Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik leefde alsof God niet bestond'

Home

MARLIES KIEFT

AMSTERDAM - Drie maanden leefde de vrijzinnig hervormde predikant Lenie van Reijendam-Beek zonder kerk, bijbel en gebed. Zij leefde als een atheïst, alsof God niet bestond. Al sinds haar studietijd was zij gefascineerd door de vraag: 'wat drijft hen ?' Nu, jaren later, greep zij met een studieverlof haar kans en onderzocht 'De overtuiging van het ongeloof'.

Atheïst. Ze spreekt het woord met een zekere bewondering uit, als een soort geuzennaam. Ds. Lenie van Reijendam-Beek vertelt over het begin van haar fascinatie. “In mijn studententijd, de jaren vijftig, begin jaren zestig, lazen we Sartre en Camus, de God-is-dood-theologie kwam op en ik las Z. Szcesny: de toekomst van het ongeloof. In zekere zin was dit alles flirt. Ik had een inspirerende studentenpredikant. Hij zei: 'Nee, God bestaat niet, maar in geloof is Hij er'.

Met andere woorden: geloofswaarheden en wetenschappelijke waarheden hebben verschillende geldigheid. Wetenschappelijk zeg je: het is toeval dat ik aan dat ongeluk ben ontkomen. Vanuit geloof kun je zeggen: ik voel me een gespaard mens.''

Dieper werd ze geconfronteerd met de overtuiging van het ongeloof toen zij een jaar werkte als ziekenhuispredikant. “Daar heb ik aan den lijve ondervonden wat een afkeer van het geloof er schuilt achter het beleefde atheïsme van deze tijd. Niet alleen van het dogmatische aspect van het geloof, maar ook van een uitspraak als 'God is liefde'. Als je als predikant langs de bedden kwam, had je meteen al een etiket.

Eens vroeg ik een patiënte: 'Vindt u het leuk als ik even bij u kom zitten?' Ze zei: 'U kijkt of u denkt: maar het zal wel niet'. Dat was precies wat ik dacht. Soms wilde ik weleens dat ik de diëtiste was, dan kon ik tenminste iets doen. Maar er was in die weerzin van het christelijk geloof ook iets positief. Deze zieken hadden bepaalde bronnen die hen er doorheen droegen en hen in staat stelden een soort antwoord te geven op het kwaad dat over hen was gekomen.''

Het atheïsme is volgens Lenie van Reijendam overigens niet iets dat voorbehouden is aan overtuigde niet-gelovigen. Ongeloof komt ze ook tegen bij gemeenteleden en bij zichzelf. “Er is een stuk van je ziel dat zegt: het kan niet, er kan geen God zijn. En dat is niet altijd het slechtste deel.”

Haar studieverlof deelde Lenie van Reijendam in in literatuuronderzoek, veldwerk (met atheïsten praten, humanistische raadslieden volgen) en leven zonder kerk, bijbel en gebed. Haar ervaringen gaf zij weer in een verslag De overtuiging van het ongeloof.

Lenie van Reijendam begon met Feuerbach (Das Wesen des Christentums), die zegt dat religie menselijk is. Menslievendheid komt uit de mens zelf voort, alleen zelfgewilde liefde is liefde. Denkers als Epicurus en Lucretius leerden dat goden produkten zijn van menselijke verbeeldingskracht, zij zijn slechts poëtische werkelijkheid. De predikant las de zeventiende eeuwse Pierre Bayle die stelde dat niet het atheïsme tot kwaad leidt, maar het kwaad tot atheïsme. Andere literatuur: Nietzsche, Freud en vooral veel eigentijdse literatuur over het atheïsme. Bij het grasduinen in de bibliotheek van de Universiteit voor Humanistiek viel haar op dat in de Verenigde Staten op het moment veel agressieve titels in omloop zijn over dit onderwerp, zoals: Atheïsme, the case against God.

Misschien is het atheïsme daar extra fel tegen een religiositeit die wel eens ziekmakend kan zijn, dacht Lenie van Reijendam. Achteraf had ze voor de keuze van de literatuur wel een begeleider willen hebben, ook al omdat het lezen ervan een 'eenzaam avontuur' was.

Naast het lezen was er het veldwerk. De vrijzinnig hervormde predikant bezocht een begrafenis die geleid werd door een uitvaartbegeleider van het Humanistisch Verbond. “De dode werd niet aan Iemand opgedragen. Niemand kon bedankt worden dat ze geleefd had, dan alleen de dode zelf. Toch was de dood ook hier niet het einde. De overledene gaf huiswerk mee, mensen konden in verbondenheid met haar verder leven.”

Lenie van Reijendam bezocht een humanistisch raadsvrouw in de gevangenis. Hoe ging zij om met schuld en boete en vergeving? Deze vrouw vertelde haar: 'Inderdaad, in het humanistisch denken is er voor een moordenaar geen God om vergeving aan te vragen. Maar een God die vergeeft kan de relatie tussen de dader en het slachtoffer enorm vertroebelen.

