Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Maung Mela was een moedig man’

Home

door Minka Nijhuis

Als jonge man ontsnapte de Nederlander Ferrie Portier uit een kamp voor dwangarbeiders aan de Burmaspoorlijn. Dankzij een Burmees dorpshoofd wist hij zich tweeënhalf jaar schuil te houden, tot Japanse militairen het dorp binnenvielen en zijn redder doodden. Portier vergat het nooit en keerde zestig jaar later terug naar het Burmese grensgebied.

Met een donkere pet en geleund op een wandelstok staat Ferrie Portier op een regenachtige middag op Schiphol. Hij draagt een blauwe stropdas met het logo van Bronbeek, het trefpunt en tehuis voor militaire veteranen.

Niets in zijn keurige, onbewogen uiterlijk doet vermoeden dat hij afreist voor een ontmoeting die hem tijdens zijn negentigjarige leven zo vaak bezig heeft gehouden. Met dochter Karen en twee kleindochters Kartini en Yanti vertrekt Portier naar de Thais-Burmese grens om de nazaten te ontmoeten van een man die hij ruim zestig jaar geleden in de jungle leerde kennen en aan wie hij zijn leven te danken heeft.

Maung Mela, het hoofd van een Karen dorp in Oost-Burma, nam Portier op nadat hij ontsnapt was uit het Japanse kamp voor dwangarbeiders aan de Burma-spoorlijn. De ogen van Portier lichten even op als zijn redder ter sprake komt. „Maung Mela was een moedig man”, zegt hij.

Het was een roerig gebied waar Portier na zijn ontsnapping in 1942 belandde. De etnische minderheid de Karen was in het conflict trouw gebleven aan de Britten. De Karen troepen leverden regelmatig strijd met de Japanners en de Burmaanse meerderheid, die aanvankelijk de zijde van de bezetters koos. Deels opereerden de Karen ook als roverbendes die dorpen overvielen.

Portier verbleef tweeënhalf jaar bij Maung Mela en zijn dorpsgenoten. Soms moest hij zich lange periodes verborgen houden voor de Japanners, maar hij vocht ook mee met de Karen. Hij leerde de taal en raakte zeer gesteld op het dorpshoofd.

Tweeënhalf jaar later vielen Japanse militairen het dorp binnen. Maung Mela kreeg de doodstraf. Portier werd afgevoerd en kwam in de gevangenis van Singapore terecht. Daar maakte hij een paar maanden later de capitulatie mee.

De dood van zijn redder bleef hem achtervolgen. Hij had gehoord dat Maung Mela levend verbrand was, destijds geen ongebruikelijke represaille voor wie verzet pleegde. Het dorpshoofd had geen kik gegeven, was hem verteld. De moed van Maung Mela en de andere Karen hadden zo’n indruk op hem gemaakt dat hij als eerbetoon zijn dochter naar hen vernoemde.

Portiers belevenissen in de jungle werden in de loop der jaren vertrouwde familie-anekdotes. Waar andere kinderen avonturen uit boeken voorgelezen kregen, groeiden dochter Karen en de kleindochters op met verhalen over de ontsnapping uit het kamp en de afscheidsmaaltijd die hij nuttigde met Maung Mela voordat deze werd gedood. Het laatste avondmaal, doopte de familie die herinnering.

Maar al werd er thuis over dat verleden en de oorlog gesproken zonder de taboes waarmee het onderwerp in veel andere gezinnen was omgeven, toch was de verhouding met het verleden niet zonder complicaties. Portier sliep met een sabel onder zijn bed en ook hield hij een pistool in huis. Hij was altijd op zijn hoede, net als destijds in de jungle. „Je moet snel zijn, anders ben je dood”, was zijn motto.

De sabel heeft hij nog steeds, het pistool gooide hij een paar jaar geleden op een nacht in de rivier. Het besef dat hij zijn leven aan de Karen te danken had, bleef. „Ooit, als de Karen vrij zijn neem ik je mee er naartoe”, zei hij tegen zijn dochter.

Maar hoe vaak ook de Karen ter sprake kwamen - eerst tijdens de naoorlogse jaren in Indonesië en later in het huis achter de dijk van Millingen - dat beloofde bezoek leek niet te realiseren. „Het gebied was nog altijd in oorlog. Het was te gevaarlijk”, zegt Karen.

