Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Is het erg? Ze knikte: Heel erg’

Home

Inger Schaap

Willem Diederix vormde een bedreiging voor het georganiseerde verzet in Leiden. Sinds hij in november 1943 de leiding had gekregen van het Gewestelijk Arbeidsbureau, kon het bureau niet meer gebruikt worden voor allerlei verzetsdaden, zoals voorheen wel gebeurde. Zo verstrekte het bureau valse persoonsbewijzen en voedselbonnen waardoor vele onderduikers van eten konden worden voorzien. Christiaan de Jong, conrector van het Stedelijk Gymnasium, regelde op die manier ook persoonsbewijzen voor zijn leerlingen uit de hoogste klassen, die opgeroepen werden voor de arbeidsinzet.

Het verzet besloot Diederix om te brengen. Dagenlang werd hij geschaduwd en het verzet wist precies wat zijn route van kantoor naar huis was. Maar juist op de dag van de aanslag nam hij een andere route. De drie verzetslieden die de opdracht uitvoerden, moesten snel anticiperen, waarop een van hen Diederix op de hoek van het Rapenburg van achteren neerschoot. Het leven van de collaborerende directeur kon gered worden in het Academisch Ziekenhuis Leiden.

Als vergelding voor deze aanslag beval de Höhere SS- und Polizeiführer Rauter, één van de leiders van het Duitse bestuur in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, de Rotterdamse SD een groot commando naar Leiden te sturen en daar 85 personen gevangen te nemen en zes mensen dood te schieten bij wijze van Silbertanne.

Uiteindelijk werden er 35 mensen gevangengenomen en drie personen doodgeschoten. Onder de arrestanten was professor Cleveringa, bekend geworden door de protestrede die hij hield toen zijn Joodse collega werd ontslagen. De gijzelaars werden naar de kampen Vught en Sint-Michielsgestel afgevoerd.

Hans Flu woonde en werkte als huisarts aan de Lammenschansweg in Leiden. Hij had een goede reputatie en werkte buiten zijn eigen praktijk ook als schoolarts en controlerend arts van de geneeskundige dienst. Op 4 januari 1944 hield Flu spreekuur. Er zat een aantal patiënten in de wachtkamer. Plotseling kwam er een man de binnen, en hij klopte op de deur van de behandelkamer. Zonder een antwoord af te wachten ging hij naar binnen: ’Wilt u voor een kort verhoor meegaan naar het politiebureau? U kunt de fiets laten staan, want ik ben met de auto gekomen.’

Flu ging met de man mee. Zijn vrouw vroeg haar man nog of hij niet een boterham wilde meenemen, het was lunchtijd en ze hadden nog niet gegeten. Maar de bezoeker verzekerde haar dat het niet lang zou duren.

In plaats van naar het bureau reed de auto, met daarin ook een chauffeur en een man van de Sicherheitsdienst (de Duitse inlichtingendienst in bezet Nederland), naar een rustige weg richting Oegstgeest.

De auto stopte bij een plek die bekendstond als ’de drie witte paaltjes’. Juist op dat moment fietste een verpleger van het nabijgelegen psychiatrisch ziekenhuis Endegeest langs. Hij hoorde het doffe geluid van een pistoolschot en wilde kijken of hij als verpleger van dienst kon zijn. Hij zag hoe twee mannen een andere man op zijn buik uit de auto sleepten. De broeder kwam dichterbij, maar werd weggestuurd. Geschrokken fietste hij weg en hij hoorde nog een schot. Oplettend als hij was, noteerde hij het nummerbord van de auto, een dienstauto van de bezetter.

Later op de middag bezocht een agent van de Sicherheitspolizei het plaatselijke politiebureau. Hij meldde daar: „Bij ’de drie witte palen’ is een man neergeschoten. Hij is vrijwel zeker dood; hij wilde op de vlucht slaan.”

