Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Misschien gaat iedereen net even naar het toilet'

Home

ANDREA BOSMAN

In de tweede tekenfilm van cabaretier Herman Finkers zijn naast historische figuren uit het werk van Shakespeare ook Ruud Lubbers, Seth Gaaikema en wijlen Ien Dales te bewonderen. Volgende week zaterdag te bezichtigen bij de Vara: Macbeth als een hoop onderhoudende onzin.

De een vindt het prachtig, de ander heeft er na twee zinnen al genoeg van. Of het nu het 'Carnaval der Dieren', het kerstverhaal, of een klassieker van Shakespeare is, overal waar Herman Finkers zich op stort blijft uiteindelijk hetzelfde over: een flinke dosis meligheid en de inmiddels bekende Twentse humor. Nu heeft hij het bloedige Shakespeare-drama Macbeth in een 'Finkeriaanse' tekenfilm voor de televisie omgetoverd. 'Zeer vrij naar Shakespeare', waarschuwt Finkers de kijkers van te voren al. Dat hij niet in het bijzonder van Shakespeare en eigenlijk ook niet van tekenfilms houdt, mogen we als 'typisch Finkers' beschouwen.

In het klassieke drama van William Shakespeare slaat de hoogmoedige en ambitieuze Schotse edelman Macbeth de voorspellingen van drie heksen in de wind: als hij niet oppast zal zijn zucht naar macht hem duur komen te staan. En zo geschiedt. Macbeth, die de goede koning Duncan vermoordt om zelf koning te kunnen worden, wordt aan het eind van het drama ter dood gebracht. Maar niet voordat Macbeth de kwellingen van zijn geweten heeft moeten ondergaan.

Die verhaallijn houdt Finkers in zijn versie redelijk in stand, al verandert de moralistische boodschap van Shakespeare bij Finkers in een hoop onderhoudende onzin, heet de giftige vrouw van Macbeth geen 'Lady Macbeth' maar 'Salmonella', en wordt Macbeth niet gedood door de heldhaftige Malcolm maar door 'Prins 6' (spreek uit: prins-ses), een klein, jarretel-dragend prinsje met hazetanden.

'Macbeth' is de tweede tekenfilm die Finkers samen met animator John Croezen en broer Wilfried heeft gemaakt. De grootste eer komt Croezen toe, vindt Finkers, die zichzelf meer als 'etiketje' beschouwt. Zes jaar geleden bewerkten zij gedrieën het kerstverhaal tot het in Twentse contreien inmiddels klassiek geworden 'Kroamschudd'n in Mariaparochie'. Elk jaar rond kersttijd wordt dit absurde kerstverhaal op de regionale televisie vertoond. Net als 'Kroamschudd'n' (op kraamvisite gaan) was Macbeth oorspronkelijk onderdeel van een van Finkers' theaterprogramma's.

In 'De zon gaat zinloos onder, morgen moet ze toch weer op' speelde Finkers zelf alle rollen uit Macbeth, inclusief die van koning Duncan en Salmonella. Dat Macbeth destijds in zijn theaterprogramma belandde, was eigenlijk een kwestie van toeval. Want Finkers is geen uitgesproken Shakespeare-kenner of liefhebber. “Ik schrijf de teksten voor mijn programma's altijd samen met mijn broer Wilfried”, vertelt Finkers na de presentatie van 'Macbeth' in een studio-ruimte van Radio-Oost in Hengelo. “Wilfried kwam ineens met een hoop grappen over de middeleeuwen waar enge heksen en veldslagen in voorkwamen. Ergens kwam het ons bekend voor, tot we er achter kwamen dat het wel heel erg op 'Macbeth' leek. Alle grappen pasten daar precies in, vandaar.”

GALOPPERENDE LEGERS

De manier waarop hij het vertelt, met de onmiskenbare Twentse tongval en in korte, directe zinnen, doet het inderdaad allemaal heel vanzelfsprekend en praktisch klinken. Ook de tekenfilmbewerking van Macbeth heeft een praktische aanleiding. De Vara wilde 'De zon gaat zinloos onder...' op de televisie uitzenden, maar kon dat niet in z'n geheel doen. Het hele gedeelte met Macbeth werd voor de tv geschrapt, en besloten werd er een animatiefilm van te maken. Die stond in december 1992 al geprogrammeerd, zelfs aangekondigd in de tv-gids van de Vara, maar bleek niet op tijd klaar te zijn.

