Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

... werd Nederland een republiek genoemd

Home

Jan Kuijk

Op vrijdagavond 29 januari 1998, aan de vooravond van de zestigste verjaardag van zijn vrouw, verraste prins Claus de Duitse televisiekijker met zijn vaststelling dat Nederland een republiek is, met als enig onderscheid van al die andere republieken dat hier het ambt van president erfelijk is.

Dat was een geruststellende mededeling, in zoverre dat de Nederlanders die de volgende dag de echo van de prinselijke uitspraak in hun dagblad terugvonden, opgelucht konden concluderen dat er op Huis ten Bosch tenminste één bewoner is die 's avonds aan de open haard geen televisie kijkt maar een ingebonden jaargang van Potgieters maandblad 'De Gids' uit de kast haalt om daarin wat te bladeren en te lezen. Want de bron voor Claus' uitspraak ligt in de beschouwing 'De Tweede Kamer en de staatsbegrooting' die de schrijver en Gidsredacteur Conrad Busken Huet in 1865 in het januari-nummer van het maandblad had laten afdrukken met als conclusie: 'Men moge het beklagen of er in roemen, Nederland is feitelijk sedert 1848 eene demokratische republiek met een vorst uit het Huis van Oranje tot erfelijk voorzitter'.

De tijden zijn veranderd. Claus kon ongestraft Busken Huet citeren (zonder bronvermelding overigens), maar de meerderheid van de Gids-redactie heeft 137 jaar geleden Busken Huet zelf na publicatie van zijn artikel gedwongen af te treden als redacteur. Dat was niet alleen om deze zinsnede. Er was meer aan de hand.

In hetzelfde januari-nummer van 'De Gids' stond ook onder de titel 'Een avond aan het Hof' een bespreking door Busken Huet van 'Aurora', een jaarboekje voor 1865 met proza- en poëziebijdragen van onder andere Beets, Ter Haar, Hasebroek en Ten Kate - de bloem van de toenmalige dominee-dichter generatie. Het boekje was 'met verschuldigde hoogachting eerbiedig opgedragen' aan koningin Sophie - de eerste echtgenote van koning Willem III. Die opdracht had Busken Huet, door de kwaliteit van de bijdragen geërgerd, op het idee gebracht zijn bespreking de ongebruikelijke vorm te geven van een verhaal, een soort novelle, waarin koningin Sophie en vier - met name genoemde - hofdames sprekend worden opgevoerd en zich vermaken over de knulligheid van de bijdragen in dit jaarboekje.

Dat was hard aangekomen bij de redacteuren die tevoren geen kennis hadden kunnen nemen van de tekst, met uitzondering van Potgieter die erg ingenomen was met de bijdrage en deze op eigen gezag naar de zetterij had gestuurd. De schok werd nog verhevigd doordat L. N. graaf van Randwijck, 'grootmeester van 's Konings Huis, dienstdoende bij H. M. de Koningin' vrijwel onmiddellijk liet weten: 'H. M. de Koningin, kennis bekomen hebbende van zeker in de 1ste aflevering van 'de Gids' opgenomen, hoogst opgepast opstel, getiteld 'Een Avond aan het Hof', waarvan de schrijver met schending van den eerbied aan Hare Majesteit verschuldigd, zich niet heeft ontzien de Koningin met Hare Hofdames handelende en sprekende te doen optreden, heeft den ondergeteekende gelast aan Uwe redactie de uitdrukking van Haar ernstig ongenoegen te doen toekomen wegens het opnemen in Uw tijdschrift van bovenvermeld opstel'. Majesteitsschennis dus.

Maar ach - dat bleek nog niet het ergste. Het zwaarste op de maag van Huets (liberale) mede-redacteuren lag de beschouwing over de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer, door Huet eerder bedoeld als literaire dan als politieke bijdrage. Hij wilde alleen het gebrek aan welsprekendheid van de Kamerleden gispen. Een beetje naïef van Huet was dat wel, want aan het slot van zijn beschouwing moest vooral Thorbecke het ontgelden. 'Uit het oogpunt van stijl gezien is elke redevoering van den heer Thorbecke (...) overdreven gesproken, een geniale kakographie. Het krielt er van ongrammatikale beknoptheden, van grooter en kleiner geweldenarijen aan de taal gepleegd. (...) De heer Thorbecke is zoo bevreesd voor het euvel der breedsprakigheid, dat hij er kortademig door wordt.'

Wellicht was dat alles nog te vergeven geweest (Huet had in elk geval nog het adjectief 'geniaal' meegegeven aan Thorbecke's wartaal) - ernstiger was in de ogen van zijn collega's dat hij Thorbeckes karakter als politicus in twijfel trok. De minister had zich op een gegeven ogenblik in het debat afgevraagd 'waar en wanneer heb ik ooit het woord of het begrip van volkssouvereiniteit ingeroepen?' Het zou best kunnen zijn dat Thorbecke dat woord 'misschien te allen tijde en dan ook ten ontijde voor zich zelven heeft gehouden', maar 'het beginsel heeft hij ingeroepen van het oogenblik af dat hij zijn staatkundige hervormingstaak aanvaard heeft tot op den huidigen dag; bij l de door hem voorgedragen wetten (...) Demokratie, volkssouvereiniteit; kleeft er smaadheid aan die woorden? Zoo wees een man en draag die smaadheid.'

Hier werd de majesteit van Thorbecke geschonden en dat was erger dan de majesteitsschennis van koningin Sophie, waarmee men hoogstens een beetje in de maag zat. Er ontstond een heuse rel binnen de Gids-redactie, waarbij de gebeurtenissen zich razend snel opvolgden en over en weer met ontslag werd gedreigd. Het einde was dat Huet half januari zijn ontslag nam als Gids-redacteur en later in de maand zelfs van verdere medewerking afzag, hoewel hij het honorarium voor zijn bijdragen eigenlijk niet kon missen en juist veel plannen had voor verdere publicaties.

Potgieter was solidair en trok zich op 15 januari 1865 eveneens terug uit de redactie van het blad dat hij 27 jaar eerder had opgericht. Hij had Huet van het begin af aan gesteund, was ingenomen met Huets verfrissende en jongensachtige aanpak en had beide stukken zonder overleg met de andere redacteuren naar de zetterij gestuurd. Hij had Huet ten overvloede nog van allerlei opmerkingen en citaten voorzien (zelfs de moeite genomen een hele pagina van Goethe over te schrijven - hoe heeft de mensheid ooit zonder kopieermachines kunnen leven?) om het allemaal nog mooier en prikkelender te maken. Diezelfde 15de januari schreef hij Huet op de rel terug ziende: 'Ik heb er geen berouw over, geduldig twee weken te hebben geleden, ik heb vollen vrede met de stap van Zondag en het einde'.

Terug naar Huets en Claus' erfelijk voorzitter van de Nederlandse republiek. Huet wist over hem dat deze 'koning bij de gratie Gods' werd genoemd, maar - zo voegde hij daaraan toe - hij was dat toch 'in geen anderen zin dan waarin ook 's konings kleedermaker aan de goddelijke genade het aanzijn dankt'. Een goed calvinistische gedachte, want in het huwelijksformulier van de hervormde kerk werd de bruidegom al een paar eeuwen opgeroepen 'getrouwelijk en naarstiglijk in uw goddelijk beroep te arbeiden'. Koning of kleermaker - beiden moeten het van de goddelijke genade hebben. Niks droit divin.

Deel dit artikel