Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Zijn we er tóch ingetuind’

Home

Adri Vermaat

Voetbal- en tenniscommentator Herman Kuiphof (89) is in zijn woonplaats Soest overleden. „Ik heb me nooit onsympathiek gemaakt”, zei hij eens met sigaartje in de hand. Zijn afkeer voor de verzakelijking van het voetbal was illustratief.

’Die afschuwelijke skyboxen mag je van mij allemaal afbreken”, zei Herman Kuiphof negen jaar geleden in Trouw. Haast verontwaardigd vervolgde hij: „Maak er doodgewone kuipstoeltjes van. Niet dat champagnegedoe met zakenvriendjes die niets om voetbal geven, en hun vrouwen die er nog minder om geven”.

Zijn afkeer van de verzakelijking van het topvoetbal was illustratief voor Herman Philippus Kuiphof, de gisteren overleden sportjournalist, commentator en columnist. De in het Friese Franeker geboren Kuiphof, die 89 jaar is geworden, was tot aan zijn dood bovenal sportliefhebber; en dan van voetbal en tennis in het bijzonder. Een moderne man van de oude stempel die zich, naarmate zijn leeftijd vorderde, allengs heftiger afzette tegen de door hem al te vaak gesignaleerde ’patserigheid’ in de sport, en al helemaal in de voetbalstadions.

Als liefhebber deed de vercommercialisering van de sport hem pijn. Voor hem bestond voetbal, net als alle andere sporten, uit het organiseren en spelen van wedstrijden. Met als uitgangspunt ’Laat de beste winnen’. In Trouw zei hij hierover: „Vroeger zat er bij het voetbal nog een beetje speelsheid: we knokken twee keer vijfenveertig minuten tegen elkaar, maar daarna drinken we samen een pilsje. Dat onbezorgde is verdwenen”.

De omslag in de sport van liefhebberij naar groot geld deed zich naar zijn overtuiging niet als eerste voor in voetbal. Het was juist zijn andere geliefde sport – tennis – waar, als novum, in ruil voor stapels bankbiljetten macht en aanzien werden gekocht. Hij herinnerde zich hoe de toenmalige Amerikaanse tenniscoryfee Jimmy Connors begin jaren tachtig voor het eerst in Nederland, in sportpaleis Ahoy in Rotterdam, speelde. De daar aanwezige Kuiphof viel het op dat een paar honderd mensen tijdens Connors’ treffen niet op hun plaatsje op de tribune zaten, maar in de vipruimte achterbleven. „Met een biertje in de hand en af en toe een lome blik werpend op het scorebord of een televisietoestel dat daar stond”, verhaalde hij naderhand. „Dat was voor mijn gevoel een omslag”. Hij vond het beroerd, maar troostte zich in zijn sombere overpeinzingen met de gedachte dat hij de ’mooie tijd’ had meegemaakt. Als liefhebber, maar ook in zijn professionele hoedanigheid van sportjournalist- en commentator.

Twee jaar voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakte hij, nog geen twintig jaar oud, kennis met de journalistiek en ging hij als leerling-verslaggever aan de slag bij het dagblad Nieuwe Nederlander. Kort na de oorlog verhuisde hij naar de sportredactie van de Haagsche Courant, het begin van een enerverende, bijzondere carrière, bewonderd door het grootste deel van het publiek en verguisd door enkelen.

Na een periode waarin hij onder meer werkzaam was bij de NCRV- en VPRO-radio, maakt hij in 1961 de stap naar de televisie. Als commentator bij de NTS – de latere NOS – viel hij op door zijn uit duizenden te herkennen, sonore, enigszins hese stemgeluid. Een stem om na te bootsen, wat geen mens lukte, want er was er maar één zo en die was van Herman Kuiphof. Meer dan nu vielen in de jaren zestig, en zeventig op de televisie de stemmen van de voetbalcommentatoren toch al op. Misschien kwam dit doordat Nederland niet was aangewezen op de huidige legertje van verslaggevers, commentatoren en analisten, maar op enkelingen als de eerbiedwaardige ir. Ad van Emmenes, die ook minister had kunnen zijn en niet te vergeten Koen Verhoeff, met zijn – in staat van opwinding – wat tranende stem.

