'Nederland heeft geen visie op de globaliserende wereld'

home

Christoph Schmidt

Duurzaamheid kan goed samengaan met groei, zoals hier bij een recyclingbedrijf in Nigeria. © Reuters

INTERVIEW - Een nieuwe Nederlandse visie op ontwikkelingssamenwerking? Daar heeft Nanno Kleiterp, directeur van ontwikkelingsbank FMO, geen lijvig rapport voor nodig. Hij heeft die visie in zijn Haagse werkkamer in een paar seconden geschetst, op de achterkant van een uitgeprint e-mailtje.

Het is een simpele driehoek: economische groei, bestrijding van armoede en ongelijkheid, en duurzaamheid. "Dáár zou het over moeten gaan. En niet over het al dan niet vasthouden aan 0,7 procent van het nationaal inkomen."

Winstmakende onderneming
De Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden is een belangrijke speler op ontwikkelingsgebied, met een investeringsportefeuille van 5,9 miljard euro in 2011. De ontwikkelingsbank, voor 51 procent in handen van de Staat, is vanaf de oprichting in 1970 een winstmakende onderneming.

Van 1991 tot 2005 kreeg de FMO elk jaar 35 miljoen van de overheid. Het totaal van 650 miljoen (inclusief rente) is door herinvesteringen en positieve rendementen bijna verdrievoudigd tot 1,7 miljard. Sinds 2005 heeft de FMO dan ook geen cent overheidsgeld meer nodig.

Angst
Kleiterp wordt niet gelukkig van het huidige debat over ontwikkelingssamenwerking. "Het gaat vooral over de internationale positionering van Nederland en het beroep dat wordt gedaan op de moraliteit; dat we moeten geven, want we zijn toch fatsoenlijke mensen. Ten tweede wordt er gehamerd op het huidige concept van de officiële ontwikkelingshulp door de overheid. 'Het mag niet anders, want dat is immoreel', krijg je dan te horen."

Volgens de FMO-directeur komt deze starheid voort uit angst, gevoed door het gebrek aan een nieuwe ontwikkelingsagenda. "De boodschap is: 'We moeten het oude vasthouden want we hebben nog niks nieuws.'"

En waar hebben we het eigenlijk over? Die traditionele, officiële ontwikkelingshulp, die in Nederland nog op 0,7 procent van het nationaal inkomen ligt, is wereldwijd goed voor slechts 10 procent van de totale geldstromen naar ontwikkelingslanden. "Die andere 90 procent vinden we kennelijk niet relevant."

Geen geld en geen visie
In deze sfeer zal het kabinet waarschijnlijk een fors bedrag bezuinigen, mogelijk een kwart van het huidige budget van 4,4 miljard. "Dat is het grote gevaar", zegt Kleiterp.

"Als je krampachtig vasthoudt aan een percentage (de veelbesproken 0,7 procent, red.), en geen discussie wil aangaan over een nieuwe visie, verlies je juist alles. Je hebt ondertussen geen agenda maar bent wel het geld kwijt. De vraag moet zijn: hoe staat Nederland in een globaliserende wereld? We zijn een open economie, erg afhankelijk van anderen, maar intussen hebben we nog steeds geen visie op die wereld ontwikkeld."

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid kwam begin 2010 met een alom geprezen advies over ontwikkelingshulp, dat de basis vormt voor het beleid van staatssecretaris Knapen. "Duurzaamheid zou daarin veel centraler moeten staan", vindt Kleiterp. "De officiële ontwikkelingshulp - het geven - is nog steeds het uitgangspunt. Maar dat is wat geweest is."

Investeren
Niet geven maar investeren, is Kleiterps motto. "De ontwikkelingssamenwerking zoals ik die zie moet gelijkwaardig zijn, zakelijk en met passie." De rol van de overheid moet niet meer die van gulle gever zijn, maar van katalysator: "Partijen bij elkaar brengen, het goede voorbeeld geven en op een slimme manier investeren. Stimulerende maatregelen zijn belangrijker dan geld. En dan hebben we het dus ook niet meer over die 0,7 procent-discussie."

Volgens Kleiterp kan de overheid heel wat leren van de grote Nederlandse multinationals als AkzoNobel, Ahold, DSM en Unilever, die een duurzame visie hebben voor hun internationale strategie. "Nederland loopt daarin voorop", zegt Kleiterp. Hij is minder te spreken over pensioenfondsen, die met een grote boog om Afrika heen blijven lopen omdat investeren daar te riskant zou zijn. Een misverstand, gebaseerd op een gedateerde perceptie. "Onze rendementen in Afrika zijn inmiddels net zo hoog als die in Azië en Latijns-Amerika."

De heilige 0,7 procent

Het idee om rijke landen een bepaald percentage van hun nationaal inkomen te laten spenderen aan ontwikkelingshulp, is van de Wereldraad van Kerken. Die kwam in 1958 met een streefcijfer van 1 procent.

In de jaren zestig probeerden internationale organisaties consensus te krijgen over zo'n verplichting. De Nederlandse econoom Jan Tinbergen speelde daarin een hoofdrol. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nam in oktober 1970 een resolutie aan die rijke landen verplichtte om uiterlijk in 1975 op 0,7 procent uit te komen.

Zweden was in 1974 de eerste die dat lukte, gevolgd door Nederland (1975), Noorwegen (1976) en Denemarken (1978). In 2000 kwam Luxemburg erbij. Bij die vijf kleintjes is het gebleven. Gemiddeld bleven de traditionele rijke industrielanden in 2011 gezamenlijk steken op 0,3 procent.

En waar Nederland door een nieuwe bezuinigingsronde mogelijk voor het eerst in 37 jaar onder de 0,7 procent gaat duiken, spannen onder meer België en Groot-Brittannië zich juist in om het streefcijfer eindelijk te gaan halen.

Lees verder na de advertentie

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie