Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik moet leren meer tijd voor mezelf te claimen'

Home

Cisca Dresselhuys

Een groot afscheid hoeft voetbaltrainer Foppe de Haan (65) niet meer, als hij volgend jaar met pensioen gaat bij Jong Oranje. „Dat heb ik al gehad, toen ik vertrok bij Heerenveen. Ik geef iedereen gewoon een hand en ga weg.” Wat er daarna komt, ziet hij wel. In elk geval blijft hij klussen bij Heerenveen, lezingen geven voor het Foppefonds en zingen in een amateurkoor. Vijfde aflevering in een serie over werken en stoppen met werken.

De eerste AOW voelde als een sinterklaascadeautje, vreemd maar wel leuk. Het bevestigde Foppe de Haans status van 65-jarige, die hijzelf helemaal niet voelt. Want hij is gezond en zit nog vol energie om van alles te doen. Het mag afgelopen zomer dan niet goed zijn afgelopen met de prestaties van ’zijn’ Jong Oranje op de Olympische Spelen in Peking, maar daarvoor was hij toch maar mooi Europees kampioen geworden met deze jonge voetballers. En bij zijn afscheid van Heerenveen in 2004 stond die club op een goede vierde plaats in de eredivisie. Het is nog lang geen tijd om achter de plakboeken te gaan zitten.

„Ik ben heel wisselend in mijn gedachten over wat ik volgend jaar wil gaan doen. Het ene moment denk ik: oké, we huren een camper en gaan een paar maanden op stap, de wijde wereld in. Maar vaker denk ik: ik ben zo fit en gezond, ik wil eigenlijk nog hartstikke veel. Dus het komt erop neer dat ik het maar gewoon op me af laat komen. Maar wat ik wél wil, is eindelijk meer tijd voor m’n gezin.”

Dat heeft uw vrouw vast vaker gehoord. Ze zei tegen me: „Hij vindt alles leuk wat ze hem vragen en dan zeg ik: ’Foppe, elke keer dat je ’ja’ zegt tegen een ander, zeg je ’nee’ tegen mij’.”

„Ze heeft gelijk. Een van mijn valkuilen is dat ik heel slecht ’nee’ kan zeggen als ze me wat vragen. Ik vind ook zoveel leuk . Ik moet leren meer tijd voor mezelf te claimen en vaker ’nee’ te zeggen. Laat ik nou eens beginnen twee dagen per week voor mezelf te nemen. In ieder geval de woensdag, dan passen we op de twee jongste kleinzoons, Tieme en Jelte. Gé doet dat al, maar daar wil ik vaker bij zijn.”

Twee dagen per week voor uzelf, dan blijven er nog vijf dagen over.

„Klopt. Kijk, wat we in ieder geval gaan doen, is reizen. Ook cultuurreizen, die ze in de NRC aanbieden, compleet met cursussen ter plaatse, want ik ben gek op geschiedenis. Verder zingen in een amateurkoor, samen met mijn vrouw. Vooral voor het plezier, want ik ben niet bepaald een grote ster. Ik heb moeite uit het niets de juiste toonhoogte te vinden. Ik zeg altijd: ik zing best aardig, als er tenminste iemand naast me staat die écht goed zingt.

In de werksfeer blijf ik bij m’n oude club Heerenveen als klankbordmannetje fungeren. Aan die club zal ik altijd verbonden blijven, al is het als terreinknecht of barbediende, bij wijze van spreken. Maar voordat het zover is, ga ik kijken naar het trainen van de jeugd. Daar wil ik graag bij helpen, talent scouten. Het liefst zou ik een paar echte jeugdtalenten intensief begeleiden.

En dan zijn er mijn lezingen en optredens voor het Foppefonds, de organisatie die geld inzamelt voor gehandicapte en kansarme jongeren in het Noorden. Dat fonds zet zo’n anderhalve ton per jaar om, waarvan een groot deel van mij afkomstig is. Dat breng ik binnen via lezingen of andere optredens. En er zijn sponsors. Dat soort lezingen blijf ik doen, maar het liefst niet vaker dan eenmaal per week, want op den duur hoor je jezelf zo praten. Het gaat immers meestal over hetzelfde onderwerp: leidinggeven, teambuilding, hoe stoot je mensen op in de vaart der volkeren. Alles wat ik m’n hele leven met voetballers heb gedaan.