Duizenden wedstrijden bekeek Herman Kuiphof en van honderden verzorgde hij het commentaar. Hij dankte er zijn faam aan. Sommige van zijn uitspraken zullen ook na zijn overlijden zelfs voortleven in de hoofden van de voetballiefhebbers en (oudere) televisiekijkers. Terwijl in 1970 Rotterdam-Zuid zich vergaapte aan de Zweedse koningsschutter Ove Kindvall van Feyenoord, kwam daar op zo maar een dag Herman Kuiphof met een compleet vernieuwde spelling. De Zweed heette bij hem voortaan Oewe Tsjindwol. Er werd op straat lacherig over gedaan. Maar er was, zeker in Rotterdam, ook wrevel over de, op het eerste oog, toch pedante naamswijziging die Kindvall ten deel viel.

In een vraaggesprek met NRC Handelsblad van 1999, deed Kuiphof haarfijn uit de doeken hoe dat nou precies zo was gekomen. „Ik had zes brieven gekregen van Zweden” vertelde hij. „Alle zes schreven ze me dat Kindvall verkeerd werd uitgesproken. Het was niet Ove Kientval maar Oewe Tsjindwol. Van de voetballer zelf kreeg ik complimenten, ik was de enige Nederlander die zijn naam correct uitsprak. Maar bij Studio Sport waren ze er helemaal niet blij mee. ’Moeten we dat allemaal gaan doen?’, vroegen Koen Verhoeff en Theo Reitsma.

Bij een deel van de natie stond Kuiphof in het vervolg tamelijk hardnekkig bekend als Herman ’Tsjuiphof’. Hij kon de woordspeling maar matig waarderen en dit al helemaal als onbekenden hem zo noemden. Kuiphof, in hetzelfde interview met NRC Handelsblad: „Is er iets met je gebit, vraag ik dan. Dat eeuwige gezeur over Tsjindwol, het was maar een detail. Maar ja, je bent als commentator een beetje van het volk. Als je dat te bezwaarlijk vindt, moet je dit beroep niet uitoefenen”.

Geschiedenis schreef het Nederlands Elftal dat in 1974 tijdens het wereldkampioenschap de finale haalde. Het was het Oranje van Johan Cruijff, Willem van Hanegem, Johan Neeskens en Wim Jansen, met aan het hoofd Rinus Michels, de bondscoach. Tot aan de finale, tegen de Duitsers, was het een en al hosanna en zelfs geloofde heel Nederland dat die eindstrijd slechts een formaliteit zou zijn. Het liep anders, en nadat spits Gerd Müller het voor Duitsland verlossende, en winnende, doelpunt op zijn naam bracht, reageerde commentator Kuiphof al bijna even legendarisch met: „Zijn we er tóch ingetuind”.

Door zijn lange staat van dienst was Kuiphof in die jaren al lang en breed ’vertrouwd’ in de huiskamers. Mei 1970 won Feyenoord in de finale tegen het Schotse Celtic als eerste Nederlandse club de Europacup voor Landskampioenen. Kuiphof deed in Milaan verslag en riep, bij het winnende doelpunt van Ove Kindvall, waaraan een Schotse handsbal vooraf ging: ’Hands, hij maakt hands, dat moet een penalty zijn, nee, het is een goal, hij laat doorspelen, en natuurlijk, zeer terecht, en Kindvall scoort, Kindvall scoort, hij wordt op de schouders nu weggedragen (...)”.

De afgelopen jaren liet zijn gezondheid hem geleidelijk in de steek. De stapels boeken die hij schreef, werden niet groter. Zijn geheugen liet hem soms in de steek en in het blad Esquire zei hij, in september 2001, dat hij nauwelijks nieuwe vrienden meer maakte. Misschien, maar dat was maar een indruk, had sport hem niet zo héél erg gelukkig gemaakt. Zijn enige echte droom immers – een professionele zangcarrière, een briljant zanger worden – werd niet bewaarheid. Maar sport, de bal, was hoe dan ook een bevredigend alternatief voor hem.

Maar daar ging het niet alléén over bij hem. Hij was een boeiende man, ook als het niet over voetbal, tennis of ’patserigheid’ ging. Eens erkende hij dat hij zich in zijn jongensjaren van zijn slechte kant had laten zien. „Ik was gek op debatteren, dat leerde ik van mijn vader”, zei hij. „Het heeft jaren geduurd eer ik doorhad dat het niet om het winnen ging. Daarmee heb ik toen veel mensen tegen me in het harnas gejaagd”. Met enige zelfspot: „Ik kreeg vroeger een hoop brieven. Sympathieke maar ook heel onsympathieke. Het was misschien verstandig geweest om die onaardige te bewaren”.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel