zelfs voor Achterberg op deze aarde niet bereikbaar. Want de poëzie dat is de oneindige hemel - en de hel: dat zijn wij, aardse ellendelingen. Zelfs in de Achterberg-biografie van Wim Hazeu blijven de fatale gebeurtenissen in Achterbergs leven met een waas van geheimzinnigheid omgeven. 'Het is in zijn boek als het ware een droge knal', oordeelde de criticus Rob Schouten.

Dit geheimzinnige gedoe gaat dus terug op een traditie van decennia. In een canoniek opstel dat als 'levensbericht' in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1968-1969 is opgenomen, werd Achterberg nota bene tot een door en door hermetisch dichter uitgeroepen. 'Men kan zich zelfs afvragen of er voor hem in onze letterkunde wel ooit een hermetisch dichter geweest is', meende de auteur, P.J. Meertens, thans bekend als de oprichter van Het Bureau. Zijn poëzie zou er dus een uit de inmaakfles zijn, volledig geïsoleerd van de alledaagse werkelijkheid! Wie Mertens' beeld van Achterberg, zoals het in enkele regels is neergelegd, leest, wrijft zich in de ogen bij het besef dat dezelfde dichter in 2002 tot een 'psychopathische necrofiel', een ziekelijk en agressief man, een stalker, kon worden gebombardeerd. Citaat uit het levensbericht:

'Gerrit Achterberg maakte op de buitenwacht de indruk, een stil en in zichzelf gekeerd mens te zijn. In zekere zin was hij dat ook. Hij hield meer van de stilte dan van luidruchtigheid en een kleine kring van vrienden was hem liever dan een groot gezelschap. Enkele keren heeft hij op aandrang van vrienden voor een zaal van belangstellenden uit zijn werk voorgedragen; hij hield ermee op toen hij merkte dat de kwellingen die hij erbij uitstond te groot waren. In een klein gezelschap kwam hij tot zijn recht; dan kwam ook zijn humor tot uiting, die zo kenmerkend voor hem was'.

Het is het beeld van iemand aan wie men zich niet wil opdringen: biografen en andere ordinaire openbaringszuchtigen, blijf weg! Want de hel, dat zijn jullie! Ik voel gêne wanneer ik bij Hazeu lees dat de dichter vanuit zijn hoge opvatting van het dichterschap tegenover een psychiater kon verklaren dat het onnodig was deernis met de dochter ('het meisje') van de vermoorde hospita te hebben. Want hij had 'er' toch vijf verzen over geschreven? Daarmee was de 'kwestie' afgedaan. En daarmee ook voor de biograaf, die verder geen woord aan 'het meisje' vuilmaakt.

De witwasmachine sloeg wederom meteen aan het werk na de publicatie van het eerste artikel van Van Colmjon in Trouw van 15 juni jl. De literatuurwetenschapper Fabian Stolk smeet in de VPRO Gids met minachtende termen om zijn afkeuring over deze 'kleffe hap' te laten blijken. Over gêne gesproken! Zijn tirade deed me denken aan de brief van de weduwe J.C. Achterberg-van Baak in NRC Handelsblad (20.1.1989) als reactie op een artikel over Hazeu's biografie van haar man. Wat voor iemand was Gerrit Achterberg? Hij wist een vrouw 'heel gelukkig' te maken. Overstromend van de humor, leefde hij in het intense geluk van het scheppen van gedichten. Hij was allesbehalve een nare man: 'Gerrit was absolutist en gevoelsmens'. De hel, dat was hoogstens de alcohol die hem 'heel erg lastig' kon laten zijn en 'een demonische wereld' in hem opriep, zonder dat hij zelf een demon was.

De literatuurwetenschap heeft altijd geprofiteerd van de voorstelling van de dichter, worstelend met de demon. Het is zelfs een reusachtig cliché. Niets doet het beter dan het romantische beeld van de kunstenaar die verscheurd wordt door goed en kwaad, door de engel en de demon. Ook de Achterberg-wetenschap heeft, bij al haar puriteinse afkeer van het herleiden van het werk tot biografische feiten, dat cliché vol gretigheid geëxploiteerd. Een kunstenaar aan wie niet een steekje los zit, kan toch moeilijk een goed kunstenaar zijn?

In de negentiende eeuw was het besef gegroeid dat genie en gekte twee kanten van dezelfde medaille zijn. Waanzin zou de prijs zijn die de kunstenaar voor zijn creativiteit moet betalen. Ook dacht men dat hij een verhoogde en vaak perverse seksuele belangstelling bezit. Figuren zoals de Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso (Genio e follia, 1864) publiceerden er invloedrijke studies over. Neen werkelijk, een beetje kunstenaar hoort thuis onder de dwazen en de boeven, ware het niet dat hij een directe lijn met de eeuwigheid heeft. Het is de engel die hem telkens weer uit de portalen van de hel sleurt.

Deze voorstelling werd door het publiek maar ook door de kunstenaars zelf met graagte opgepakt en gepopulariseerd. De cultus rond Vincent van Gogh, die voor zichzelf en anderen een gevaar vormde en in een gekkenhuis belandde, is zonder deze achtergrond niet begrijpelijk. Uitgerekend de kunstenaars die duidelijk een beetje gestoord waren kregen hoog aanzien. Het hielp als ze ook nog iets op hun kerfstok hadden. De grootste dichter uit de negentiende eeuw, Arthur Rimbaud, was waarschijnlijk nooit zo onsterfelijk geworden als hij niet zijn geliefde, de dichter Paul Verlaine, met een pistool naar het leven had gestaan. Dichters en criminelen zijn tweelingen: zo wil de romantiek. Tot de dag van vandaag blijft dit thema fascineren.