Zelfs in de topsport zijn er natuurlijk altijd een paar die minder zijn dan de anderen. Hoe stimuleer je die om toch voluit mee te doen en steeds een treetje hoger te komen? Dát willen ook mensen uit andere sectoren graag van je horen: hoe motiveer je je medewerkers?

Gymnastiek geven in het basisonderwijs zou ik ook nog wel willen doen. Ik kom tenslotte uit het onderwijs en gymnastiek is zo belangrijk voor kinderen. Het leert hen hoe leuk bewegen is. Een gymleraar kan een kind, bij wijze van spreken, maken en breken.”

Zeg dat wel. Wat een vreselijke herinneringen heb ik daaraan, als onsportief kind. Met buikpijn naar school elke dag dat er gymnastiek was.

„Dan heeft u een heel verkeerde gymleraar gehad.”

Inderdaad, een die mij een vier op m’n rapport gaf.

„Dat bestaat niet. Voor gymnastiek geef je nooit een onvoldoende. Zelfs een kind dat niet goed is, hoort nog een zes te krijgen. Gymleraar is juist zo’n fantastisch beroep, ik kan er zulke mooie verhalen over vertellen. Zoals over dat dikkige meisje, vroeger in Enschede. Ze kon niet zoveel en vond gym vreselijk. Je had de beruchte kast, waar je met een spreidsprong op moet springen. Moeilijk voor stijve kinderen. Hoe bouw je dat op? Ik zette een krasje op de kast: probeer eens tot hier te komen. Steeds een krasje verder. Goed zo, zie je wel dat je het kunt ? En dan stoppen en even lekker gaan ballen. De volgende week weer een streepje verder, totdat ze uiteindelijk helemaal over die kast kon komen.

Dat kind was echt blij en haar vader ook. Ze had altijd een onvoldoende voor gym op haar rapport gehad. Goed, ze krijgt niet opeens een acht, maar toch zeker een zes. Gymnastiek is typisch een vak waarbij het niet zozeer om de vaardigheden gaat, maar om het leren verleggen van je grenzen.”

Ik hoor het al: ik had Foppe de Haan moeten hebben vroeger.

„Ik moet eerlijk zeggen dat gymleraren vroeger de neiging hadden heel autoritair te zijn. Maar dat is verleden tijd. Als voetbaltrainer heb ik dezelfde manier van werken gevolgd, want ook bij de beste elf is er altijd één die minder is dan de rest. Hoe krijg je die een stapje omhoog? Als je daar op een verkeerde manier mee omgaat, hem vooral afrekent op wat hij niét goed doet, ontwikkelt hij zich niet en stopt er zelfs mee. Zo zit het in de hele wereld in elkaar. Leraren, trainers, bazen: ze kunnen mensen maken of breken.”

Terug naar het komende pensioen: in 2004 bent u al eens met de vut gegaan bij Heerenveen.

„Dat stelde niks voor, want toen wist ik al dat ik trainer van Jong Oranje zou worden. Ik heb een groots afscheid gehad, met muziek en sprekers in het stadion. Iedereen bleef na de wedstrijd zitten. Ik kreeg veel bloemen, een koninklijke onderscheiding en ik ging op de schouders. Prachtig.

Daarom hoef ik volgend jaar geen afscheid meer. Ik ruim m’n bureau in Zeist leeg, geef de mensen een handje en dat is het dan. Het werken met Jong Oranje was een soort toetje na een heerlijke maaltijd.

Het is duvels jammer dat het zo slecht is afgelopen: eerst verloren op de Olympische Spelen in Peking en daarna niet geplaatst voor de volgende EK. De club bestaat dus niet meer. Daarom zit ik in Zeist alleen nog maar regelwerk te doen.

