Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Aad van Rijen/Rogier van Aerde 1917-2007

Home

Esther Hageman

Als jonge debuterende schrijver werd Rogier van Aerde bewierookt. Vijf decennia later was hij, wist hij ook zelf, een vergeten schrijver.

Aad van Rijen was piepjong toen hij voorjaar 1941 debuteerde – ongeveer zo jong als Arnon Grunberg decennia later. ’Kaïn’ was meteen een succes. Met zijn korte zinnetjes („Zij strijden, de broeders”) en alinea’s met veel wit was het boek sterk in trek bij jonge lezers. De lof van een literatuurpaus als Anton van Duinkerken (’Een meesterlijk debuut’) hielp ook.

Hij schreef het onder een pseudoniem: Rogier van Aerde. Hoe hij aan dat ’Van Aerde’ kwam heeft hij zelf wel verklaard: het hield verband met de worsteling van de mens met de aarde – zoals in het boek beschreven. Maar waarom hij er de voornaam Rogier bij koos, is in nevelen gehuld.

Op de Rotterdamse vestiging van de Amstelbrouwerij, waar Aad van Rijen in die jaren werkte, wist niemand dat de jongste bediende een tweede leven leidde als schrijver. Het was een gezellig kantoor; de directeur placht van een tot vijf buitenshuis te lunchen en pas als hij terugkwam sloeg het personeel z’n leesboek dicht – er werd veel over boeken en gedichten gepraat – of zette de biljartkeu weer terug in het rek.

Aad van Rijen was allang blij dat hij werk had. Hij was opgegroeid als tweede zoon in een een rooms-katholiek gezin in Rotterdam met drie zoons en een dochter. Het had flink te lijden van de crisisjaren. Vader Van Rijen was kunstschilder: hij maakte veel religieuze kunst. Maar in de jaren dertig werden er geen nieuwe kerken gebouwd en niemand had geld om een schilderij te bestellen. Hij raakte, tot zijn vernedering, op een uitkering aangewezen en moest gaan ’stempelen’, zoals dat toen heette. Tegen de tijd dat Aad, die van kindsbeen af een hekel aan school had, na een mulo-A-diploma opgelucht een baan ging zoeken maar die pas na maanden vond, werd zijn salaris afgetrokken van de uitkering van zijn vader.

’Kaïn’ liep als een trein en werd zelfs vertaald, maar Van Rijen verdiende er geen stuiver aan. Net als z’n vader was Aad van Rijen weinig zakelijk. Hij had bij uitgeverij Urbi et Orbi een wurgcontract getekend waarin stond dat hij er nooit meer dan 1000 gulden aan zou verdienen en dat hij tot 1950 niet naar een andere uitgever mocht overstappen. Bovendien werd het boek door de Duitsers verboden: het zou ’Joodsch van geest’ zijn. Ze gingen ook na of de schrijver wel arisch was.

Bij de bierbrouwer pleegde Aad van Rijen in z’n eentje verzet. Hij gaf aan de illegaliteit door hoeveel bier er naar de Duitse kazernes in Zuid-Holland, Zeeland en westelijk Brabant ging. Er viel uit af te leiden hoeveel Duitse militairen er zaten. Ook probeerde hij het moreel van de Duitse troepen een deuk te geven, door er per post pamfletten naar toe te sturen met Duitse anti-oorlogspoëzie uit de Eerste Wereldoorlog.

Na een razzia in november 1944 kwam hij, samen met z’n broers Fried en Frans, als dwangarbeider in Zuid-Duitsland terecht. Ze werden nu eens in de BMW-fabrieken tewerkgesteld, dan weer moesten ze een gebombardeerd vliegveld helpen fatsoeneren. Een van de andere dwangarbeiders was een Nederlander die er zijn straf in Dachau – wegens hulp aan Joden – op had zitten. Hij kon niet terug naar Nederland en was er slecht aan toe. Niemand hielp hem; Van Rijen ook niet. Uiteindelijk stikte de man in zijn eigen braaksel. „Op 4 mei moet ik aan hem denken, al wil ik dat niet. Geen lintje, geen eerbetoon, geen erkenning. Alleen de herinnering dat ik me van hem heb afgewend”, zou Rogier van Aerde decennia later schrijven.