De Franse romancier Jean Genet (1910-1986) hielp de mythe de wereld in dat hij een ongeletterde boef en drugsdealer was. Pas in de gevangenis zou hij met schrijven zijn begonnen. Dit was voor Jean-Paul Sartre voldoende reden hem tot patroonheilige van het existentialisme uit te roepen. Had hij er niet uit vrije wil voor gekozen een crimineel te worden, een valsspeler en pederast bovendien? Een super-onmaatschappelijke? Want de hel, Sartre heeft het zelf geleerd, dat zijn altijd de anderen: dat is de maatschappij, dat zijn wij! Pas na de dood van de heilige Genet bleek dat dit alles op mystificatie berustte. De vrijheid van deze schrijver had er uitsluitend uit bestaan dat hij zijn outsiderpositie boven proporties aandikte om door de gezaghebbende intellectuelen als poète maudit aan de borst te worden gedrukt. Hij was hooguit een kruimeldief geweest: Sartre bleek de dupe van een erbarmelijke romantische illusie.

Kunst en crime vormden altijd een perfect koppel. Er zijn voorbeelden in overvloed van schrijvers die op onverantwoorde wijze met criminelen flirtten. Toen de Amerikaanse misdadiger Jack Henry Abbott vernam dat Norman Mailer een boek (The Executioner's Song) aan het schrijven was over de ter dood veroordeelde moordenaar Gary Gilmore, begon hij een correspondentie met hem. Daarin deed hij gedetailleerd uit de doeken hoe het voelt iemand te doden en te zien sterven. Ook ging hij prat op zijn grote belezenheid: Kant, Marx, Nietzsche, wie niet al. Mailer zette alles op alles om dit enfant terrible uit het gevang te krijgen. 'This guy isn't a murderer, he's an artist!' Hij gaf een selectie van de brieven uit onder de titel In the Belly of the Beast (1981). Een enorm succes. Zes weken na zijn vervroegde vrijlating datzelfde jaar, reeg Abbott in Manhattans Lower East Side een 22-jarige kelner aan het mes. Om een lullig meningsverschil. In februari 2002 hing hij zichzelf op in de gevangenis.

Een gevoel van gêne is niet te onderdrukken als men zich rekenschap geeft van de door beide partijen gekoesterde liaison tussen kunst en misdaad. Helemaal gênant vind ik de hypocrisie van sommige Achterberg-wetenschappers. Enerzijds promoten zij het beeld van de hermetische dichter, aan de wereld ontstegen, anderzijds verlustigen zij zich in biografische bijzonderheden over de verkrachter, moordenaar en psychopaat die hij ook was. Beide elementen interpretatief met elkaar verenigen hebben ze nooit gekund of gedurfd. Dan wordt de witwasoperatie gestart en verandert de dichter in 'een stil en in zichzelf gekeerd mens', die je voor geen goud wenst te storen. Want de hel, dat zijn altijd de anderen, de stervelingen.

Verlegenheid bevangt me ook als ik lees hoe het de dochter Bep van Es is vergaan. Ze werd door Achterberg aangerand en verwond. Ook moest zij meemaken hoe haar moeder, die voor haar in de bres sprong, dodelijk door een kogel werd getroffen. 'Ik krijg jou nog wel', schreeuwde hij haar na terwijl ze de trap afvluchtte. De familie Achterberg heeft nooit meer contact met haar gezocht. Voor de biograaf van Achterberg bleef dit 'meisje' een zijpad dat hij niet verder bewandelde.

Een beetje meen ik te weten hoe deze wegmoffel-mentaliteit geplaatst moet worden. Veel mannelijke schrijvers van de jaren dertig hadden een bizarre verhouding tot de andere sekse. Menno ter Braak begon een desperate verhouding met een veel jongere Berlijnse vrouw 'uit het volk'. Desperaat omdat hij als intellectueel door deze alliantie weer een verbinding met het 'gewone' leven dacht te krijgen. Heel kort voor de geplande huwelijksdatum kapte hij de verhouding op onelegante wijze af met het argument dat hij impotent was. Naar de Berlijnse Gerda, dat gevallen muurbloempje, heeft nadien geen enkele onderzoeker meer omgezien. Zij had haar five minutes of fame toch al beleefd? Het debacle met Menno ter Braak bleek echter een onuitwisbare schaduw over haar bestaan te hebben geworpen. Een half, tragisch mensenleven na hem pleegde ook zij zelfmoord.

In de schone theorie kan de literatuurwetenschap met de sterfelijkheid van geliefdes wonderwel overweg. De Franse criticus Maurice Blanchot (L'espace littéraire, 1955) begrijpt de kunstenaar als een Orpheus voor wie er maar één ideaal in de kunst bestaat: Eurydice. 'Onder een naam die haar verbergt en een sluier die haar bedekt, is zij het volslagen duistere punt waar de kunst, het verlangen, de dood, de nacht naar uit lijken te gaan'. Anders dan in de klassieke mythe wil de moderne Orpheus zijn geliefde niet tot leven brengen. Integendeel, hij wil 'in haar de volheid van de dood laten leven'. Eurydice moet dood zijn om het spel mee te spelen. De dichter op zijn beurt is veroordeeld tot een eeuwig pendelen naar de onderwereld. Een wonderschone theorie, fantastisch toepasbaar op Achterberg! Maar als je eenmaal weet hoe de kunstenaar zijn leven boven de grond heeft geleefd, vervult ze je met grote gêne.

Met Cathrien op de Mariahoeve in Neede. Achterberg (tweede van rechts) te midden van zijn collega-onderwijzers aan de lagere school in Opheusden. Achterberg in 1952.

Deel dit artikel