Accepteren

Ik zeg: Ik accepteer je zoals je bent. Je hebt vreselijke dingen gedaan en jou zijn vreselijke dingen aangedaan, maar voor mij ben je goed zoals je bent. Probeer het te zien als een kans. Jij kunt dingen begrijpen die door haast niemand begrepen worden.'

Het belangrijkste onderdeel van het veldwerk waren de persoonlijke gesprekken met mensen waarvan Lenie van Reijendam wist dat ze atheïst waren. Vragen die zij hen stelde, waren onder meer: 'waar heb je eerbied voor?' en 'wie en wat hebben je geïnspireerd?'. Uit de gesprekken kwam steeds terug dat mensen zich bevrijd voelden wanneer tot hen doordrong dat zij niet geloofden in God. Eerbied was er vooral voor het zwakkere: een mens in nood, kinderen, een hulpeloos dier. Inspiratie werd gehaald uit verhalen, eigen ervaringen en ook natuur en kunst. Ook kwam bij verschillende gesprekken de overtuiging naar voren dat je je normen en waarden uit de geschiedenis haalt. De overtuigingen van het ongeloof, noteerde Lenie van Reijendam in haar verslag, hebben nooit een louter rationele achtergrond. Bijna altijd komt er een emotie bij die de hoofdzaak is. Verontwaardiging, verdriet. Als iemand zich door niets en niemand aangesproken voelt, behalve misschien door wat van menselijke zijde aan hulp en troost wordt binnengebracht, groeit de overtuiging: er is, er kan geen God zijn.

Drie maanden leven alsof God niet bestond, wat wilde de predikant daar eigenlijk mee? Lenie van Reijendam: “Ik wilde het stuk ongeloof in mezelf een echte kans geven. Maar vooral wilde ik me inleven in al die mensen die niet meer geloven. Ik wilde in vermogen net zo leven als zij. Je hebt toch wel eens dominees die het leven van de arbeiders willen delen, en dan zelf achter de machine gaan staan. Zoiets was het. Ik wilde erachter komen welke bronnen je anders voeden dan het geloof.”

De predikant bezocht de publieke tribune van de rechtszaal, politieke bijeenkomsten, openbare feesten, theaters, musea, parken, strand en bossen. “Het was de recreatieve tijd van mijn leven” zegt Lenie van Reijendam-Beek. Bij al deze activiteiten had ze in haar achterhoofd: “Als ik niet zou deelnemen aan het religieuze leven, zou ik hier dan genoeg aan hebben?” Ze is even stil en zegt dan half in gedachten: “Dat je dan toch nog iets gedrukts hebt, hè?” Want zij was, achteraf gezien, toch ook neerslachtig in die tijd.

“Het is niet mogelijk om jezelf van wat je gelooft af te snijden, het onderzoek was niet helemaal eerlijk”, erkent Lenie van Reijendam ootmoedig “daarom was het ook zo'n verwarrende tijd, je kunt geen wezenlijke aspecten in jezelf laten zwijgen.”

In deze atheïstische drie maanden werd zij zich bewust van hoe vloeiend de grens tussen gelovig en ongelovig denken en handelen is. Het uitspreken van een verlangen bijvoorbeeld kan het karakter hebben van het gebed. Daarom heeft ze het bidden ook niet erg gemist, het verlangen manifesteerde zich in andere vormen. En het kerkelijk leven? Op een zondag liep ze door het bos en passeerde een kerk die juist uitging. “Wat vieren atheïsten eigenlijk ooit gezamenlijk?”, vroeg ze zich af. Toen ze na haar studieverlof terugkwam in de kerk realiseerde ze zich: “Ach, wat heb ik dat gemist, dat gemeenschapsleven.”

Het niet lezen in de Bijbel vond ze het allermoeilijkste. “Dat is hoe ìk wordt aangesproken door de Geest. Ik zal nooit het geweldige geluksgevoel vergeten toen ik weer voor het eerst in gesprek ging met de Schrift. Daardoor weet ik zelf voorgoed dat God er is.”

Minder schroom

Gemeenteleden lijken na haar atheïstisch experiment minder schroom te hebben om haar aan te spreken over hun eigen ongeloof. “Veel mensen beginnen als ik bij ze op bezoek ben meteen over m'n studieverlof en grijpen dat aan om over hun eigen twijfels te spreken: 'Eigenlijk geloof ik niet meer' of 'God spreekt mij nergens mee aan'. Door mijn studie heb ik hen ook wat aan te reiken. Ik zeg dat ze misschien een ander brandpunt moeten zoeken. In zichzelf vinden wat ze staande houdt. Dan maar zonder God, zeg ik tegen ze, dan moet de Geest zelf maar iets doen.”

Deel dit artikel