Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik heb geen schuldgevoel, we zagen het als noodzakelijk kwaad'

Home

HANS MARIJNISSEN

Een kleine vierhonderd mannen die vanwege een zedendelict ter beschikking van de regering waren gesteld, zijn tussen de jaren dertig en zeventig - op vrijwillige basis - gecastreerd. Maar hoe 'vrijwillig' was die ingreep eigenlijk? De specialisten die de castraties uitvoerden, komen nog één keer als staf bijeen: “We hebben altijd twijfels gehad.”

De pijen van de broeders hangen aan knaapjes aan de muur, het bureau van directeur De Smet staat te glimmen in de was en via de behandelbaden, de apparaten waarmee de electroshocks werden toegediend en de tekeningen van patiënten brengt Oosterbaan de bezoekers uiteindelijk naar de metalen snijtafel met een putje in het midden.

Op het schap ernaast staan metalen maskers met een vilten hoes: de etherkappen waarmee de patiënten onder narcose werden gebracht. In een glazen vitrine liggen de vlijmscherpe mesjes en spitse tangetjes, iets verderop het boek 'Het Castratievraagstuk' van dr. A. J. A. M. Wijffels.

De Willibrordusstichting in Heiloo was in de jaren vijftig, naast rijksasiel Veldzicht in Avereest, dè plek waar in Nederland castraties werden uitgevoerd op seksuele delinquenten. Zeker toen psychiater Aimé Wijffels eenmaal aan zijn proefschrift over de castratiepraktijk was begonnen, ontstond er een hausse aan behandelingen. In totaal zeventig gevallen kon de behandelend psychiater van Heiloo in een paar jaar tijd bestuderen en beschrijven.

“Ik denk niet dat Wijffels erop los castreerde om maar onderzoeksmateriaal te hebben”, aldus een naaste medewerker uit die tijd. “Wel is het zo dat Heiloo begin jaren vijftig door het onderzoek naam maakte op het gebied van de castratie. En misschien daarom kregen wij meer patiënten, het aanbod steeg duidelijk.”

Een gepensioneerde Wijffels legde eind jaren tachtig nog voor de VPRO-radio uit dat zijn patiënten niet zomaar werden gecastreerd. “Eerst probeerden we allerlei therapeutische behandelingen, maar als die geen succes hadden, overwogen we castratie toe te passen. Dat kon alleen met toestemming van de patiënt. Ik zei dan: 'Ik kan je helpen, niet om je van de richting van je seksualiteit af te helpen, je bent nu eenmaal homofiel gericht, maar ik kan wel de libido verminderen'. Die mensen leden vaak verschrikkelijk en wilden er zelf vanaf.” Wijffels overleed op 2 december 1991.

Sommige directe collega's van Wijffels wonen, alhoewel ze ook al jaren met pensioen zijn, nog steeds in de buurt van de inrichting. Het was gebruik dat het personeel dichtbij de inrichting woonde, de Willibrordusstichting is ook een van de eerste inrichtingen die ìn de bebouwde kom zijn neergezet. Zenuwarts M. Wertenbroek kijkt nu zelfs nog uit op de zwaarste afdeling van de Willibordusstichting, de gesloten Paulusafdeling waar TBR-gestelden waren gehuisvest. En P. van Rozendaal, de grondlegger van de psychomotorische therapie, woont op nog geen steenworp afstand van het hoofdgebouw - ook 'blijven plakken'. Eigenlijk heeft alleen psychiater J. Verheul Heiloo verlaten. Hij is in Utrecht gaan wonen.