Het oude voornemen kreeg een nieuwe impuls toen de familie via fotograaf Jan Banning en zijn project ’Sporen van oorlog’ (portretten van voormalige Nederlandse en Indonesische krijgsgevangenen die aan de spoorlijn in Burma en Noord-Sumatra hadden gewerkt) in contact kwam met Burma-deskundige Tom Kramer. Kramer beschikte over Karen contacten die bereid waren navraag te doen in het afgelegen oosten van Burma.

Op hun aanwijzingen reisden vader en dochter in 2004 met Kramer af voor een eerste zoekpoging. „Vanwege ons Indische uiterlijk konden we zelfs een gebied in waar buitenlanders niet mogen komen”, vertelt Karen. Een week vertoefden ze in een deprimerend onderkomen waar kikkers en muizen rondsprongen. Het regende onafgebroken.

Hun doorzettingsvermogen leverde in eerste instantie weinig op. Na hun thuiskomst bleek echter dat de tam tam zijn werk had gedaan. Via via kwamen er berichten van de kleinkinderen van Maung Mela. Ze waren dankzij verhalen van hun moeder op de hoogte van de geschiedenis van de ontsnapte Nederlander die een vriendschap met hun grootvader had opgebouwd. Ter herinnering had een van de kleinzoons zijn dochtertje zelfs Portier Mela genoemd.

Eind 2005 arriveerde een handgeschreven brief die het eerste directe contact tussen de Portiers en de nazaten van Maung Mela betekende. Daarin nam de vrouw van een van de kleinzoons vast een voorschot op het idee voor een ontmoeting. „I hope all of us will be able to meet eachother under the grace of God”, staat er in schoolse letters.

Na die brief bleef het een tijdje stil. Pas deze zomer bleek dat de familie naar een van de Karen kampen in het Thaise grensgebied was vertrokken. Net als tienduizenden anderen waren ze de onderdrukking, oorlog en de uitzichtloosheid in Burma ontvlucht. Een oudere broer verbleef al tien jaar in het kamp. Toen die informatie de Portiers bereikte, was het besluit hen op te zoeken snel genomen. „Gezien de leeftijd van mijn vader was het nu of nooit”, zegt Karen.

Na elf uur in het vliegtuig en een korte rust op de luchthaven van Bangkok, stapt Portier in de auto die hem naar de Burmese grens brengt. Hij valt met zijn kleine gestalte en tanig gekleurde huid nauwelijks uit de toon tussen de Karen chauffeurs die hem op komen halen. „Als ik hier een maand ben spreek ik weer Karen”, zegt hij tegen een van hen. Vanaf dat moment duiken af en toe flarden van de taal op uit zijn geheugen.

Ook nu de ontmoeting met de nazaten van Maung Mela heel dichtbij komt, blijft hij tamelijk nuchter. Concrete verwachtingen heeft hij niet. „Ik ken die mensen toch niet? Ik zie het wel”, zegt hij.

Dochter Karen en haar twee dochters wisselen wel overpeinzingen uit. Portier onderneemt de reis uit eerbied en uit schuldgevoel. Een pelgrimstocht die hij per se nog wil maken tegen het einde van zijn leven. Maar welke verwachtingen zal die ontmoeting bij de familie van Maung Mela creëren? vragen zij zich af. In hun bagage zitten cadeaus en souvenirs uit Nederland die met veel zorg zijn uitgekozen, maar wat zullen zij daadwerkelijk voor de vluchtelingen kunnen doen?

Geleidelijk verruilt de jungle van beton en reclameborden zich voor landelijker taferelen van rijstvelden, kokospalmen en kleine lage huizen. De tropische aanblik maakt bij Portier nieuwe herinneringen aan het verleden wakker.

Tijdens een van de stops vertelt hij over die fatale dag waarop de Japanners het dorp binnenvielen. Vervolgens werd Maung Mela in zijn hut gevangen gehouden, hijzelf werd vastgebonden onder de hut. „Als een beest.”

