Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Zwijgende film heeft iets exotisch'

Home

Jann Ruyters

Vanmiddag verdedigt kunsthistoricus Ivo Blom aan de Universiteit van Amsterdam zijn filmhistorisch proefschrift 'Pionierswerk', over werk en invloed van film-pionier Jean Desmet die van Vlaamse afkomst was maar van 1907 tot 1916 actief was als Nederlands grootste filmdistributeur en bioscoop-exploitant. In het laatste hoofdstuk van deze ongeveer vierhonderd bladzijden tellende studie gaat Blom in op de Desmet-affaire, het conflict dat eind jaren tachtig het bestuur van het Amsterdamse Filmmuseum in tweeën spleet.

Filmhistoricus/bestuurslid Karel Dibbets ondertekende destijds samen met andere Nederlandse historici de verklaring dat hij het niet eens was met de intentie van de directie om de in het Filmmuseum bewaarde Desmet-collectie, bestaande uit zo'n negenhonderd (voornamelijk buitenlandse) zwijgende films, duizenden affiches, foto's, programma's, brochures en strooibiljetten, uiteen te laten vallen. De pers sprong enthousiast bovenop de ruzie en het gekrakeel over dit paradepaardje van het Filmmuseum duurde enige jaren voort.

,,Welke linken die affaire van toen heeft met de affaire rond het Filmmuseum nu, wordt me wel vaker gevraagd', zegt filmhistoricus Ivo Blom grijnzend. ,,Volgens mij zijn er alleen maar raakvlakken in algemene zin. De Desmet-affaire was destijds de aanleiding voor het Filmmuseum om zich te bezinnen op het belang van de collectie. Vragen als: hoe veranderen we de verzameling filmschatten in het archief tot een filmmuseum met een duidelijk signatuur, werden tijdens en na de Desmet-affaire explicieter gesteld. Het gerommel over het Beeldinstituut heeft het Filmmuseum nu ook een moment van bezinning bezorgd. Wat is de positie van het Filmmuseum in deze tijd van nieuwe media? Wat doen we hier precies? Wat willen we in de toekomst gaan doen?'

Van een stammenstrijd zoals zich rond het Beeldinstituut ontwikkelde, was bij de Desmet-affaire echter geen sprake. Het gevaar dat de Desmet-collectie uiteen zou vallen lag inderdaad op de loer, stelt Ivo Blom in zijn proefschrift, maar dat kwam eerder door een onbewuste praktijk dan dat er sprake was van bewust beleidsmatige keuzes. De directie liet, uit geldgebrek, veel films in het buitenland conserveren, waarna meestal wel een niet-brandbare acetaat-kopie hier terugkwam. Bij de collectionering van het materiaal was er nog weinig interesse in de herkomst van de in het archief opgeslagen films. Zo vielen enkele privé-collecties in het archief uiteen.

Die gang van zaken veranderde echter begin jaren negentig toen het Filmmuseum dankzij een grote extra conserveringssubsidie, en dankzij de groeiende conserveringsexpertise binnen het museum de films wel in eigen huis kon behandelen en beter ging registeren. De aandacht werd nu bewust op de zwijgende film gericht en het extra geld werd onder meer gebruikt om de vroege films in kleur te conserveren. Veel van de Desmet-films stammen namelijk uit een periode dat met inkleuren en tinting werd gewerkt. De keuze voor de duurdere ingekleurde conservering is volgens Blom een moedige keuze geweest, die het Filmmuseum in het buitenland haar goede naam heeft bezorgd en die ook in toenemende mate internationaal wordt nagevolgd.

Dat het van belang is dat de Desmet-collectie, evenals de andere collecties in het Filmmuseum -de Uitkijk-collectie, de Ivens-collectie, de Indië-collectie- juist als geheel behouden blijft, is voor de leek niet meteen een uitgemaakte zaak. Zijn de grotendeels buitenlandse films uit de collectie niet eerder op hun plaats in een museum in het land van herkomst? Zeker niet, meent Ivo Blom. ,,Het unieke aan de Desmet-collectie is dat ze niet alleen bestaat uit films, maar ook een uitgebreid bedrijfsarchief bevat en reclamemateriaal. Dat maakt het mogelijk om de context waarbinnen de films vertoond en gezien werden in het filmonderzoek te betrekken. Je leert de filmcultuur pas kennen als je ook distributie, vertoning en receptie in je verhaal betrekt en je niet beperkt tot de productiekant. De collectie bestaat dan wel grotendeels uit buitenlandse films, maar als bemiddelaar tussen die buitenlandse films en het Nederlandse publiek leert Desmet ons wel degelijk iets over onze nationale filmcultuur aan het begin van de vorige eeuw.'

In zijn proefschrift schrijft Blom de geschiedenis van het bedrijf van Desmet met de inzet hiermee ook inzicht te bieden in die nationale filmcultuur rond de jaren tien. De van de kermis afkomstige Jean Desmet was weliswaar eerder een handelaar en geldzoeker dan een cinefiel (zo stopte hij zijn bedrijf toen de filmindustrie als gevolg van de Eerste Wereldoorlog inzakte en stapte hij vrolijk over op onroerend goed), maar hij stond aan de basis van de overgang van de reisbioscoop naar vaste bioscopen en het daarmee samenhangende filmverhuursysteem dat nu nog steeds in zwang is. Ook was hij een van de eersten die de Duitse en Deense melodrama's en sensatiefilms oppikte en zo de overgang van korte films naar lange films in Nederland bewerkstelligde.

Bloms onderzoek maakt deel uit van een groeiend aantal proefschriften en scripties op het gebied van de vroege film. Die groeiende belangstelling, met name binnen maar ook buiten de filmwetenschap, heeft volgens Blom allereerst een praktische oorzaak: het succes van het jaarlijkse zwijgende-film-festival in Pordenone in Italië waar de films in al hun glorie op het grote doek gezien kunnen worden. Daarnaast is de zwijgende film echter ook in theorie in ere hersteld (vandaar ook de Nederlandse naamswijziging van 'stomme' film naar 'zwijgende' of 'stille' film). Terwijl voorheen de jaren tien werden gezien als de primitieve, onvolwassen fase, als de prehistorie in de filmgeschiedenis, heeft men nu minder hiërarchische opvattingen. Blom: ,,De onvrede met de traditionele, verhalende speelfilm uit Hollywood creëerde een groeiende interesse in filmvormen die minder op het verhaal en meer op louter spektakel en uiterlijk gericht zijn. Eigenlijk heeft de zwijgende film iets exotisch, iets buitenissigs, met die overdreven acteerstijl en die aaneenschakeling van tableaux vivants waarin Hollywoods continuïteitsideaal met voeten wordt getreden.' Zelf viel Blom al in 1988 op misbaar en melodrama van de Italiaanse filmdiva's -onlangs nog samengebracht in Peter Delpeuts compilatie-film 'Diva dolorosa'- toen hij samen met Nelly Voorhuis een festival rond de vroege Italiaanse film organiseerde. De eerste in 1986 in kleur geconserveerde divafilm 'Fior di male' (1915), onderdeel van de Desmet-collectie en smaakmaker in het proces van internationale erkenning van de collectie, is een van zijn favorieten. Die prachtig herstelde film bewees volgens Blom toen al dat de 'stomme' film 'geen grijzige, zwart-wit kopie hoefde te zijn vol kabels en krassen' maar 'een compositie van heldere, stabiele beelden' en een 'artefact vol kleur'.

Deel dit artikel