Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Negeer te stellig opvoedadvies’

Home

Elke van Riel

Een consultatiebureau in de Flevopolder, 1963. 'Wij vinden veel opvoedadviezen van vijftig jaar geleden vermakelijk, maar ik denk dat ze over vijftig jaar ook smakelijk lachen om onze adviezen.' (FOTO HENK JONKER, MAI)

Knuffel een baby zo weinig mogelijk, anders raakt hij maar verwend. Niet lang geleden een gangbaar opvoedadvies, nu vinden we dit absurd. „Opvoedadviezen verschillen sterk per tijd en cultuur.”

Troost huilende kinderen ’s nachts niet met een fles melk. En laat kinderen ook niet in het ouderlijk bed slapen. Zomaar twee adviezen van het consultatiebureau die beginnende ouders met nachtbrakend kroost tot wanhoop kunnen drijven.

René van der Veer, die zich als bijzonder hoogleraar in Leiden verdiept in geschiedenis van de pedagogiek, biedt enige verlichting. „Je kunt stellige opvoedadviezen gerust relativeren.” Dat doet hij ook in zijn boek ’Opvoeden door beginners. Zin en onzin van opvoedadvies’ dat deze week verschijnt. Zijn boodschap: opvoedadviezen zijn sterk tijd- en cultuurgebonden.

„Er zitten altijd culturele vooronderstellingen achter opvoedideeën. Wij richten nu voor duizenden euro’s een kinderkamer in en houden contact via een intercomverbinding. Ouders uit andere culturen slaan daarvan steil achterover: zo’n kwetsbare baby hoort bij zijn moeder!” Een baby in een eigen kamer laten slapen, is een redelijk recent verschijnsel: pas zo’n honderd jaar geleden ontstond het idee dat dit de zelfstandigheid zou vergroten.

Is deze gedachte al discutabel, veel opvoedadviezen berusten volgens Van der Veer zelfs op fantasie. „Zo beweert Penelope Leach, schrijfster van bestseller opvoedboeken, dat je kinderen die in bed plassen na het avondeten vooral geen vocht moet weigeren. Juist een kind dat dorst heeft, plast volgens haar in bed, omdat het steeds aan drinken denkt... Als je zoiets leest, moet je je afvragen: hoe zou ze dat weten? Dat kun je niet weten. Biologisch gezien is het ook een dwaze theorie.”

Stellige opvoedadviezen zijn volgens hem sowieso niet op z’n plaats, omdat die slechts zelden gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Grote dubbelblinde onderzoeken – met twee groepen die een verschillend advies volgen – zijn bij opvoeden nou eenmaal niet mogelijk.

Opvoeddeskundigen moeten benadrukken dat er verschillende benaderingen mogelijk zijn – alleen al omdat kinderen onderling verschillen – en niet zeggen: zó moet het.

Dat laatste gebeurt naar zijn idee nog te veel. Toen hij met zijn zoons, inmiddels 18 en 20, bij het consultatiebureau kwam, kreeg hij regelmatig adviezen waarover hij zich verbaasde. „We moesten ons zoontje op z’n buik leggen. Dan zou hij z’n hoofdje optillen en z’n nekspieren leren gebruiken.” Van der Veer laat met een glimlach zijn hoofd slap opzij bungelen. „Ik heb nooit een volwassenen gezien die dat niet kon. Voor de motorische ontwikkeling van baby’s is gerichte gymnastiek niet nodig.”

Van collega’s met jonge kinderen hoort hij nog steeds dit soort verhalen. „Pas sprak ik een moeder die voorstelde haar kindje van twaalf maanden eens op het potje te zetten. Dat mocht helemáál niet van het consultatiebureau: het zou alleen maar averechts werken. Maar kinderen kunnen wel degelijk zindelijk zijn met één jaar.”