Zij waren het die met Wijffels uitmaakten wie voor castratie in aanmerking kwamen en wie niet. Wertenbroek kent het tijdstip waarop de behandelingsbeslissingen werden genomen, nog uit zijn hoofd. “Maandagmiddag vier uur, dan hadden we de stafvergadering, voorgezeten door directeur De Smet. Gewoonlijk bespraken we dan onze patiënten. Dat konden personen met lichte geestelijke storingen zijn, maar ook zeer zware afwijkingen werden hier tegen het licht gehouden. De behandelend specialist hield dan een voordracht over zijn patiënt, de rest gaf feed-back, en aan het einde van de discussie was de patiënt ook altijd zelf aanwezig. Dan vroegen we ook, als dat mogelijk was tenminste, wat hij of zij van de behandeling vond. Dus ook of hij instemde met castratie. Daarna pas namen we een beslissing.”

Formeel was de staf als geheel verantwoordelijk voor de behandeling, ook voor castraties, zegt psychiater Verheul. “We gingen er vanuit dat er consensus moest bestaan, en als het besluit eenmaal was genomen, was de gehele staf ook bij de feitelijke castratie aanwezig.” Van Rozendaal: “De stichting was dan wel van oorsprong een katholiek instituut, beheerd door broeders, maar al in de naoorlogse jaren waren wij zeer vooruitstrevend.” Wertenbroek: “De tralies waren weg, de witte jassen ook en we hadden normaal servies. De castraties van seksuele delinquenten moeten ook niet worden gezien als gevolg van een katholieke moraal of zo, maar als nieuwe methode van een zeer vooruitstrevend instituut.”

Verheul: “Was de beslissing tot castratie gevallen, dan kwam er een chirurg uit Alkmaar naar Heiloo om de feitelijke ingreep te verrichten. Maar wij assisteerden, stuk voor stuk.” Ze waren er getuige van hoe via de buik de teelballen van hun patient werden verwijderd, en hoe zij daar - op verzoek - plastic of roestvrijstalen proteses voor terugkregen.

Hoewel er dus een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid bestond, had Wijffels een duidelijk initiërende rol in de castratiepraktijk. Verheul: “Het was overwegend Wijffels die voorstellen tot castratie deed, en ook al discusieerden we vaak lang om het eens te worden, als we dat niet werden, woog Wijffels' stem het zwaarst. Maar ja, hij kende de patiënt dan ook het best, híí was de deskundige.”

Dankzij het proefschrift van Wijffels waarin zeventig castraties zijn beschreven, is terug te halen welke achtergond de patiënten hadden en welke beweegredenen Wijffels had toen hij tot castratie besloot. Zijn onderzoeksgroep splitste hij in 39 'normaal begaafden', 17 'debielen', 9 'imbecielen' en 5 'idioten'.

Casus nummer 11 betreft een normaal begaafde, getrouwde homoseksuele man die tot TBR is veroordeeld wegens ontucht met jongens. Onbekend blijft hoe oud die jongens waren.

'In de levensgeschiedenis van deze man vindt men de tragiek van een homoseksueel die in zijn huwelijk en omgang met zijn vrouw weinig bevrediging vindt. De coïtus heeft vrij matig plaats en beide partners hebben er weinig behoefte aan. Zijn beroepskeuze verraadt enigszins zijn homo-erotische instelling (kapper, huisknecht). Op zijn zeventiende werd hij verleid door een oudere man en daarna heeft hij geregeld contact met homoseksuelen. Lichamelijk: vrij klein, de handen zijn klein, week en goed verzorgd. Zijn oogopslag heeft iets vrouwelijklokkends, ook de mond heeft iets vrouwelijks. Hij houdt van gezelligheid. Aan sport doet hij niet, maar hij houdt van bloemen en kippen. Hij is ook tot huishoudelijke werkzaamheid geneigd. Conclusie: manifest homoseksueel. Patiënt dringt zelf op castratie aan, zijn echtgenote is het hiermee eens'.

In november 1950 heeft de castratie plaats, en hoewel de man wegens ontucht tot TBR was veroordeeld, schrijft Wijffels dat de man al spoedig met verlof gaat. 'De castratie heeft een gunstige invloed uitgeoefend op zijn perverse neigingen en ook zijn karakter en overige gedragingen zijn gunstig beïnvloed'.

