Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

1883 Gapen naar een etalage van menschenvlees

Home

PAUL VAN DER STEEN

Technische noviteiten en exotica vormden de publiekstrekkers van de Wereldtentoonstelling in 1883 in Amsterdam. Het koninkrijk bestaat binnenkort tweehonderd jaar. Trouw staat wekelijks stil bij belangrijke momenten uit de nationale geschiedenis. Vandaag aflevering 20: 'Surinaamsche inboorlingen' te zien.

Trots maar met een wat doffe blik in de ogen poseerde Jacqueline Ricket (24) voor de fotograaf. Op haar heup droeg ze haar dochter Lina. Die wilde wel lachen naar de lens. Een mooi type zwarte vrouw, stevig gebouwd en in het bezit van een sterk onafhankelijk karakter, werd er over de Surinaamse opgeschreven. Na jaren van werk op een plantage in Commewijne verdiende ze nu haar geld als fruitverkoopster in Paramaribo. Het jaar 1883 bracht wat anders. Ricket en haar dochter werden expositiemateriaal.

Het waren de jaren waarin grote steden zich op de kaart zetten met Wereldtentoonstellingen. Een onbekende Fransman, Eduardo Agostini, nam het initiatief voor zo'n evenement in Amsterdam en omdat Nederlandse financiers aarzelden, bouwde hij vooral op Belgische geldschieters. Op 1 mei 1883 ging de Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling van start. Koning Willem III woonde de feestelijkheden van de Expo op het Museumplein bij. Dat stond vol met weelderig aandoende paviljoens, kiosken en tenten. Het Rijksmuseum in aanbouw diende als achterwand voor deze bonte kennismaking met de wondere wereld van industrie (elektrisch licht, een telefoon om naar een concert verderop te luisteren), nijverheid en verre landen.

Ricket en Lina's eindbestemming was een tent met de aanprijzing 'Surinaamsche inboorlingen'. In hetzelfde voorjaar waren ze met 26 anderen van Paramaribo naar Saint-Nazaire gevaren. De blanke medepassagiers schrokken aanvankelijk van hun zwarte reisgezelschap, maar werden later vriendelijker. Ze trakteerden op wijn en sigaren. En veel dames wilden Lina graag even op schoot nemen.

Vanuit de Franse havenstad reisde het gezelschap naar Amsterdam. In de tent op het Museumplein zaten de meesten als beesten in een dierentuin achter hekken in een zo natuurlijk mogelijke omgeving West-Indiër te zijn. Voor zelfgebouwde hutten waren ze druk met huisvlijt en het maken van muziek. Ricket (ze kon een beetje lezen en schrijven) werd gerekend tot de 'hoger ontwikkelde stadsnegers' en mocht souvenirs verkopen. De binnenkant van het tentdoek was versierd met een panorama-schildering waarop een Belgische kunstenaar Paramaribo en de binnenlanden van Suriname probeerde te verbeelden.

Dagblad De Tijd noemde de 'legerplaats van wilde stammen' binnen de Wereldtentoonstelling een trekker van jewelste. "Hier zijn namelijk de beroemde, echte Arowakken en boschnegers rechtstreeks uit de binnenlanden van Suriname geïmporteerd, met een ethnografisch doel! Of de ethnographie bij die etalage van menschenvlees veel voordeel zal hebben, valt ernstig te betwijfelen, maar als kermisaardigheid is het de moeite waard er een kwartje aan te verkijken."

In de tentoonstellingscatalogus werden de 28 vooral als wilden neergezet. "De boschnegers zijn jaloersch, wantrouwend en haatdragend van karakter en daarbij zeer lui, vooral de mannen. Tot geregelden arbeid heeft men hen nog niet kunnen bewegen."