De melder was Hans Hoffmann. Samen met Marinus Jansen had hij Flu opgehaald nadat zij op de Ortskommandantur van Wölk instructies hadden ontvangen. Jansen verklaarde na de oorlog: „Als ik mij goed herinner, werd er een bevel van een of andere Obergruppenführer voorgelezen, waarbij bepaald werd, dat naar aanleiding van een aanslag, welke de dag tevoren op iemand in Leiden had plaatsgehad, een aantal gijzelaars moest worden gevangengenomen.” Het bevel was echter niet afkomstig van zomaar een Obergruppenführer, het kwam van Rauter. „Nadat wij op de Ortskommandantur te Leiden waren geweest, zijn Hoffmann en ik in een vierpersoonsauto bestuurd door een Duits sprekende chauffeur vertrokken naar dokter Flu in Leiden.”

Aangekomen bij de witte paaltjes werd een mankement aan de auto geveinsd, waarop de chauffeur stopte om onder de motorkap te kunnen kijken. Toen ook Flu was uitgestapt, schoot Hoffmann hem neer, volgens zijn verklaring omdat Flu wilde vluchten. De chauffeur reed daarna naar de politie, terwijl Hoffmann en Jansen bij het lichaam bleven wachten.

Hans Flu’s jongere broer was de eerste die over de moord hoorde. Hij ging direct naar het huis van zijn ouders om zijn moeder in te lichten. Zij zag aan zijn gezicht dat er iets mis was en vermoedde dat haar echtgenoot, hoogleraar in de tropische geneeskunde in Leiden, was doodgeschoten. Deze was namelijk op diezelfde dag samen met 35 andere Leidse burgers gearresteerd en naar het kamp Sint-Michielsgestel bij Den Bosch gestuurd. Het bleek niet om haar man, maar om haar oudste zoon te gaan. Toen zij hoorde dat haar oudste zoon was doodgeschoten, viel ze flauw.

Onder de arrestanten was ook Christiaan de Jong, conrector van het Leidse Gymnasium. Aan het eind van de middag, op diezelfde 4 januari, had een Duitser in uniform bij het huis van De Jong aangebeld en hem verzocht mee te komen voor verhoor. Rond etenstijd belde De Jong naar huis. „We schijnen naar kamp Vught te moeten, kunnen jullie een koffertje met wat kleren brengen?”

De zoon van De Jong bracht de gevraagde spullen. Rond half negen volgde er een appèl van de arrestanten op het bureau. De bewakers lieten weten dat er te veel gevangenen waren en dat daarom bepaalde mensen die in Leiden moeilijk konden worden gemist, naar huis mochten. De Jong was een van hen. De medewerkers stonden erop om De Jong naar huis te begeleiden, het was immers na Sperrzeit. Om negen uur die avond liep het gezelschap op het Rapenburg langs de plek waar Diederix door het verzet was neergeschoten.

De Jong liep een aantal passen voor zijn begeleiders uit. Een getuige hoorde even later schoten. Het is onduidelijk waarom De Jong eerst gevangen is genomen. Misschien ging het om een slordigheid van het arrestatieteam en moest een smoes ervoor zorgen dat De Jong alsnog ongezien kon worden doodgeschoten. Het kan ook zijn dat de bezetter een manier had verzonnen om De Jong op het Rapenburg te krijgen, de plek waar Diederix was aangevallen.

In de middag, toen de arrestanten nog op het politiebureau zaten, hadden twee mannen, van wie er één een uniform droeg, bij het huis van Harmen Douma aangebeld. Deze bevond zich op dat moment op de Eerste Leidse Schoolvereniging, een exclusieve lagere school aan het Noordeinde, waarvan hij directeur was. Zijn vrouw was wel thuis en ze vroegen haar om de school te wijzen. Nadat de mannen deze binnengingen, bleef de vrouw nog in de buurt. Ze had een onheilspellend voorgevoel. Het laatste wat ze van haar echtgenoot zag, was dat hij samen met de mannen in een auto stapte.

Zijn lichaam werd later langs de Kanaalweg gevonden. Officieel heette het dat de drie mannen weerstand zouden hebben geboden bij hun arrestaties en vervolgens op de vlucht waren neergeschoten.