De meeste mannen die voor castratie in aanmerking kwamen, zijn vanwege zedendelicten met justitie in aanraking gekomen, al behoeft de term 'zedendelict' enige nuance. Natuurlijk betrof het hier verkrachtig, aanranding en ontucht, maar tot 1971 kende het Wetboek van strafrecht ook het artikel 248bis dat de seksuele omgang verbood tussen minder- en meerderjarigen van hetzelfde geslacht. Aangezien een burger in die tijd pas op zijn 21ste levensjaar formeel meerderjarig werd, was de omgang van een homoseksueel van 20 jaar met iemand van 22 jaar dus al strafbaar.

In driekwart van de gevallen waarin een TBR-gestelde zich liet castreren, was het de (homoseksuele) ontucht met een minderjarige die daartoe had geleid, aldus een justitierapport dat de toenmalige Hoofdafdeling Psychopatenzorg van het departement in 1968 uitbracht. Over de omvang van het aantal castraties meldt justitie dat in 1938 gemiddeld 1 op de 20 zedendelinquenten met TBR van de testikels wordt ontdaan, in 1948 ligt dit cijfer al op 1 op de 10.

Er wordt niet alleen véél gesneden, maar ook snel: tussen 1943 en 1957 wordt binnen twee jaar verpleging tot castratie over gegaan, terwijl er net na de tweede wereldoorlog feitelijk geen sprake kon zijn van verpleging. De patiënten werden slechts achter slot en grendel gehouden. Zij hadden doorgaans ook niet eens zo'n lang strafblad. Meer dan de helft van de gecastreerden heeft één of twee zedendelicten gepleegd, bijna een kwart van de gecastreerden is direct na het eerste delict al gecastreerd. Justitie concludeert dat de 'doorsnee gecastreerde bepaald niet aan het beeld van de verstokte recidivist beantwoordt', een conclusie die haaks staat op de bevindingen van Wijffels, die stelde dat patiënten werden behandeld als 'niets meer hielp'. “Toch”, zegt Wertenbroek, “moet niet geconcludeerd worden dat alleen homoseksuelen die ooit met een minderjarige seks hadden gehad, voor castratie in aanmerking kwamen. Ik had ook mannen in de behandelkamer die zeer ernstige delicten op hun naam hadden. Ik kende een man die geobsedeerd was door seks, al verscheidene meisjes had verkracht, en de neiging had hen te vermoorden. Hij wilde zelf castratie, in die tijd leek mij dat een goede oplossing.”

VERVOLG OP PAGINA 2

ONTMANDE MANNEN VERVOLG VAN PAGINA 1

En, zegt Van Roozendaal, hij kent een voorbeeld van iemand die nooit zijn handen kon thuishouden. “Deze man was bezeten van seks. In de bus, in de trein, hij moest er aan toegeven. Hij is lang behandeld, maar zei toen zelf: zo kan ik niet verder. Castreer me maar.”

Andere aan castratie gestelde voorwaarden - op vrijwillige basis en niet gecombineerd met een vonnis - werden in de praktijk ook met voeten getreden. De 'vrijwilligheid' was een farce: in de meeste gevallen kozen de patiënten voor castratie om onder een vonnis van de rechtbank uit te komen, of om de al ingestelde onbepaalde TBR te ontvluchten. “Het was een castratie aan de poort van de inrichting, met de vrijheid als premie”, zegt Wertenbroek nu. En Verheul: “De patiënten stonden vaak onder grote sociaal-maatschappelijke druk. Wij konden dan wel in een vooruitstrevende inrichting werken, door de eigen omgeving werd heel anders tegen homoseksualiteit aangekeken, en ook exhibitionisme was toen een groter vergrijp dan nu. De vrijwilligheid waaronder de behandeling plaatsvond, was volstrekt relatief. Ik heb achteraf moeite gehad met de vraag hoe zwaar patiënten waren beïnvloed toen ze voor een castratie kozen.”