Opeens was het pats, boem, afgelopen in september. Ik heb daar geweldig veel last van gehad. Het was hartstikke vervelend – voor mij, maar ook voor de jongens. Natuurlijk, ik ben realistisch genoeg om te zeggen: dat hoort bij de sport. Zoals een kok zo goed is als z’n laatste maaltijd, zo is een trainer zo goed als z’n laatste wedstrijd. Dat vind ik zelf niet, maar zo kijken de mensen ernaar.

Het is zuur als je carrière zo eindigt. Als trainer bij een gewone club heb je altijd kans op revanche, in een volgend seizoen ga je er opnieuw tegenaan. Maar Jong Oranje, althans mijn club, bestaat niet meer en ik eindig dus zo. Reken maar dat me dat pijn heeft gedaan.”

Behoort de voetballerij na juni 2009 tot het verleden? Ik herinner me een uitspraak van vorig jaar dat u nog best bondscoach van Ierland had willen worden.

„Dat was vorig jaar. Ik ben nu weer ouder. Meestal vragen ze zoiets voor vier jaar, dus dan zou ik al 69 of 70 zijn. Maar eerlijk is eerlijk: als ze me nu voor twee jaar zouden vragen, zou ik het doen. Grif. Ierland is een prachtig land.”

Voor het geld hoeft u niet door te werken, mag ik hopen.

„Nee, hoor, m’n pensioen is prima. Twintig jaar onderwijspensioen van het ABP, daarna heeft Herenveen het netjes overgenomen. Wij zijn sobere mensen en ik heb goed verdiend: zo’n 175.000 euro per jaar bij Heerenveen en iets minder bij Jong Oranje. Niks mis mee.

Tussen trainers zit nog wel verschil. In de top, zoals Ajax ,Feyenoord en PSV, verdienen ze een half miljoen of meer. Nog altijd een fractie van wat topvoetballers verdienen. Neem zo’n Huntelaar – dat loopt echt in de miljoenen. Idiote salarissen.

Pas hoorde ik op de televisie over een jongen van 17 jaar die van Feyenoord naar Rennes in Frankrijk is gegaan. Die krijgt 30.000 euro per maand, ongemeen veel voor een jongen van zeventien. Als hij in de hoogste divisie gaat spelen, gaat z’n salaris met een factor 10 omhoog.

En dan zijn er nog de extra’s, de contracten met de schoenenfirma’s en zo. Die betalen ervoor dat hij op hun schoenen speelt. Hoe moet een jonge jongen met zo’n inkomen omgaan?

Wat betreft werken na je pensioen: eigenlijk vind ik dat je dat vooral onbetaald zou moeten doen. Ik zie het zo: je hebt een opbouw in je leven, je hebt lang geplukt, genoten en geprofiteerd. Op een gegeven ogenblik moet je iets teruggeven. Dat ogenblik breekt, wat mij betreft, aan na je pensioen. Dan ga je meer op het ideële dan op het commerciële vlak zitten. Vrijwilligerswerk doen bijvoorbeeld.

Daarom kijk ik wel verbaasd naar zo’n Wim Kok, die nu zo geweldig profiteert van zijn verleden als minister-president met dikbetaalde commissariaten. Ik gun het hem wel, daar niet van, maar ik vind het toch raar, na zijn vroegere kritiek op te hoge salarissen en de graaicultuur.”

Ik zie daar een ingelijste recensie staan van het Bijbelgenootschap.

„Toen de Nieuwe Bijbelvertaling uitkwam, hebben ze mij gevraagd het boek Genesis te recenseren. Ik heb niks met het geloof, ik moet er zelfs niks van hebben, maar veel bijbelverhalen vind ik wel mooi.

Ik lees ook wel eens in de Bijbel, niet als Gods woord, maar gewoon, als een interessant, waardevol boek uit de oude tijd, zoals er ook interessante boeken van de Grieken en de Romeinen bestaan. Voor mijn recensie heb ik de Tien Geboden genomen en een vergelijking getrokken met het trainen van een voetbalelftal. Ik heb de strenge Rinus Michels aangehaald.”

U zegt dat zo fel: ik moet niets van het geloof hebben.