Een paar dagen later werd hun op verzoek van het dorpshoofd een gezamenlijke maaltijd toegestaan. „We aten kip”, zegt hij op stellige toon. „Maung Mela wist toen al dat hij dood zou gaan. Ik dacht dat ik ook gedood zou worden, al wist ik niet wanneer. Later dacht ik: hij is dood, maar ik niet. Zo reageerde je toen. Het waren andere tijden.” Hij is nauwelijks verstaanbaar en het klinkt alsof hij meer tegen zichzelf dan tegen zijn omgeving praat.

Het zijn gedachten die hij vaker uit, licht Karen later toe. „Hij heeft natuurlijk toch ook een schuldgevoel. En dat is niet alleen omdat hij het overleefd heeft, maar ook omdat hij in die periode heeft meegedaan aan een strijd waarvan ook burgers het slachtoffer werden. Hij is er niet helemaal zeker van hoe hij zal worden ontvangen.”

Negen uur later rijdt de auto Mae Sot binnen. In de afgelopen decennia heeft de Thaise grensplaats steeds meer een Burmees aanzien gekregen. Talloze migranten werken er als goedkope arbeidskrachten. Overal bieden Burmese handelaren, die voor een dag de grens over komen, edelstenen en andere gesmokkelde waren aan. Veel winkels hebben opschriften in krullende Burmese letters. Ook diverse Burmese oppositiegroepen, waaronder de Karen, hebben hun kantoren en huizen in Mae Sot.

De familie van Maung Mela logeert in afwachting van de komst van de Portiers in een van die onderkomens. Na veel geregel hebben ze van de Thaise autoriteiten toestemming gekregen het kamp, dat een volle dag rijden ten zuiden van Mae Sot ligt, een paar dagen te verlaten.

Op een kleine onopvallende binnenplaats staan ze de volgende ochtend al te wachten. Ze hebben zich voor de gelegenheid in lange broeken en nette rokken gekleed. Hun smetteloze kleding maakt het moeilijk voor te stellen dat ze uit een wereld van bamboe komen.

Zodra de deur van de Toyota openklapt en Portier tevoorschijn komt, begint Ghrie Htoe (55), de oudste kleinzoon van Maung Mela te snikken. Ook zijn jongere broer Kha Htoe (45) verdwijnt onmiddellijk met zijn gezicht in een zakdoek. Zijn vrouw Paw Shie (40) grijpt Portier bij de arm alsof hij een oude bekende is die ze lang niet heeft gezien. Haar neus is rood aangelopen van het sniffen. Portier laat de emoties wat verbouwereerd over zich heen komen.

In zware houten stoelen wordt de kennismaking voortgezet. Er wordt gezocht naar woorden. Er vallen stiltes. Er klinken lachjes. Portier pakt zijn elfjarige naamgenote bij de schouders en bekijkt haar gezicht van dichtbij. Verlegen duikt het meisje even later weg.

Haar broer, die twee jaar ouder is, zit het tafereel zwijgend in zich op te nemen. Over en weer worden foto’s getoond, die al eerder per post zijn uitgewisseld. De Portiers bij de kerstboom en met winterjassen aan in de sneeuw. De familie van Maung Mela tussen de hutten van het vluchtelingenkamp.

De Karen zijn ontroerd en onder de indruk dat de Portiers hen na al die jaren niet vergeten zijn. Het gezelschap probeert de puzzelstukken van het verleden dat hen bindt op hun plek te krijgen.

Al snel voert Ghrie Htoe het woord. Zijn ogen in het smalle gezicht met wijduitstaande oren knipperen onophoudelijk. Zijn stem heeft iets dwingends, alsof hij zijn vragen over de grootvader die hij nooit gekend heeft, jaren heeft opgespaard en nu zijn kans moet grijpen. „Vertel me over de tijd dat jullie gearresteerd waren”, zegt hij tegen Portier.

In korte zinnen deelt Portier zijn laatste herinneringen aan Maung Mela met de familie. „Maung Mela vroeg de Jap mij bij hem te brengen.” „We aten samen.” „De volgende dag werd hij gedood.”