De rol van Wijffels in de castratiepraktijk van de jaren vijftig was op zijn zachtst gezegd een merkwaardige. De fervente voorstander van de castratie was ook de man die de praktijk 'objectief' onderzocht en had ook nog eens grote invloed als tot castratie moest worden besloten. De snijtafel van de Willibrordusstichting kende drie aanvoerroutes. Een deel van de castraten-in-spe kwam direct uit het huis van bewaring. Nog voor de rechter vonnis had gewezen, dachten zij een lange straf te ontlopen door zich voortijdig te laten castreren. Zij lieten ter zitting het onderwerp aanzwengelen door hun advocaat, maar soms kwam de officier van justitie ermee. In ieder geval trad Wijffels op als getuige-deskundige.

De tweede aanvoerroute liep van de justitiële Sint Paulus-afdeling (de gesloten TBR-kliniek) naar Willibrordus. Ook voor deze groep inmiddels tot verpleging veroordeelden was Wijffels het aanspreekpunt. De derde groep castratie-cliënten bestond uit patiënten die niet met justitie in aanraking waren gekomen maar min of meer vrijwillig in Willibrordus werden opgenomen. Behandelend geneesheer: Aimé Wijffels.

Wijffels adviseerde de patiënten dus zelf, maar ook de rechter en officieren van justitie en de medische staf van de Willibrordusstichting, die blind voer op het oordeel van Wijffels. Verder verzorgde de prychiater het contact met het ministerie van justitie, dat op afstand een machtiging voor de castratie moest geven, was hij aanwezig bij de ingreep, deed hij de 'nazorg' en 'evalueerde' hij de ingreep. En met zijn promotie, die uiteindelijk beleidsondersteunend moest werken, was de cirkel rond. Wijffels beheerste de castratiepraktijk op alle terreinen. Hij noemde zich niet voor niets 'de grote castreur van Nederland'. En al was zijn lijfspreuk: 'Wijffels, Wijffels, er zijn nog vele twijfels', er was niemand die toezicht hield, niemand met wie hij die twijfels buiten de inrichting kon bespreken. Er werd geëxperimenteerd, maar de experimenten werden niet begeleid.

De reeks castraties, met name na de tweede wereldoorlog, kan niet alleen op het conto van de enthousiaste Wijffels worden geschreven. De omstandigheden, de stand van de wetenschap op dat moment, speelden ook een rol. Na de oorlog was er - net zoals dat in 1995 ook het geval is - een enorm capaciteitsprobleem in de psychopatenasyls, de huidige klinieken voor TBS-gestelden. De keuze tussen een langdurig verblijf achter tralies, of de vrijheid na een castratie was zowel voor de patiënt als voor de overheid snel gemaakt.

De behandelaars van de zedendelinquenten wisten daarnaast ook niet goed wat zij met de patiënten aanmoesten. Wel waren zij ervan overtuigd dat castratie maar een deel van het probleem oploste, maar therapieën waarin delinquenten inzicht werd gegeven in hun problematiek en waardoor zij met hun driften wisten om te gaan, waren eenvoudigweg niet voorhanden. “Ondanks al mijn twijfels had ik toentertijd de indruk dat patiënten er beter van werden”, aldus Verheul. “De seksualiteit - in wat voor vorm dan ook - die de patiënt overheerste, werd gereduceerd.”

In die jaren hingen veel behandelaars van zedendelinquenten de zogenaamde medisch-biologische benadering aan. Wertenbroek: “Onze grondgedachte was, dat we met een castratie de libido van de patiënt konden onderdrukken om hem daarna te motiveren de perverse seksualiteit te verminderen. De castratie voorzag dus niet in een verandering in gedrag of seksuele richting, maar louter en alleen in het verminderen van de libido.”

Castratie was ook het meest trefzekere antwoord op een zedendelict, al wil een castratie - anders dan vaak wordt vermoed - niet betekenen dat een man geen zedendelict meer kàn plegen. De aandrang is in sommige gevallen nog zeker aanwezig, ook kan er nog sprake zijn van erecties.