Van der Veer heeft brochures van consultatiebureaus verzameld en vroeg zich voortdurend af: waar komt dit advies vandaan? „Ik heb honderden artikelen uit de vakliteratuur uitgeplozen. Maar met betrekking tot de meest eenvoudige zaken, zoals huilen, tasten we nog altijd in het duister over wat de verklaring – en dus de beste aanpak – is. Als een baby erg veel huilt, zou dat komen door krampjes. Maar dat is slechts een hypothese. Net als het idee dat het komt door overprikkeling, of juist door verveling.”

Huilen werd tot halverwege de vorige eeuw gezien als niet meer dan het oefenen van de longen. Ouders die toegaven aan de impuls hun huilende baby te troosten, hadden last van ’apenliefde’.

Ook vandaag de dag lopen de meningen over de vraag hoe te reageren op veelvuldig huilen sterk uiteen. „Er zijn twee kampen. Het ene zegt dat moeder en kind een symbiotische eenheid zijn: als de baby huilt, moet de moeder meteen reageren anders raakt de baby volledig gestresst, waarschijnlijk met blijvende gevolgen. Het andere kamp zegt dat baby’s hun gemak moeten houden en dat het niet erg is als ze een half uur huilen.” Ter relativering: „Ik geloof niet dat we de volwassenen kunnen aanwijzen die als kind niet getroost zijn.”

Opvallend is wel dat bij natuurvolkeren de helft minder wordt gehuild en huilbaby’s niet voorkomen. Baby’s ronddragen, veelvuldig voeden en aandacht geven is daar de aanpak. Pleit dat niet voor ’natuurlijker opvoeden’? „Dat zou je kunnen zeggen. Er zijn groepen die dat voorbeeld volgen, maar het is niet voor iedereen haalbaar. Zo zit onze maatschappij niet in elkaar. Werkende ouders kunnen niet de hele dag met een draagzak rondlopen.”

Bij natuurvolkeren is zindelijkheid met één jaar normaal. Zij steken veel tijd in training. „Als je je kind ’s ochtends om half acht naar het kinderdagverblijf moet brengen, ís die tijd er niet. Dan ben je blij met pampers. Ook al betekent dit dat kinderen soms pas met vier jaar zindelijk zijn.”

Deskundigen bedenken vaak theorieën om de praktijk te onderbouwen, constateert Van der Veer. „Zo wordt beweerd dat de zenuwbanen naar de sluitspieren nog niet rijp zijn bij jonge kinderen. Dat is aantoonbaar onjuist.” Een ander voorbeeld: „Toen in Engeland in de Tweede Wereldoorlog veel mannen naar het front vertrokken en moeders massaal in de industrie gingen werken, stond opeens in de opvoedboeken dat crèches juist goed waren voor de sociale ontwikkeling. Toen de mannen na de oorlog terugkwamen, kwam het accent in de opvoedadviezen weer te liggen op: een kind heeft z’n moeder nodig.”

Natuurlijk is er op sommige gebieden sprake van voortschrijdend inzicht, erkent hij. „Denk vooral aan het belang van hygiëne: flessen uitkoken en handen wassen na toiletgang hebben gezorgd voor een enorme afname van kindersterfte. Consultatiebureaus zijn heel goed geweest voor dit type voorlichting en om de ontwikkeling van een kind regelmatig te checken. Maar vanaf 1920 trekken ze pedagogisch gezien een te grote broek aan. Toen kwam sterk het idee op dat opvoeden te moeilijk is voor ouders en dat zij daar deskundige hulp bij nodig hebben.”

Moeten alle opvoedboeken dan maar bij het oud papier? „Nee, dat niet, maar laat je niet meeslepen door zo’n enorm stellig boek. En beperk je niet tot slechts één boek, vergelijk ze met elkaar.”

Bovendien zullen de inzichten weer veranderen, is de overtuiging van Van der Veer. „Wij vinden veel opvoedadviezen van vijftig jaar geleden vermakelijk, maar ik denk dat ze over vijftig jaar ook smakelijk lachen om onze adviezen en om wat wij niet wisten.”

Deel dit artikel