De laffe moord op haar vader heeft Han de Jong (1920) voor het leven getekend. Ze is de oudste dochter van het gezin. „Ik ging in 1943 in Amsterdam studeren. Toen mijn vader vermoord werd, zat ik ook in Amsterdam. Omdat niemand wist waar ik precies uithing, konden ze mij niet bereiken en bijna niemand had een telefoon. Uiteindelijk heeft iemand die in Leiden woonde, maar in Amsterdam werkte, de volgende dag de boodschap overgebracht. Ik lag nog te slapen toen mijn gastvrouw me kwam wekken. Ik wist het meteen: vader is gevallen! Ik vroeg haar: is het erg? Ze knikte: heel erg. Toen wist ik het zeker.”

„Meteen ben ik naar Leiden gegaan om bij mijn moeder te zijn. Ik heb nooit gedacht dat mijn vader de oorlog zou overleven. Mijn moeder dacht daar anders over. Zij had nooit gevaar gezien in zijn activiteiten, ook al wisten we allemaal wat mijn vader deed, want daar praatten we gewoon openlijk over. Voor de jongens uit de zesde klas van school die een oproep kregen voor de Arbeitseinsatz, regelde hij een valse Ausweis. Dat deed hij via een contactpersoon op het Arbeidsbureau. Maar mensen kunnen hun kop niet houden, dat is zo vreselijk. Op school waren er ook veel pro-Duitse leraren, daar moest je voor oppassen.”

Voor de familie De Jong waren de verzetsdaden een vanzelfsprekendheid; nooit heeft Han de Jong haar vader als een verzetsman beschouwd. „Hij was een ras-optimist. Op school bovendien zeer geliefd, niet alleen om zijn kundige uitleg van ingewikkelde wiskundige theorieën, maar ook om zijn zeiltochten die hij met jongens uit de klas maakte. Hij was geen gewone docent.”

Han de Jong was zelf leerling geweest bij haar vader op het gymnasium, waar ze in 1938 eindexamen deed. Hoewel haar vijf kinderen hun grootvader nooit gekend hebben, heeft hij altijd een hoofdrol gespeeld in familieverhalen. „We hebben het nog vaak over hem, hij was zo’n bijzondere man, twee kinderen en een kleinkind zijn naar hem vernoemd. Het was een heel moeilijke tijd. Ik ben na de moord maanden bij mijn moeder gebleven. Er moest veel geregeld worden, mijn vader zat in zoveel clubs en commissies. Mijn 18-jarige broer heeft zijn vader moeten identificeren, daar is hij nooit overheen gekomen. In 1974 heeft hij een einde aan zijn leven gemaakt.”

De verzetsman die verantwoordelijk was voor de aanslag op Diederix zei in 1994 in een interview: „Natuurlijk vind ik het vreselijk dat de Duitsers uit wraak drie onschuldige burgers hebben doodgeschoten. Maar we moesten die directeur wel te pakken nemen. Er heerste bij ons net zo’n krijgstucht als in het leger. ’Befehl ist Befehl’ zeggen de Duitsers, en dat was bij ons precies zo. Door mijn verzetswerk hebben mijn ouders het er niet levend vanaf gebracht. Daar hou je altijd schuldgevoelens aan over. Mijn vader is op de laatste dag van de oorlog nog gefusilleerd. En mijn moeder is in Ravensbrück gestorven.”

Reagerend op dit interview zegt Han de Jong: „De verzetsman heeft de zoon van de gestorven Flu verteld dat ze niet goed nagedacht hadden over wat de gevolgen van hun actie zouden zijn. Dat zou ik gewild hebben, dat het wat meer doordacht was geweest.” Jegens de moordenaars van haar vader heeft zij geen wraakgevoelens. „Het is een zaak waar je toch nooit vat op kunt krijgen, dus heeft het geen zin.”

Wie de conrector van het Stedelijk Gymnasium heeft vermoord, is nooit opgehelderd. Het vermoeden bestaat dat het de Nederlandse SS’er Martin Kohlen was, die ook schuldig werd bevonden aan de moord op Harmen Douma. Kohlen werd veroordeeld tot levenslang, maar kreeg in 1959 gratie.

Lees verder na de advertentie
Inger Schaap (Trouw)

Deel dit artikel