Finkers: “John Croezen had zich verkeken op het tijdschema. Ook wij dachten: de film duurt twee keer zo lang als 'Kroamschudd'n', dus wordt de produktietijd ook twee keer zo lang. Maar dat pakte geheel anders uit. Al die galloperende legers en de veldslagen met de Denen, dat was véél meer werk voor John dan het tekenen van zo'n kribbe met wat mensen eromheen. Bovendien is hij een perfectionist. De Vara heeft toen gezegd: we plannen de film niet in voordat ie definitief klaar is. Dat had als nadeel dat het hele seizoen toen al volgeboekt was.”

Nu valt de vertoning net buiten het tv-seizoen, en dan ook nog eens tussen twee uitzendingen van het wereldkampioenschap voetbal in. Een rare combinatie, Macbeth en het WK, maar Finkers vindt het eigenlijk wel leuk. “Misschien gaat iedereen dan net even naar het toilet.”

“Oorspronkelijk stond de film dus voor kerstmis op het programma, maar ik vind het geen kerstfilm. Macbeth, daar rust vooral in Engeland een enorme vloek op, terwijl kerst voor mij heilig is. Het verhaal besteedt aandacht aan het kwaad in de wereld, aan de honger naar macht, moord zit er in, egoïsme, en dat hoort niet echt bij kerstmis”, zegt Finkers, zijn katholieke wortels nooit verloochenend.

“Wie zich met Macbeth bezighoudt, krijgt ineens een hoop tegenslagen te verwerken, zo luidt het bijgeloof. En dat is tijdens het maken van de film ook wel gebleken. Hij was niet op tijd klaar en ook nu nog, bij het maken van kopieën ging er van alles mis: banden die stukgingen, de muziek die maar niet goed naast het beeld wilde lopen.”

Bij 'Kroamschudd'n' verplaatste Finkers het hele kerstverhaal zonder moeite naar het Twentse land. Dit keer heeft hij de originele lokatie gehandhaafd. “Het speelt in Schotland, dus dat is ook regionaal. Daarom hebben we het zo maar gelaten. We hebben wel heel lang zitten dubben over de stemmen en de accenten, want Macbeth moest een ruige stem hebben. Ik doe zelf wel veel stemmen, onder andere die van Salmonella, maar voor Macbeth vond ik mijn stem niet geschikt. Uiteindelijk werd het Jan Knollema, de directeur van de schouwburg van Delfzijl. Dat is een echte Groninger met een rauwe, zware stem, wat ik wel een goede vertaling vind van het Schotse accent: ruig en kaal, net als Schotland.”

Toch heeft hij wel een aantal 'Nederlandse' (niet eens Twentse) elementen in de film gestopt. Zo heet de hofnar, die vanwege zijn slechte grappen uiteindelijk op de brandstapel belandt, 'Mac-Gaaikema', waarmee niemand anders dan Seth Gaaikema bedoeld wordt. “Het is zeker niet mijn bedoeling om hem belachelijk te maken, hij wordt trouwens al zoveel gebruikt. Maar er is in Nederland slechts éé> en echte hofnar, en dat is Seth.”

Het publiek van Mac-Gaaikema bestaat uit een aantal duidelijk herkenbare Nederlandse politici en Finkers zelf, die stiekem de grappen van de hofnar noteert. Ruud Lubbers, Hans Alders, Relus ter Beek en zelfs wijlen minister Ien Dales schuddebuiken om zijn tergend flauwe woordgrapjes. “Dales was toen nog niet overleden, anders hadden we haar er uit piëteit niet in verwerkt. We hebben het maar zo gelaten, want aan de andere kant kun je het ook als een eerbetoon beschouwen.”

Op een ander terrein is de film wel aangepast. In een eerdere versie vloekt Shakespeare bij het voltooien van zijn meesterwerk er lustig op los. Dat vloeken is in de definitieve versie flink gematigd. “Niet omdat ik tegen vloeken ben, integendeel. Zelfs de paters bij ons op de HBS tilden er niet zwaar aan. Het gaat erom dat je in het theater veel grover moet werken dan op televisie; je moet harder praten, de dingen meer aandikken. Televisie is veel intiemer, kleiner. In een zaal kun je zoeken naar een krachtterm die precies goed is, zonder dat het over de rand gaat. Daar was dat 'godverdegodverdegodver...' precies geschikt voor. Op tv gaat het, zonder het gelach van publiek, net iets te ver”, verklaart Finkers, om vervolgens zijn definitie van 'leuk' uit de doeken te doen. “Leuk is niet dat je iets doet wat niet mag. Ik vind nooit iets zomaar leuk omdat het taboe-doorbrekend is, ik vind iets leuk omdat het leuk is.”

