Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’We waren in die tijd zo’n beetje getrouwd’

Home

door Harriët Salm

Wat is het geheim van de goede docent? Trouw ontrafelt het aan de hand van een serie dubbelinterviews met bekende Nederlanders en hun favoriete docent van vroeger. Vandaag: winnares van de publieksprijs voor de Preek van het Jaar, Abeltje Hoogenkamp, en haar docent Oudgrieks bij de vooropleiding theologie in Amsterdam, Omert Schrier.

’Hij is een docent in de meest zuivere vorm”, zegt predikante Abeltje Hoogenkamp lachend. „Ook in het karikaturale, toch, Omert?’ Omert Schrier: „Leef je uit, meid.”

„Je had altijd zo’n C & A-pak aan, met een das”, vervolgt Hoogenkamp. Schrier: „Pakken van C & A? Zeker niet. Ik kocht mijn pakken bij een speciale zaak in Hillegom. Maar het is waar, ik vond uit respect voor mijn studenten dat ik er altijd een beetje klassiek uit moest zien; correct. Al lopen collega’s in trui of korte broek, ik zal dat nooit doen.”

Er wordt veel gelachen tijdens deze ontmoeting tussen dominee Abeltje Hoogenkamp, die in mei de publieksprijs won bij de verkiezing van de Preek van het Jaar, en haar vroegere docent Oudgrieks, Omert Schrier. Hij is haar favoriete docent omdat hij ’liefde voor zijn vak en aandacht voor zijn studenten had’. Maar er was meer. „Wat in de joodse traditie gein wordt genoemd”, zegt Hoogenkamp: humor. Schrier: „Augustinus noemt dat ’hilaritas’, ’opgewektheid’. Ik trad altijd, zonder moeite, mijn studenten opgewekt tegemoet.”

Schrier doceerde Oudgrieks op de vooropleiding van de theologische faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Wie de kerkelijke opleiding wilde volgen om dominee te worden en op school geen Grieks had gehad, kwam bij hem terecht. Zo ook Hoogenkamp. Van 1995 tot 1997 volgde zij met slechts twee andere leerlingen drie keer in de week de lessen van Schrier. Ze had korte tijd rechten gestudeerd en stapte over naar theologie.

Ze leerden elkaar goed kennen, vertelt ze. „We zaten met vier mensen rond een tafel, de knieën tegen elkaar. We waren in die tijd zo’n beetje getrouwd.”

Hij was een veeleisende leraar. „Hij was precies wat ik op dat moment nodig had. Ik was net bevallen van mijn tweede kind, dat slaapproblemen had. Na mijn eerste kind studeerde ik nog rechten, moest ik me met een huilende baby met ondernemingsrecht bezighouden. Dat ging dus niet. Maar dat Grieks in het klasje van Omert: zelfs met een hoofd vol slaap kon ik nog best een paar regeltjes vertalen.”

Schrier: „Ik snap dat wel, er zit veel structuur in de taal.” Hoogenkamp: „Maar de regelmaat in lessen was ook een soort prettige sleur. Die had ik nodig.”

Hij let op details, zegt zij. „Waarom verdwijnt die en die klinker uit het Grieks in die en die eeuw? Daar hielden we ons mee bezig. Hij was ook best schools in zijn aanpak. Het was grappig om op je 24ste opeens weer Griekse woordjes te moeten leren en op je donder te krijgen als je ze niet kende.”

Schrier: „Hé, hé, dat is niet waar.”

Hoogenkamp: „Je zei dan: ik ben niet boos, maar wel verdrietig.” En legendarisch was de opmerking van Schrier tegen iemand die te laat kwam: ’Ik ben zelf als student ook een keer absent geweest, maar vaker moet het toch niet worden’. „Hij was erg, hoor: als je een foutje maakte ging hij altijd uitzoeken hoe dat kwam, tot je er gek van werd. Vijf minuten doorpraten over een stukje grammatica dat ik toch niet helemaal begrepen had. Jij kroop echt door het hoofd van een ander.”

Schrier: „Ik vind het leuk om dingen helder te krijgen. Maar uiteindelijk ging het natuurlijk wel om de grote vragen die in de Griekse teksten worden gesteld en niet om de grammatica. Dat zijn levensvragen als ’Waarvoor leef ik?’. Dat is wat het vak zo leuk maakt.”

