Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

89 000 pagina's Steiner nageplozen op 'ras'

Home

Van onze verslaggevers DEN HAAG - De antroposofie is niet racistisch, maar enkele uitspraken van grondlegger Steiner zijn naar hedendaagse normen wel disciminerend. De Vrije Scholen gaan discriminatie bestrijden met behulp van een gedragscode.

“De antroposofie is niet langer een stilstaand water, maar leeft.” Dat zei de voorzitter van de Antroposofische Vereniging gisteren bij de presentatie van het rapport van de commissie-Van Baarda over racisme in de antroposofische leer en het onderwijs aan de Vrije Scholen. Met dat rapport wil de antroposofie “de duidelijkheid verschaffen die in maatschappelijk opzicht van ons wordt gevraagd”.

In het lijvige interim-rapport concludeert de commissie dat het werk van de grondlegger van de antroposofie, Rudolf Steiner, uitspraken bevat die naar de huidige maatstaven discriminerend zijn of als zodanig ervaren kunnen worden. Van een rassenleer is echter geen sprake. De commissie adviseert de discriminerende uitspraken van Steiner in nieuwe uitgaven kritisch te annoteren.

Verder wordt geconstateerd dat in het vak rassenkunde/volkerenkunde aan de Vrije Scholen tot vrij recent stereotypen zijn gebruikt die discriminatie in de hand kunnen werken. Oorzaak daarvan is dat de inrichting van dit vak sterk is beïnvloed door publicaties uit het verleden die discutabele stereotyperingen gebruikten en een etnocentrisch karakter droegen. Die publicaties kunnen beter niet meer worden geraadpleegd. De 'besmette' term rassenkunde zou voortaan vermeden moeten worden.

De voorzitter van de Antroposofische Vereniging, J. Dunselman, roemde het rapport als “een gedegen, systematisch en belangwekkend onderzoek”. De 5 000 leden van de Vereniging gaan het rapport bespreken, waarna het bestuur eind april een afgewogen oordeel zal geven.

De voorzitter van de Bond van Vrije Scholen kondigde een gedragscode tegen discriminatie aan. Een onafhankelijke vertrouwenscommissie zal op basis van een aparte klachtenregeling toezicht houden op de naleving van deze code. Van die vertrouwenscommissie zal ook een niet-antroposofische jurist deel uitmaken. In het onderwijs aan de Vrije Scholen wordt het vak rassenkunde verboden. Het vak volkerenkunde blijft wel gehandhaafd, maar zal inhoudelijk veranderingen ondergaan. Zo zal meer aandacht worden besteed aan intercultureel onderwijs en de ontmoeting met mensen uit andere culturen. Ook vakken als rekenkunde en informatietechnologie worden kritisch onderzocht.

De onafhankelijke commissie werd ingesteld door het bestuur van de Antroposofische Vereniging. Aanleiding waren steeds terugkerende berichten over racistische tendensen in de antroposofie en in het daardoor geïnspireerde onderwijs aan de Vrije Scholen in Nederland. In 1995 ontstond grote opschudding toen een ouder naar de pers stapte met het aardrijkskundeschrift van een Vrije School-leerling. Daarin werden rassen gestereotypeerd. Negers zouden dikke lippen hebben en een ritmisch gevoel. Daarop volgde een stroom van voor de antroposofie negatieve publiciteit. In opdracht van staatsecretaris Netelenbos stelde de Onderwijsinspectie een onderzoek in waaruit bleek dat er geen sprake was van racisme op Vrije Scholen. Wel bleken zeven scholen stereotyperingen van rassen en volken te gebruiken waarin discriminerende tendensen schuil konden gaan. Uitlatingen van de toenmalige vice-voorzitter van de Antroposofische Vereniging, C. Wiechert, maakten de zaak er niet beter op. Hij schreef het succes van Ajax toe aan het 'vitaliteitsoverschot' bij het zwarte ras. Het bestuur van de Vereniging nam afstand van Wiechert middels een advertentie waarin de volgende zinsnede voorkwam: “Voor zover bij Rudolf Steiner sprake is van een rassenleer nemen wij daar uitdrukkelijk afstand van.” De term 'voor zover' zorgde voor ongenoegen bij een klein deel van de Vereniging. Antroposofen zouden toch zeker moeten weten dat van een rassenleer bij Steiner geen sprake was. Om aan alle onrust, binnen en buiten de vereniging, een einde te maken, installeerde het bestuur op 4 juli 1996 de commissie Van Baarda. Deze bestaat uit zeven personen die alle antroposoof zijn. Niettemin acht de commissie zichzelf zowel uiterlijk als innerlijk onafhankelijk.