In de West maakten de plantagehouders daarom in toenemende mate gebruik van 'koelies' uit Brits-Indië. Meestal tot tevredenheid. De contractarbeiders klaagden vaker. Soms weigerden ze werk of stichtten ze branden. In 1884 braken mede als gevolg van een wereldwijde economische crisis, die vooral de suikerhandel hard trof, opstanden uit op diverse Surinaamse plantages. Lonen waren verlaagd, terwijl de werkdruk werd opgevoerd. Militairen herstelden de orde en schroomden niet om arbeiders neer te schieten. Op het Museumplein maakten de 'negers' op velen vooral een verveelde indruk.

Elders op het terrein was een Oost-Indische kampong nagebouwd met huizen in bouwstijlen uit alle hoeken van dat eilandenrijk. Javanen lieten zien hoe ze hun buffels gebruikten voor landbouwdoeleinden en lieten het publiek kennismaken met wajangpoppen en gamelanmuziek. Toch trokken de West-Indiërs, hoewel ze minder actief waren, harder. In de ogen van de negentiende-eeuwse Nederlander waren ze nog net even exotischer.

Deftige hoofdstedelingen vergaapten zich ondertussen gratis aan een extra attractie: de provincialen. Het evenement trok zeker een miljoen bezoekers. Buitenlandse toeristen lieten het een beetje afweten, maar Nederlanders uit de regio maakten dat aardig goed. "Aardiger dan iets op de tentoonstelling is het schouwspel van die ontelbare landbouwers en werklieden uit alle oorden van het land", schreef het Algemeen Handelsblad. "Wat ziet men er tal van goede, knappe gezichten onder, gezichten vol karakter en wilskracht!"

De tentoonstelling had een even democratiserende werking als de latere pretparken. Rangen en standen leken weg te vallen. Een verslaggever van een Braziliaanse krant verbaasde zich erover hoe vanzelfsprekend de gewone man en vrouw zich tussen de welgestelden bewogen. "En dat alles geschiedde zonder de minste bedoeling te kort te schieten in de eerbied of hoogachting, die anderen toe zou komen. Neen, het sproot alleen voort uit de naïeve, ja zelfs beminnelijke overtuiging, dat hun twee kwartjes even goed waren als die van ieder ander."

De Surinamers bleven tot oktober 1883 in hun tent. Sommige Nederlanders behandelden hen best vriendelijk. Aardig was ook de geste om de tent met inwoners van de West na de sluiting van de tentoonstelling nog twee weken te laten staan. De opbrengst van de toeloop tijdens die veertien dagen (tweeduizend gulden) mochten ze mee terugnemen. Verder fungeerden ze toch vooral als object.

Bezoekers gaapten hen aan vanachter hekken. Als het even kon probeerden ze even de zwarte huid aan te raken om te zien of die kleur echt niet afgaf. Als de 'inboorlingen' in het Nederlands konden antwoorden, verbaasde het publiek zich hardop. Antropologen uit binnen- en buitenland kwamen schedels meten.

De 25-jarige Fransman Roland Bonaparte, de kleinzoon van een broer van Napoleon, gaf de West-Indiërs tenminste nog een identiteit. Zijn luxe uitgevoerde 'Les habitants de Suriname; notes receuilles a l'exposition coloniale d'Amsterdam en 1883' had iets van een museumcatalogus. Maar naast observaties, etnische beschrijvingen en foto's van de 28 toonde de prins ook belangstelling voor namen en persoonlijke leefomstandigheden. Hij behandelde hen in elk geval een beetje als mens, al was het dan vlak voordat Jacqueline Ricket, Lina en de anderen terugkeerden naar hun land van herkomst.

Het Museumplein werd na het evenement langzaamaan het hart van een nieuw deel van Amsterdam. De Wereldtentoonstelling liet er geen blijvende sporen na. Enkele objecten van de expositie gingen naar de etnografische collecties van Nederlandse musea. Een van de hekken kreeg een tweede leven bij de ingang van het Amsterdamse Vondelpark aan de Stadhouderskade. En Heineken koketteert op zijn etiket nog steeds met het in 1883 gewonnen Diplôme d'Honneur. Het geeft het bier de glans van de geschiedenis. Al lijkt het meer dan het in werkelijkheid was: de jury van de tentoonstelling deelde duizenden eerbetonen uit.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel