Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Indonesië was ons Vietnam' Kees Princen: Van broer van 'de schoft' tot broer van 'de held'

Home

WILMA KIESKAMP

Hij is een veteraan, een oud-Indiëganger. Maar hij is ook: de jongere broer van Poncke Princen. Kees Princen (67) over twee broers die “bijna als tweelingen” opgroeiden, maar in Indië ieder hun eigen afweging maakten. “Achteraf zeg ik dat Poncke, en hij niet alleen, eerder heeft ingezien waarom we daar fout zaten.”

Ze herkenden in elkaar niet meer de “lieve broertjes” uit hun herinnering, de jongens die er ooit van droomden om samen priester-missionaris te worden en die als pubers de oorlogsjaren doorbrachten op een Limburgse priesterschool - dwars tegen de zin van hun socialistische ouders in. “Wat was er van ons overgebleven? We ontmoetten elkaar als twee zuipende, schietende, hoerenlopende soldaten.”

In elkaar herkenden ze hun eigen verandering. Volwassen worden ging snel voor de oorlogsgeneratie van Poncke en Kees. “We hebben pas later echt met elkaar gepraat over de tijd in Indië”, zegt Kees Princen. Zo was het voor zovelen van de duizenden jongens die na de oorlog vertrokken om de kolonie van de Japanners en de rebellen te bevrijden.

Kees Princen was één van de eersten die zich in 1945 meldden, en hij hoorde tot de oorlogsvrijwilligers die in de jaren erna in de voorste linies vochten. Kees, de zachtaardige priesterstudent, werd een keiharde marinier. Maar zelfs moeder Princen, overtuigd pacifiste, was trots. “Ik was de held. Ik vocht om Indië te bevrijden. Later zijn de rollen omgedraaid. Poncke, de deserteur, werd de held.”

Kees Princen beziet zijn eigen Indische jaren nu met gemengde gevoelens. “We werden gestuurd om in Indië te lang een smerige oorlog uit te vechten op basis van foute politieke besluiten, maar wij, soldaten, hadden onszelf ook best eens mogen afvragen wat we er eigenlijk nog deden. Laten we eerlijk zijn: Indonesië is Nederlands Vietnam geweest.” Kees Princen vermoedt dat heel wat veteranen er tegenwoordig net zo over denken. “Maar hen hoor je niet in de publiciteit.”

De jongens van het eerste uur waren gretig om te vechten. Kees Princen verliet in mei 1945 Nederland. Als nr. 2534 maakte hij de overtocht naar Amerika om daar opgeleid te worden tot marinier. Nog voor de Hollandse rekruten arriveerden, was Europa al bevrijd. Vervolgens capituleerde Japan. “We werden verdorie steeds weer ingehaald door de vrede.”

“De Amerikanen hadden ons niet meer nodig. Ze hebben ons tot pelotons gevormd, ze gaven ons munitie, wapens, tanks, vliegtuigen zelfs, en zetten ons op een schip naar Indonesië. Wij dachten dat we daar mensen gingen bevrijden uit de Jappenkampen. We wisten niets van het eenzijdig uitroepen van de onafhankelijkheid, op 17 augustus. We wisten sowieso niets. Je ging gewoon.”

De SS Bloemfontein arriveerde rond kerst 1945 in Azië, maar pas in februari 1946 zetten de Nederlandse mariniers voet aan wal in Indië. Brits-Indische troepen hadden tot die tijd het gezag uitgeoefend in de bevrijde kolonie. Ook in februari '46 waren Kees Princen en zijn maten nog steeds onwetend van de onafhankelijksverklaring.

“Wij wisten niet beter of we moesten Oost-Java zuiveren van 'ploppers', opstandelingen. Van de achtergrond en de motieven van de rebellen wisten we niets en het interesseerde ons eigenlijk ook niet geen ene moer. Ons doel was duidelijk. We moesten herhaling voorkomen van de bersiap-tijd, de periode kort na de capitulatie toen Nederlanders werden vermoord en Nederlandse huizen in brand werden gestoken. De rebellen waren gewoon 'de vijand' en je knalde met veel plezier met je Browning naar de andere kant van de demarcatielijn. We schoten op alles wat bewoog, we waren dol op vuurcontact. Allemaal. Laat niemand achteraf beweren dat het anders was. We staken huizen in brand, we schoten op mensen, dieren, vrouwen en kinderen.”

Ook broer Poncke werd in 1946 opgeroepen om naar Indië te vertrekken, als dienstplichtige. Na de bevrijding had Poncke korte tijd bij de stoottroepen gezeten. Hij is zelfs nog medewerker geweest van de staf van prins Bernhard. Naar Indië wilde Poncke niet. Hij vond dat Nederland er niets meer te zoeken had. Poncke deserteerde maar liet zich later toch ompraten en arriveerde met een schip vol andere gewetensbezwaarden op West-Java, waar hij chauffeur werd bij de Eerste Hulp-troepen.