Hoewel het hier gaat om een interim-rapport - na voltooiing van 70 % van het onderzoekswerk - draagt het volgens de commissie geen voorlopig karakter. Begin volgend jaar verschijnt het definitieve rapport. De commissie heeft het verzamelde werk van Steiner (89 000 pagina's) uitgeplozen op termen als 'ras', 'zwarten' en 'indianen'. Op die manier zijn 145 citaten geselecteerd. Nagegaan is of uit die citaten blijkt dat Steiner er een rassenleer op na hield, dan wel zich schuldig maakte aan discriminatie. Volgens de commissie is bij Steiner geen sprake van een rassenleer in de zin van “een schijnbaar wetenschappelijke theorie op grond waarvan de vermeende superioriteit van het ene ras wordt gelegitimeerd ten koste van het andere”. De commissie acht het strijdig met het wezen van de antroposofie om te menen dat individuen of groepen inferieur zijn omdat zij een lichaam met een bepaalde huidskleur hebben. Steiner zou zich juist sterk hebben gemaakt voor de vrijheid van het individu, dat de banden moet verbreken met ras, bloed en volk. Wel heeft Steiner een visie op rassen ontwikkeld, waarbij hij antropologische verschillen verklaart in een overwegend beschrijvend begrippenkader.

De 145 citaten zijn ook bekeken op discriminatie. Daarbij is de omschrijving van het Wetboek van Strafrecht gebruikt, met de uitleg van de Hoge Raad dat een uitlating een discriminerend gevolg kan hebben, ook al is zij niet discriminerend bedoeld. Bij 12 citaten is sprake van een zo ernstige discriminatie dat het tegenwoordig een strafbaar feit zou opleveren. Hieronder valt bijvoorbeeld de opmerking van Steiner dat blanke zwangere vrouwen door het lezen van een 'negerroman' mulattenkinderen zouden krijgen. En zijn uitspraak over het “Maleise ras” dat het “onbruikbare mensen” betrof. Nog eens 50 citaten zouden tegenwoordig “zonder interpretatie mogelijk als discriminerend kunnen worden ervaren”. Met de overige 83 citaten is niets aan de hand.

Aan het onderwijs in het vak rassenkunde/volkenkunde, al dan niet gegeven onder de paraplu van aardrijkskunde, heeft de commissie een apart hoofdstuk gewijd. Kenmerkend voor de antroposofische volkerenpsychologie zou zijn het benadrukken van culturele verschillen tussen volkeren. Die verschillen moeten erkend en geaccepteerd worden. Steiner vond dat leerlingen pas rond hun vijftiende in staat zijn zulke culturele verschillen te begrijpen. Toch wordt het vak rassenkunde/volkerenkunde al in de zevende en achtste klassen gegeven. Dat is alleen in Nederland het geval. De commissie wijt het gebruik van discriminerende stereotypen in dit vak aan de grote invloed van de pedagoog Max Stibbe. Deze publiceerde daarover in het antroposofische tijdschrift Vrije Opvoedkunst, in de jaren dertig en zestig. Stibbe gaf aan Steiners uitspraken “een heel persoonlijke inkleuring” en ontleende er onder meer een legitimering van de apartheid aan. Ook andere auteurs in het tijdschrift Vrije Opvoedkunst gaven blijk van “een blank-paternalistisch denken”. De commissie stelt verbaasd vast dat binnen het Vrije School-onderwijs het denken over rassen en volken tussen 1934 en 1985 nauwelijks is veranderd. Zij wijst de betreffende publicaties van de hand vanwege hun discutabele stereotyperingen en etnocentrisch karakter.

Deel dit artikel