„Geloof vind ik volksverlakkerij. Ik weet niet of Trouw het wel goed vindt dat ik dit zo zeg. Maar als ik kijk naar wat er met mijn vader en moeder gebeurd is, kan ik niet geloven dat een god dat zou toestaan. Mijn vader met de ziekte van Parkinson, dement en twee geamputeerde voeten, mijn moeder die zelfmoord heeft gepleegd. Zou een liefdevolle en almachtige God zoiets toestaan?

Tot m’n tiende heb ik m’n moeder gekend als een hartstikke actieve en levendige vrouw, met wie we in de tuin volleybal speelden en ’s winters schaatsten. Ze kon mooi naaien. Zo haalde ze een schoolvriendinnetje van mij in een nieuw jurkje even naar binnen: ze zette een paar versiersels en strikjes op die jurk, waardoor die nog mooier werd. Dat was m’n moeder: creatief, altijd bezig.

Opeens was dat afgelopen. Ik weet niet waardoor. Misschien iets erfelijks? Ze had een broer die in een psychiatrische inrichting is gestorven. Ze werd zwaar depressief, kon zich niet meer vermannen, ze zag alles somber in en lag hele dagen op bed.

M’n vader kon daar niet mee omgaan, die trok zich terug in z’n werk als wagenmaker. Ik heb nog een zes jaar jonger zusje, dat erg geleden heeft onder die situatie. Ze deed het niet goed op school en ging als hulp in de huishouding intern bij een groenteboer. Daar is ze heel goed opgevangen,zodat ze later nog haar school en een studie heeft afgemaakt.

Ik was thuis, zo jong als ik was, degene die de leiding nam. Ik maakte lijstjes van dingen die moesten gebeuren: wie maakt schoon, wie doet de boodschappen, wat moet er worden gehaald .Als ik tussen de middag thuis kwam, was ik heel erg gespannen: hoe zou ik m’n moeder aantreffen? Had ze brood klaargemaakt, lag ze op bed of zat ze gewoon in de huiskamer?

Tot driemaal toe heeft ze in een inrichting gezeten. Ze heeft ook nog elektroshocks gehad, maar niks hielp. Het rare was dat ik gewoon functioneerde op school. Ik heb geleerd een knop om te draaien – dat kon ik fantastisch. Ik leefde twee totaal gescheiden levens: thuis was thuis, daar was het hartstikke moeilijk. Maar het leven daarbuiten – de school, voetballen – dat was leuk.

Toen ik in dienst zat, bezocht ik haar elke week. Dat was altijd weer vreselijk. Soms zat ze in een isoleercel. Weet je waar ik lang last van gehad heb? Dat ik me niet veel mondiger tegenover al die artsen en psychiaters heb gedragen.

Maar we waren in die tijd bang en dociel tegenover de witte jassen. Precies zoals Jean Foudraine het later beschreef in ’Wie is van hout?’.

Nou, die doktoren waren van hout, dat kan ik je wel vertellen. De Foppe-van-nu zou zeker op zijn poot gespeeld hebben en precies hebben willen weten wat er met zijn moeder aan de hand was en wat ze met haar deden.

Op een ochtend, vlak nadat onze eerste dochter was geboren, kregen we een telefoontje: mijn moeder was door de politie gevonden in een slootje voor de deur. Heel ondiep. Het leek erop alsof ze gewacht had tot bij haar kinderen alles goed was: bij de zoon het eerste kleinkind geboren en de dochter net getrouwd.

Mijn gevoel over haar dood was heel tegenstrijdig: verdriet, maar ook grote opluchting dat er een eind was gekomen aan deze uitzichtsloze weg. Ik heb wel eens gedacht dat haar levensverwachting en ambities heel anders waren dan die van mijn vader: ze had veel drang en drive en wilde vooruit.

In dat opzicht heb ik veel van haar weg, maar ik ben gelukkig niet depressief. Integendeel: ik ben altijd blijmoedig, opgewekt en vooruitkijkend. Ook op mijn 65ste.”

Lees verder na de advertentie
Foppe de Haan met kleinzoon Tieme. ¿Nu past mijn vrouw op de twee jongste kleinzoons. Daar wil ik vaker bij zijn.¿ (FOTO MARCO HOFSTÿ)
(Trouw)

Deel dit artikel