Op dat soort types keken mariniers als Kees Princen honend neer. “Wij waren het elitekorps. We waren zo onvoorstelbaar arrogant. Ik herinner me hoe we hele nachten inpraatten op de nieuwe jongens die groeiende twijfels hadden. Daar snapten we niets van. Voor ons telde maar één ding: schieten. We zeiden: wacht maar tot er op je geschoten wordt, dan praat je wel anders.”

De soldaten rekenden slechts in militaire afwegingen. Winst en verlies, veroveringen en vergeldingen. En wraak. Kees' slapie Wim sneuvelde. “Het was oorlog, en 'zij' waren net zo hard als 'wij'. Zo simpel lag het. De vraag of 'zij' misschien gelijk hadden, kwam niet aan de orde.”

Hij heeft mensen doodgeschoten, ook burgers. Wie vluchtte uit de kampongs werd geacht bij de rebellen te horen. “We schoten allemaal tegelijk. Er was zoveel vuur. Welk pluimpje komt uit jouw geweer? Dat weet je niet. Achteraf raapten we de doden wel op. Het motto van onze brigadecommandant: 'We trekken een bloedspoor over Java'.”

In 1948 werd Kees Princen gedemobiliseerd. Hij keerde gefrustreerd terug naar Nederland, zoals velen. “Militair gezien kwamen we geen stap vooruit. En we kregen meer en meer het gevoel dat de politionele acties vooral dienden om de economische belangen veilig te stellen. Wij mochten ons leven wagen, en achter de gevechtseenheden reden de planters mee om hun bedrijven weer in bezit te nemen.”

Broer Poncke bleef. Kees wist niet beter of hij was ondertussen wel bijgetrokken. Toen in 1949 - Kees werkte inmiddels als tekenaar - het bericht kwam dat Poncke werd vermist, dacht hij geen moment aan desertie. “Dat deed je niet.”

Een paar maanden later moest de familie uit de krant vernemen dat Poncke niet 'zomaar' vermist was. Hij was gesignaleerd bij een overval van rebellen. Hij was overgelopen.

“Ik heb daar aanvankelijk veel moeite mee gehad. Ik vond het onbegrijpelijk. Aan de legerleiding schreef ik een brief: zo is Poncke niet, hij moet gek geworden zijn.” Kees schreef ook aan zijn oudere broertje zelf, maar die reageerde slechts met korte kattebelletjes. Poncke had andere dingen aan het hoofd dan zijn familie in Den Haag. Ponckes Indonesische vrouw was bij een militaire actie door Nederlanders gedood.

In 1949 gaf Poncke, toen 23, aan de Indonesische delegatie bij de onderhandelingen over de soevereiniteitsoverdacht een brief mee van zes kantjes, waarin hij zijn familie uitleg verschafte. Het was die - beroemde - brief die Kees van mening deed veranderen. “Ik ben zijn stap toen gaan begrijpen en waarderen. Ik zou het nog steeds zelf niet gedaan hebben, maar ik keurde het niet meer af.” Poncke had er al op gerekend. Hij schreef: 'Ik ben blij dat Kees ook onze kant opgaat'.

Ze waren weer de gezworen broertjes van weleer. Kees deelde in de hoon die Poncke ontving. “Sinds 1949 ben ik 'de broer van'. Als mensen mijn naam hoorden, vroegen ze of ik familie was 'van die schoft'. Ik heb Poncke altijd verdedigd. Poncke hééft geen Nederlanders doodgeschoten, dat hou ik nog steeds vol. Vooral in de eerste jaren waren de reacties ongemeend fel. Ik ben bedreigd, ik ben in elkaar geslagen, de marechaussee heeft me zelfs een keer gearresteerd omdat ze dachten dat ik Poncke was. Veel erger vond ik het dat ik, toen kunstschilder was geworden, merkte dat mijn naam een probleem was. Exposeren werd bijna onmogelijk.”

Dan maar naar Indonesië, waar hij tussen 1956 en 1960 met zijn oudere broer in een huis woonde en werkte als verslaggever van de ('zeer oneerlijke') processen tegen Nederlanders. “Maar opnieuw was ik 'de broer van', dit keer de broer van de held.” Hij keerde maar weer terug naar Nederland. Hij zou altijd wel 'de broer van' blijven.

Eénmaal bezocht Kees een ontmoetingsdag van oud-strijders. Hij vond er niets aan. “Er werd alleen maar gezeurd over de vraag of je nou wel of niet recht hebt op een militair pensioen.”

De broertjes Princen hebben nog regelmatig contact en voeren lange correspondenties. Kees Princen was degene die onlangs het visum voor Poncke aanvroeg. Het bezoek heeft hij ervaren “als een film”.

De emotionele reacties op het visum begrijpt Kees Princen niet. “Wij, veteranen, zijn destijds naar Indië gegaan zonder enige voorkennis, en juist daarom mag je toch achteraf, met de kennis die je nu hebt, zonder gezichtsverlies concluderen dat we fout zaten. We hoeven niets goed te praten. We waren er gewoon en achteraf had het anders moeten zijn. Is dat zo erg om toe te geven?”

Deel dit artikel