Als er na die woorden een stilte valt, doet Portier met een onverwacht gebaar zijn das af en hangt die om de magere nek van Ghrie Htoe. Die slaat nauwelijks acht op het geschenk. Hij is te veel bezig met een vel papier op zijn schoot. Het is een plattegrond die hij getekend heeft. In de hoop het geheugen van Portier op te frissen wijst hij lokaties aan. De rivier, het dorp, de hut waar zijn grootvader en Portier gevangen werden gehouden. „Mijn moeder herinnert zich dat er een brief kwam van de Japanners waarin stond dat alle dorpsbewoners vermoord zouden worden als de buitenlanders niet werden uitgeleverd.”

Hij kijkt naar Portier om een reactie. Maar het blijft stil. Portiers ogen zijn gedeeltelijk gesloten. Zijn lichaam is bewegingloos. Pas na een minuut of tien komt hij te midden van geredder met tijgerbalsem en ijsblokjes weer bij. Een beetje verdwaasd gaat hij rechtop zitten.

Ghrie Htoe wil het gesprek weer voortzetten. Zijn broer Kaw Htoe schudt zijn hoofd. „Misschien moeten we het verleden laten rusten”, zegt hij zachtjes. Ook de anderen vinden het voor die dag genoeg, nu emotie en vermoeidheid Portier te veel geworden zijn. Ze spreken af elkaar de volgende dag opnieuw te treffen in het hotel waar de Portiers verblijven.

Die ontmoeting verloopt heel wat meer ontspannen. Portier krijgt een Karen kostuum cadeau. Hij laat zich het lange rode tuniek aantrekken, en houdt dat ondanks de warmte urenlang aan. „Een beetje pijnlijk zo’n cadeau. Ze hebben zelf zo weinig”, fluistert hij.

Opnieuw tasten Portier en de Karens hun geheugen af, maar de vraag hoe Maung Mela precies aan zijn einde is gekomen blijft onbeantwoord. In plaats daarvan komen er anekdotes. Portier herinnert zich hoe een andere ontsnapte krijgsgevangene zijn oog liet vallen op een Karen meisje en erover fantaseerde haar mee te nemen naar Parijs. Iedereen schiet in de lach. „Als we blijven praten, zijn er zoveel verhalen. Het zal nooit ophouden”, zegt Ghrie Htoe.

De toekomst van de Karen familie komt ter sprake. Die is nog vol onzekerheid. Ghrie Htoe is met zijn vrouw en kinderen geregistreerd bij de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.

Zodra een land bereid is hen op te nemen en de Thaise autoriteiten toestemming geven voor vertrek kunnen zij asiel krijgen, maar het kan nog zeker maanden of veel langer duren voordat het zo ver is. „Op de dag van ons vertrek naar Australië of Nieuw-Zeeland zal ik de das dragen die ik van Portier gekregen heb”, zegt hij.

Kaw Htoe zijn vrouw Paw Shie en hun twee kinderen moeten nog beginnen aan de registratie bij de UNHCR en als dat lukt zijn er nog duizenden voor hen die wachten op vertrek. „Ik maak me zorgen over de scholing van onze kinderen”, zegt Paw Shie.

Karen kiest de woorden die ze namens haar vader uitspreekt, zorgvuldig. Ze wil geen valse verwachtingen wekken. „We zullen voor jullie doen wat we kunnen”, belooft ze. Onderling hebben de Portiers al besloten de familie financieel te steunen, al weten ze nog niet precies hoe.

Na de lunch een paar uur later, is er gezegd wat er te zeggen valt. Het afscheidsgebed dat Kha Htoe uitspreekt, galmt door de lobby. „Als God het wil zullen we elkaar opnieuw ontmoeten.”

Portier slaat met zijn vuist op zijn knie. „Daar wacht ik op”, zegt hij met iets van zijn vroegere branie. „Portier Mela zal het later opnemen voor de Karen”, zegt Paw Shie voordat ze met haar dochtertje naar buiten loopt.

Vanaf de trap van het hotel zwaait Portier de familie na. „Mensen zonder plek”, zegt hij tegen Karen terwijl de donkere pick up wegrijdt. Op zijn kamer peinst hij na. Hij pakt de foto van de familie in hun hut van bamboe. „Eens zullen jullie het beter hebben”, zegt hij tegen de foto.

Portier oogt jonger en alerter als hij weer thuis is. De ontmoeting heeft een zekere rust gebracht. Maar toch ook nieuwe onrust. Het ongewisse lot van de Karen familie blijft hem bezighouden.

Deel dit artikel