Hij herinnert zich Hoogenkamp als ’vrolijk en slim’. „Ik zag natuurlijk wel dat ze moest vechten om het te kunnen halen, met een jong gezin thuis. Maar desondanks zette ze door.”

Hoogenkamp komt uit een familie vol dominees, een reden voor haar om vooral géén theologie te gaan studeren. „Het was biografisch bezet gebied: mijn vader, mijn opa, mijn tantes – ze waren die weg al gegaan. Het leek mij te lastig om daarin nog mijn eigenheid te vinden.”

Tijdens de vooropleiding in Grieks werd haar steeds duidelijker dat het haar roeping wel was. Dat verbaasde haar leraar niets. „Abeltje is heel sociaal, heeft oprechte aandacht voor mensen.”

Hoogenkamp denkt dat ze in de periode dat ze van hem les had, haar weg gevonden heeft. „Ik dacht altijd: ik ben niet gedisciplineerd genoeg voor dat Grieks, al dat gepriegel met die teksten. Maar dat is doorbroken.” Zij had zijn vak nodig om predikant te kunnen worden. „Omert is een stukje geworden op mijn weg daarheen. Daarna kon ik de kerkelijke opleiding gaan doen.”

Het hoort bij een docent om leerlingen af en toe ’een beetje moed te geven’, zegt Schrier. „Grieks is moeilijk.” Hij deed dat moed geven altijd op eenzelfde manier, lacht Hoogenkamp. „Als je vertaling een enorme zooi was, dan zei hij: je hebt veel goed, maar laten we even naar een paar kleinigheden kijken. Dan kwam het.”

Hoogenkamp kijkt met veel plezier op deze periode terug. Tijdens de lessen ging het niet alleen over de Griekse oudheid, maar ook over hun privé-leven, de faculteit, de politiek. Zij is bewust jong aan het moederschap begonnen en vond de combinatie van een jong gezin met studeren ideaal.

„Het bevredigde mijn behoefte om te midden van de fruithappen ook mensen ouder dan vier jaar intensief te kunnen spreken.”

Schrier begrijpt dat. De theologische faculteit had in die jaren grote aantrekkingskracht op echte zoekers in het leven. „Mensen die niet kozen voor een studie die het grote geld oplevert, maar voor zingeving. Veel daarvan kwamen van buiten de kerk, ze shopten langs verschillende kerken in Amsterdam. Dat vond ik wel grappig.”

Zelf kwam hij uit een klassiek gereformeerd milieu. „Daar gold: wij hebben gelijk en anderen niet. In de loop der jaren ben ik opener geworden en die waarheid gaan nuanceren. Daar heeft het contact met studenten zeker een rol in gespeeld.”

Hoogenkamp schrikt ervan. „Je bent toch niet ineens een volgeling van Kuitert?”, zegt ze, verwijzend naar de oud-hoogleraar van de Vrije Universiteit, die onder meer stelt dat het christelijk geloof een menselijke constructie is. Schrier: „Nee, met Kuitert ben ik het niet eens. Hij probeert van het geloof te redden wat de ratio nog acceptabel vindt. Voor mij draait het om gevoel voor het mysterie en de hoop die dit geeft.”

Toch ging een preekwedstrijd Schrier te ver. „De boodschap leent zich niet voor een wedstrijd. In een preek moet het gaan over de grote vragen van het leven: welke hoop heb je, waar leef je voor. Die vragen kun je niet in wedstrijdvorm gieten. Als je probeert de eerste prijs te halen, kan dat ertoe leiden dat je grote woorden gaat misbruiken, maar dat heeft Abeltje gelukkig niet gedaan.”

Want toen de wedstrijd er toch kwam: „Toen was ik natuurlijk wel voor háár.”

Hij heeft de wedstrijd via krant en televisie gevolgd. „De opbouw van haar preek was goed, ik voelde me erg aangesproken. Ze heeft terecht gewonnen. Ze is een topper, hoor. Dat komt door haar betrokkenheid bij mensen – ze is in haar preken een echte vertaalster van het heden geworden.”

Schrier is eind jaren negentig uit boosheid met de vut gegaan, maar met Hoogenkamp en andere studenten heeft hij altijd contact gehouden. Een fusie maakte dat theologie als onafhankelijke studie verdween van de UvA.

„Een groot verlies voor de universiteit. Ik heb een prachtig afscheid gehad en weet u wie dat geregeld had?” Hij wijst naast zich: „Inderdaad: Abeltje.”

Deel dit artikel