Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

AARDRIJKSKUNDE

Home

MARJAN AGERBEEK

Het is een beetje wrang om te zeggen, maar toch: de enorme wateroverlast in Limburg, Brabant en Gelderland kwam de Zwolse aardrijkskunde docent Ton Verbeek goed uit. De kranten stonden vol satellietfoto's waarop je de breedte van de rivieren prachtig kon zien. En er waren zelfs bewerkte opnamen waardoor zwakke en sterke dijken van elkaar waren te onderscheiden. Hoe zwarter, hoe sterker.

Toevallig was Verbeek in de tweede klassen havo/VWO van de Van der Capellenscholengemeenschap in Zwolle net bezig uit te leggen wat remote sensing is, toen Limburg begon te overstromen.

De aardrijkskundeleraar organiseerde direct een project om leerlingen de gelegenheid te geven met satellietbeelden te werken. Ze moesten een onderzoekje opzetten naar de oorzaak van de overstromingen en daarbij de beelden gebruiken. Ze kregen drie weken de tijd, goed voor zes lessen aardrijkskunde.

“Mijn collega's verklaarden me voor gek en dachten dat zo'n project wel een chaos moest opleveren”, vertelt Verbeek, zelf ook niet gewend aan projectwerk. Maar hij besloot 'de kont tegen de krib' te gooien.

Daarbij wist hij zich gesteund door het management van de school, die dit jaar in de brugklas 'zelfstandig leren leren' heeft ingevoerd. Dat is een project waarbij de docenten stapje voor stapje leren niet voortdurend zelf de klas in de hand te houden, maar het leren aan de leerlingen over te laten. Dan onthouden ze het geleerde beter.

Remote sensing past goed bij zelfstandig leren, vindt Verbeek. Afgelopen maandag heeft hij uitgelegd waarom, op een congres over de mogelijkheden van remote sensing in het voortgezet onderwijs.

De satellietbeelden staan dichter bij de werkelijkheid dan een kaart, dus de kans is groter dat ze de leerlingen aanspreken. Elke dag zien ze er een voorbeeld ervan, namelijk in het weeroverzicht van het Journaal.

Daar komt bij dat satellietbeelden altijd actueler zijn dan kaarten. Dus in het watersnood-voorbeeld konden de leerlingen aan de hand van de breedte van de rivieren voorspellen op welke plaatsen de dijk de meeste kans op doorbraak had.

Het leggen van dat soort verbanden is een van de essenties van de aardrijkskunde-onderwijs. Maar het is moeilijk te leren aan de hand van kaarten, legt Verbeek uit. Die zijn abstracter en ook ouder dan satellietbeelden.

Remote sensing voorziet de leerlingen van een tussenstap in het leren interpreteren van kaartmateriaal. Ze bevatten bovendien veel meer informatie. Want een satellietbeeld is geen foto.

Een satelliet kan twee soorten beelden naar de aarde sturen. Radarbeelden of zogenaamde 'valse kleur'-opnamen. In het eerste geval zendt de satelliet golven uit, die door het aardoppervlak worden teruggekaatst. De satelliet vangt deze weer op en maakt er beelden van, die altijd zwart-wit zijn.

In het tweede geval registreert de satelliet stralen die door het aardoppervlak worden uitgezonden, bij voorbeeld warmte stralen, infrarood. Die stralen worden digitaal opgeslagen en verstuurd. Op aarde kan de computer er allerlei plaatjes van maken. Bijvoorbeeld een beeld van Afrika waarop gebieden met veel en met weinig plantenactiviteit te onderscheiden zijn. De computer kleurt die gebieden, zodat ze goed te onderscheiden zijn.

In de wetenschap worden satellietbeelden al veel gebruikt. Ze zijn handig om het gat in de ozonlaag te meten of de gevolgen van het broeikas effect te overzien. Daar kun je dan weer berekeningen op los laten en vervolgens voorspellingen doen.

Het onderwijs heeft er nog nauwelijks kaas van gegeten, maar zo langzamerhand groeit de belangstelling voor remote sensing, vooral door de mogelijkheden die ze bieden voor de milieulessen, vertelt Verbeek. Ontbossing in Afrika of de droogte in Spanje kan hij er goed mee laten zien. Vooralsnog is de Zwolse docent echter een van de weinigen die er actief in de klas mee werkt.

“Je ziet dat de lesboeken voor de basisvorming al wel iets met remote sensing doen, maar in de bovenbouw is er nog niets. Dat is jammer, vooral met het oog op de plannen de vakkenpakketkeuze aan banden te leggen. Aardrijkskunde moet natuurlijk niet in uren teruggaan, zoals op veel scholen in de basisvorming is gebeurd. Dus moeten we laten zien dat er met remote sensing goede mogelijkheden voor samenwerking zijn met natuurkunde, biologie of scheikunde. Het hoort zeker in de profielen thuis.”

“Hier op school gaat het goed met de belangstelling voor aardrijkskunde”, haast Verbeek zich te zeggen. “We hebben twee uur per week in de onderbouw gekregen en 45 procent van de leerlingen kiest voor aardrijkskunde in het examenpakket. Ik ken scholen waar dat percentage maar twintig is.”

Met het watersnoodproject zal Verbeek er wel een paar zieltjes bij hebben gewonnen. De leerlingen waren razend enthousiast, vertelt hij. “Een van de groepjes heeft zelfs een satellietbeeld opgevraagd om zelf te bewerken. Er kwam een floppy met de post en die moest in de computer. Ze hebben die afbeelding zelf het formaat gegeven dat nodig was om het in het verslag als illustratie te gebruiken.”

Verbeeks toekomstdroom is dat hij behalve de beelden ook de bijbehoren informatie van de satelliet voor een redelijk prijsje kan krijgen. “Dan kunnen de leerlingen uitrekenen hoe hoog het water in een bepaald gebied stond. Of waar de mensen geeacueerd waren.”



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie