Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Wimbledon winnen? nee, daarvoor was mijn opslag te beroerd'

Home

FRANK KOOLS

Aflevering 1: tennisser Henk Timmer (92)

Timmer vertelt graag, joyeus, maar ook wat laconiek over zijn tennisjaren. Hij sloeg in zijn tijd “een behoorlijke balletje, meer niet.” Maar één ding steekt. “De kranten schreven van de week, dat Krajicek na Okker en Eltingh als eerste Nederlander de kwartfinales van Wimbledon bereikte. Maar het mag best gezegd worden: Henk Timmer stond er ook al. En twee keer, in '27 en '29.”

Nog steeds volgt hij het belangrijkste toernooi ter wereld op de voet. Tijdens het interview staat de tv zonder geluid aan op de BBC, zodat hij het direct merkt wanneer het spel wordt hervat. En als de spelers weer verschijnen, wil hij eigenlijk alleen nog kijken. Met moeite krijgt de fotograaf hem voor het scherm weg om te poseren.

Wimbledon is volgens Timmer in de loop der jaren “zo'n beetje hetzelfde gebleven. Wel speelden de mannen toen nog in lange broeken. Maar ook toen kwam er vaak iemand van de koninklijke familie kijken, vooral Queen Mary. Alleen is het nu meer een kermis geworden. Deze week hadden ze zelfs van dat community singing rond de baan. Was dat een bekende zanger? Cliff Richard, zegt u. Zo, zo.”

“Bovendien draait het nu allemaal om de centen. Wij kregen nog geen prijzengeld. Wij waren amateurs. De bond vergoedde je reis- en wat onkosten en dat was het. Voor Wimbledon heb ik nooit in een hotel gezeten. Ik werd altijd bij gezinnen ingekwartierd, soms Nederlanders die daar woonden, soms ook Britten. Ik gun het de huidige jongens van harte hoor, maar zoals die bedragen zijn opgehoogd. . .”

“Tegenwoordig is tennis ook een echte volkssport geworden. Vroeger speelden alleen mensen die geld hadden. Mijn vader was leraar Engels op het gymnasium in Utrecht. Thuis waren we niet rijk, maar mijn ouders konden het er behoorlijk van doen. Na mijn eindexamen gymnasium kon ik daardoor een tijd gaan tennissen.” In de jaren 1922-1936 volgden onder meer 22 nationale titels. In '32 was hij finalist op Queens, het toernooi dat direct aan Wimbledon voorafgaat.

“Elk jaar ging ik naar Parijs en Wimbledon. Verder ging ik niet. Waren die voorbij, was het weer welletjes. Op de uitnodigingen voor Australië en Amerika ben ik nooit ingegaan. Tennis vond ik een verdraaid leuk spel, maar van tijd tot tijd moest ik wat anders: voetballen, vissen, skiën of golfen. En je kon er ook best even tussen uit. Toen stond er nog niet zoveel op het spel als nu.”

“Ik trainde ook niet zoveel, ben je gek. Met drie keer in de week was het wel op. We hadden ook geen echte trainer of zo'n haptonoom, die ze nu nodig denken te hebben. Ik had in Gijs Scheurleer een onbetaalde coach, die kwam kijken en gaf je aanwijzingen. Maar vaak ging ik ook met een medespeler als Van Lennep naar de baan. Dan speelde je elkaar gewoon ballen toe om je slagen te oefenen. En had je de volgende dag een wedstrijd, dan ging je niet aan de zwabber. Daar hadden wij geen coach voor nodig. Fanatiek was het allemaal niet. We speelden ook niet voor ons brood. Het was toen nog ècht sport.” Dat hij Wimbledon zou hebben gewonnen, als hij zich alleen op tennis had gestort, gelooft Timmer niet. “Daar was mijn opslag te beroerd voor. Anders was ik verder gekomen. Een goede opslag scheelt alles, zeker op gras. Ik was meer een allrounder. Je speelde toen ook meer vanaf de baseline dan nu. Een wedstrijd had meer rally's. Nu draait het allemaal om serve-volley en rennen ze als wilden meteen naar het net.”