SCHOR HAANTJE

Finkers is erg enthousiast over de cartoon-achtige tekenstijl van John Croezen, die er van houdt kleine details voor de oplettende kijker aan te brengen. Zoals het schorre haantje, dat aan het begin van de film de dag aankondigt en op het eind droevig aan het spit hangt. “Er is een BBC-serie, 'The animated Shakespeare'. Dat zijn echt serieuze tekenfilms van de Shakespeare-drama's met een heel andere tekenstijl dan John heeft. Het ziet er allemaal wat science fiction-achtig en stijfjes uit. Daar houd ik helemaal niet van. Het is heel humorloos.”

“Eigenlijk hou ik helemaal niet van strips”, bekent Finkers. “Zelfs niet van films. Strips lees ik nooit, vroeger wel eens de Donald Duck, of Sjef van Oekel. Maar het begon ineens met 'Kroamschudd'n', dat ik als tekenfilm uiteindelijk beter vond overkomen dan als conference. Je kunt de kerstsfeer toch meer tot uitdrukking brengen met sneeuw en lichtjes. Het is ook echt een rollenspel en dan moest ik m'n eentje toch wel erg veel rollen spelen, zo van: 'Zeg Maria...' 'Ja Jozef?...' 'Kijk 'ns naar boet'n...' 'Wat is er dan?...”, doet Finkers voor, terwijl hij zijn hoofd beurtelings naar links en naar rechts draait, zonder zijn gelaatsuitdrukking wezenlijk te veranderen.

De laatste jaren beweegt 'grappenmaker' Finkers zich vaker buiten de paden van de theatershows. Zo speelde hij de rol van verteller in een speciale uitvoering van 'Het carnaval der dieren', waarvoor hij zelf de teksten schreef, maakte hij zoals gezegd eerder een tekenfilm en componeerde hij zijn eigen 'Sint Jorismis'.

Toch weigert hij zichzelf een 'veelzijdig talent' te noemen. “'Het carnaval der dieren' was misschien iets anders en die 'St. Jorismis' ook, maar voor de rest valt het wel mee. Uiteindelijk is deze tekenfilm een uitvloeisel van het theaterprogramma met vrijwel de letterlijke tekst. Wilfried en ik schrijven altijd voor het theater, nooit rechtstreeks voor tv. Ik schaaf altijd heel lang aan een tekst, ik moet het kunnen toetsen aan een zaal, omdat ik zelf niet weet of iets een goede grap is of niet.”

Zijn huidige theatershow, 'Dat heeft zo'n jongen toch niet nodig', is na meer dan driehonderd uitverkochte voorstellingen bijna van de planken. In december moet de nieuwe show klaar zijn. “Om te werken gaan we meestal met z'n vieren op saaie plekken zitten, dat is een soort traditie. Wilfried en ik lezen de grappen wel eens aan elkaar voor, maar dat werkt niet, we zijn niet goed als elkaars referentie-kader. Mijn impressario Erik Alferink is wèl heel erg geschikt, samen met Bram den Ronden, een vriend van vroeger. Dan gaan we naar zo'n saaie plek. Dat leidt het minste af en je hebt daar het meeste zin om iets komisch te bedenken. We hebben een keer met een passer het middelpunt van onze woonplaatsen uitgezocht. Dat bleek precies midden in de voormalige Noordoostpolder te liggen, in een héél klein gat met slechts één café, waar ze notabene nog aan het verbouwen waren ook. We bevonden ons tussen de bouwvakkers, konden nog net aan een tafeltje zitten midden in het lawaai. Wij vonden het erg komisch.”

Van het theater heeft hij nog steeds niet genoeg, sinds hij in 1975 zijn optredens als - per ongeluk - komische dichter op feestjes van vrienden begon. “Ik vind het ook heel leuk om een show vaak te spelen, langzaam verandert er iets. In het begin ben je heel erg met jezelf bezig, met de tekst en het verhaal. Nu ben ik volop aan het genieten van de zaal, die elke keer anders reageert.”

Finkers ziet zelf niet veel verandering in de aard van zijn theatershows. “De meligheid en de humor zijn eigenlijk precies hetzelfde gebleven, daar zit geen verschil in. Het is wel veel visueler geworden, er valt wat meer te zien. En ikzelf sta wel anders op het toneel. De broek past wat beter, ik beweeg me makkelijker.”

Deel dit artikel