Uit de cijfers van justitie blijkt in ieder geval dat tien procent van de gecastreerden na de ingreep weer in de fout ging, een recidivecijfer waarover men in die tijd erg tevreden was. Toch: over de consequenties die de castraties hadden voor de mannen in kwestie is alleen bekend dat er veelvuldig psychische problemen en lichamelijke klachten optraden, maar wat die 'bijwerkingen' van de castratie nu precies voorstelden, is nooit duidelijk geworden. Wel is duidelijk dat die zo groot waren dat er in de loop van de jaren zestig terughoudender moest worden opgetreden. Aanpak met chemische middelen en een inmiddels ontwikkelde therapie begonnen in die jaren ook alternatieven voor castraties te vormen.

Een echte evaluatie naar de effecten van castraties heeft in Nederland nooit plaatsgevonden. Ook Wijffels is in zijn onderzoek niet verder gekomen dat de opmerking dat de patiënt 'opgelucht' de inrichting verliet. Toch zitten in het volgens collega Wertenbroek genante proefschift ook nadelen van castratie verborgen. In een brief van de patiënt van casus 39 staat dat de man na zijn castratie 'in seksueel opzicht volkomen beter is'. “Ik heb nagenoeg geen seksuele interesse meer, mijn huwelijksleven is goed, slechts af en toe een kibbelpartijtje.” Maar dan volgt: “Lichamelijk zijn de volgende veranderingen opgetreden. Ben veel zwaarder, heb bustevorming, ben te langzaam en te sloom, mijn baardgroei is verminderd. Mijn geestelijke moeilijkheden zijn echter groter. Ik kan mijzelf nog steeds niet handhaven en blijf minderwaardigheidsgevoelens houden. Ik blijf moeilijk voor mezelf en voor anderen. Soms loop ik te huilen.”

In 1956 gaf justitie uiteindelijk wel opdracht een groot onderzoek te verrichten naar de 'somatische, psychische en sociale gevolgen' van de castratie, maar op de begroting werd daarvoor pas in 1960 geld gereserveerd. In 1968 was de onderzoeksopdracht pas geformuleerd. Dat was tevens het jaar dat met de praktijk werd gestopt, wat tot het verwijt leidde dat er al die jaren wel een castratiepraktijk was geweest, maar er van castratiebeleid geen sprake was.

Met de ervaringen van de mensen die gecastreerd zijn, is verder nooit wat gedaan. De castraten zelf zien de ingreep niet als iets waar zij, zelfs jaren na dato, openlijk over kunnen spreken. Er zijn geen belangenclubs of praatgroepen. De inmiddels zestig, zeventig of tachtig jaar oude mannen hebben leren leven met hun geheim. Alleen de specialisten die de ingreep hebben uitgevoerd, durven te evalueren. “Ik heb de jaren na de castratiepraktijk toch wel moeite gehad met het verleden”, zegt psychiater Verheul. “Ik weet honderd procent zeker dat we vanuit onze optiek toen eerlijk hebben gehandeld, maar de vraag of we het juiste hebben gedaan, laat me niet helemaal los. Hadden we er niet zuiniger mee om moeten gaan? Met een castratie los je een defect op, maar je schept er ook één.”

Van Rozendaal zou nu zeer veel moeite hebben met een castratie. “Maar de uitgevoerde castraties moeten worden gezien in die tijd. Ik heb geen schuldgevoel, wat ik vind dat we nauwkeurig hebben gehandeld, en met verschillende specialisten zorgvuldige beslissingen hebben genomen.”

En Wertenbroek: “Over de castratie waardoor een beter mens zou ontstaan, heb ik altijd twijfel gehad. De ingreep blijft een verminking. Ik ben ook altijd kritisch geweest, we zagen het als noodzakelijk kwaad. En zo zag Wijffels het ook, dat weet ik zeker.”

Deel dit artikel