Ook de andere sporten beoefende Timmer op hoog niveau. Met zijn bijna even oude vrouw Annetje loopt hij naar de gang van hun appartement in de verzorgingsflat. Hij wijst in de vitrinekast naar de erekruisjes die hij ontving voor drie Elfstedentochten. Ze liggen te midden van prijsbekers. “De grootste hebben ze al weggehaald voor het Sportmuseum in Almere”, zegt zijn vrouw.

Aan de wand hangen de certificaten voor holes in one bij golf. “Er liggen er nog een paar in de la. Totaal heb ik er tien, zij drie”, vertelt Timmer. “Je was toch ook nog Nederlands kampioen squash geweest”, helpt ze hem herinneren. Verderop hangt een foto van hen beiden met presentator en tennisliefhebber Willem Duys, gesigneerd en wel. Timmer: “Een vreselijk aardige knul.”

Timmer en zijn vrouw ogen en praten als krasse zeventigers. Henk Timmers geheugen is nog best. Met de pijp in de mond dist hij zo de gemengde dubbels op, tegen wie hij en Kea Bouwman uitkwamen op de Spelen van Parijs in 1924. Daar wonnen zij brons. Die medaille kan hij niet laten zien. “Die ben ik kwijtgeraakt, ook dat diploma. Ach, je weet hoe het gaat. Ik was nog alleen. Dan woon je hier, dan daar. Ik heb wel een replicaatje gekregen van Anton Geesink.” Met zijn oude mixpartner belt hij nog af en toe. Zij is 91.

Veel heeft hij niet meegekregen van die Spelen. “Je merkte het niet aan de sfeer in de stad. Parijs bleef toch Parijs. Ze maakten er ook niet zoveel ophef van als nu. We zaten in een hotel met de ruiters, maar die zaten de meeste tijd bij hun paarden. Als je zelf de hele dag op de baan bent, zie je niks. In 1928 te Amsterdam heb ik de Spelen wel beleefd. Helaas stond tennis toen niet meer op het programma (kwam pas in 1988 weer terug, red.) Of ik dan weer een medaille zou hebben gehaald, weet ik niet. Alleen het meedoen had ik al leuk gevonden.”

In 1933 begon hij een maatschappelijke carrière als agent bij een grote assuradeur. “Ik heb nooit mijn geld verdiend mèt tennis, maar wel dóór tennis. Ik had er alle belangrijke kerels door leren kennen en had zo een goede entree. Ik heb nooit voor een loketje hoeven wachten. Henk Timmer kon altijd meteen doorlopen.” Hij bleef tot op hoge leeftijd in de verzekeringen.

Tot voor enkele jaren sportte Timmer nog. “Het voetenwerk wil niet meer. Als ik nu 25 meter loop, verrek ik al van de pijn in mijn poten. Ik heb geen zin er als een kruk bij te lopen, dus ben ik maar gestopt. Op zich zou ik graag nog willen golfen, maar dat kan niet meer. Dat hebben we gehad.”

Hoewel hij niet meer in de sportwereld actief is, kent hij toch alle belangrijke Nederlandse tennissers van nu persoonlijk. “Ik kan geen auto meer rijden, maar de bond is altijd vreselijk goed voor me. Bij alle Daviscup-wedstrijden in Nederland komen ze me halen en brengen. En dan spreek ik ook met de jongens.”

“Krajicek was altijd een zeer wisselvallige jongen. Maar nu lijkt het een andere vent geworden. Vroeger bewoog hij slecht en liet hij snel het koppie hangen. Maar nu gaat hij winnen, wat ik je zeg. Geen vent die tegen hem op kan.”

Deel dit artikel