Na de oorlog, sinds juni 1945 weer terug in Nederland, trouwde Aad van Rijen met zijn grote liefde: Mieke Tacq, die hij van de brouwerij kende. In de tien jaar tussen 1947 en 1957 kregen ze vijf dochters en een zoon. Inmiddels was Van Rijen weg bij de brouwerij en verdeelde hij zijn tijd tussen journalistiek werk en het schrijven van boeken. Hij schreef reportages voor de Volkskrant, de Katholieke Illustratie en later Margriet en de Nieuwe Revu. Tussendoor vloeide een gestage stroom onderling uiterst verschillende boeken uit zijn pen.

Zo was Rogier van Aerde in 1951 een van de auteurs van een gedenkboek (’Het grote gebod – het verzet in LO en LKP’) over de onderduik- en de knokploegorganisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar ook vulde hij dat jaar een boekje ’Vrouwenspiegel’ met sprookjes-met-een-moraal over de dynamiek tussen man en vrouw. Soms was Van Aerde opnieuw een zeer rooms-katholieke schrijver, zoals in boeken als ’Een stem in de woestijn’ (1947) of ’Passie’ (1952). Dan weer koos hij een historisch thema, zoals in ’Stenka Razin’ (1948), over de zeventiende-eeuwse kozakkenleider die in opstand komt tegen een onrechtvaardige tsaar. Of hij schreef in ’De arme bruiloftsgast’ (1956) een geromantiseerde biografie van Paul Verlaine, de Franse dichter. Dat verkocht opnieuw goed.

Schrijven ging hem vlot af. Als schrijver kwam het er bij hem aus einem Guss uit. Als journalist was hij zo’n zeldzaam type dat genoeg heeft aan het geheugen en geen bloknoot nodig heeft, laat staan een recorder. Hij werkte z’n artikelen graag thuis uit. Dan moesten zijn kinderen stil zijn, want hij werkte, sigaren rokend, in de huiskamer.

Zoetjesaan werd de schrijver Rogier van Aerde niet langer bewierookt. Eerst werden zijn boeken niet meer tot de literatuur gerekend, en waren de recensies niet langer gunstig. Later kwamen er geen recensies meer. „Met dezelfde vaart waarmee ik royaal in de eerste naoorlogse encyclopedieën was opgenomen, verdween ik weer compleet uit volgende edities”, noteerde hij later in zijn memoires. In de jaren tachtig bracht hij ’Mirjam, een vrouw uit Masada’ dan maar in eigen beheer uit. Toen hij, recenter, zo’n 700 pagina’s had geschreven die hij ’Twintig eeuwen christendom – wat er misging en waarom’ noemde, kon hij er geen uitgever voor vinden. Het past niet in ons fonds, zei de een. Het is net niet populair en net niet wetenschappelijk genoeg, zei de ander. Hij was, zag hij ook zelf in, een vergeten schrijver geworden.„Menigeen dacht dat ik allang dood moest zijn”, noteerde hij.

In de hoge ouderdom, hij was sinds twee jaar weduwnaar, verhuisde Rogier van Aerde naar Apeldoorn; dat was dichter bij een paar van zijn kinderen. Hij was er net goed en wel in een verzorgingshuis geïnstalleerd toen hij een hersenbloeding kreeg. „Dit gaat toch geen eeuwigheid duren?”, verzuchtte hij en trok het vochtinfuus er uit. Vijf dagen later overleed hij.

Rogier van Aerde, pseudoniem van

Adolf Josef Hubert Frans van Rijen, werd op 4 oktober 1917 in Rotterdam geboren. Hij overleed op 8 november 2007 in Apeldoorn.

Deel dit artikel