Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Ik had zelf ook geen flauw benul’

Home

door Eildert Mulder

De Turkse historicus Taner Akcam erkent de genocide op de Armeniërs. Dinsdag sprak hij in Amsterdam een gehoor toe met veel Armeniërs

’We moeten leren praten”, roept de Turkse historicus Taner Akcam bezwerend tegen protesterende Turkse toehoorders.

Op uitnodiging van de Humanistische Omroep ontvouwt hij in de Oude Manhuispoort in Amsterdam zijn visie op de Armeense genocide.

Volgens Akcam is dat ook echt een genocide geweest en dat hij dat als Turkse wetenschapper openlijk zegt is bijzonder.

Hij weet welke rol de Armeense genocide speelde in de Nederlandse stembusstrijd. Het bleek onhaalbaar hem al voor de verkiezingen naar Nederland te halen.

Op zijn lezing is een gemêleerd publiek afgekomen, onder wie Armeniërs maar ook Turken.

Bij het vragenstellen lopen de gemoederen op. „Ik begrijp die mensen”, zegt hij een dag later. „Vroeger wist ikzelf ook niet wat er met de Armeniërs is gebeurd. Als je de feiten hoort dan komt dat hard aan”.

Kun je zulke mensen te overtuigen?”

Akcam: „Dat is niet mijn taak. Ik heb geen politieke missie.”

Toch zeiden een paar Turkse studenten na afloop: „U heeft ons in verwarring gebracht”.

Dat uitgerekend de Turkse vader des vaderlands Ataturk in 1920 de deportatie van Armeniërs in 1915 een ’schandelijke daad’ noemde was hard aangekomen.

Die uitspraak van Ataturk gebruikte Akcam voor de titel van een boek over de genocide, dat hij in het voorjaar uitbracht: A shameful act. De Nederlandse versie verschijnt volgend jaar. Waarom kiest een Turkse wetenschapper partij voor de Armeniërs? Akcam: „Het was zuiver toeval.”

En hoe kan het dat Akcam, geboren in de provincie Kars, een middelpunt van de Armeense tragedie, niets afwist van de genocide?

Akcam: „Echt, ik had geen flauw benul.”

Zijn moeder is niet blij mee met zijn nieuwe, wetenschappelijke hartstocht. „Had je, na alle ellende, geen ander onderwerp kunnen kiezen?” vraagt ze geregeld.

Die ’ellende’ begon in 1975, toen hij 750 jaar cel kreeg wegens een links tijdschriftartikel. Hij studeerde politieke economie. De rechter rondde het af op tien jaar. Na een jaar ontsnapte hij.

In Duitsland kreeg hij asiel. In Hamburg deed hij onderzoek naar folteringen aan het einde van het Ottomaanse Rijk en de begintijd van de Turkse republiek. Hij botste op de genocide. Van lieverlee ontwikkelde hij zich tot historicus.

Nu is hij hoogleraar in de VS aan de Universiteit van Minnesota.

Zijn standpunt is hard, er is een genocide gepleegd. Toch is hij geen Turkse kloon van zijn Armeense collega’s.

Hij gebruikt andere bronnen. Ook plaatst hij de genocide in een nieuw perspectief.Bij de archieven van het Ottomaanse sultansrijk, in Istanbul, is Akcam een geziene gast.

De directeur gelooft zelf niet in de genocide maar behandelt hem met alle egards. Het personeel bedient hem op zijn wenken. Ze drinken thee en voeren lange discussies.

Veel Armeense historici wantrouwen Ottomaanse archieven. Toch komt Akcam juist daarin documenten tegen, die de Armeense lezing bevestigen. Je hebt dan wel een ijzersterk bewijs.

Gemakkelijk is het niet. De documenten zijn geschreven in Osmanli, de kanselarijtaal van het Ottomaanse Rijk. Dat is Turks, maar doorspekt met Arabisch en Perzisch en geschreven in Arabisch schrift. In 1928 voerde Ataturk Latijnse letters in, met als gevolg dat Turken hun historische documenten niet kunnen lezen.

Er zijn documenten later omgezet in Latijns schrift, maar niet de gecodeerde telegrammen, die juist zo belangrijk zijn voor Akcam.

Dankzij al die vaak bijna onleesbare Arabische ambtenarenkrabbels ontdekte Akcam, dat de genocide onderdeel was van een groter plan voor een etnische herindeling van Turkije.

Reden was niet christenhaat of Turks hypernationalisme maar nationale veiligheid. Het idee dateert nog net van voor de Eerste Wereldoorlog, die in augustus 1914 uitbrak.

In de Balkan begon de strijd eerder. In 1912 en 1913 woedden daar twee oorlogen, waaraan ook het Ottomaanse Rijk meedeed.

De Turken raakten de meeste Europese bezittingen kwijt.

Ze kwamen, zo blijkt uit documenten, na die rampzalige Balkanoorlogen tot de slotsom dat hun rijk alleen kon overleven als het homogener werd.

De grote christelijke minderheden, de Armeniërs en de etnische Grieken, moesten verdwijnen, omdat ze op Europa waren georiënteerd.

Het hartland, Anatolië, moest een uitgesproken Turks, islamitisch karakter krijgen. Niet-Turkse moslims, zoals de Koerden, moesten assimileren.

Akcam heeft geen aanwijzingen dat er in 1913 al gedacht werd aan massamoord. Er was ook uitwisseling mogelijk van bevolkingsgroepen met buurlanden. Dat is later, in de jaren twintig gebeurd met de Anatolische Grieken. Zij verhuisden naar Griekenland, dat zijn eigen Turkse minderheid grotendeels naar Turkije uitzette.

Dat de etnische Grieken niet hetzelfde lot ondergingen als de Armeniërs had er ook mee te maken dat Griekenland dreigde met wraak op zijn eigen Turkse minderheid.

Er is wel gezegd dat een massale deportatie in die tijd, met zijn primitieve omstandigheden, wel rampzalige gevolgen moest hebben. En dat de zaken in 1915 uit de hand gelopen zijn en het niet de bedoeling was dat er zoveel doden zouden vallen.

Maar daartegen pleit dat de Turken begin 1915 ook deportaties hebben uitgevoerd, zowel van Grieken als Armeniërs, die redelijk verliepen. Ze hadden een militaire achtergrond en waren niet bedoeld om te moorden. De gedeporteerden bleven binnen Anatolië.

Ineens wordt het anders, als op 23 april 1915 (volgens de documenten, volgens de Armeniërs op 24 april) er een order komt om de Armeniërs massaal naar Syrië te deporteren, dat toen nog tot het Ottomaanse Rijk behoorde.

Akcam: „Het doel was toen wel vernietiging.” Een hoofdrol speelde de ’Speciale organisatie’, opgezet voor sabotage-acties in vijandelijke buurlanden. Ze werd nu losgelaten op de Armeniërs en bestond uit Koerden, vrijgelaten tuchthuisboeven en immigranten, die uit de Balkan waren gevlucht en vervuld waren van revanchegevoelens tegen christenen.

De ’Speciale organisatie’ leverde Armeniërs en ook Assyrische christenen uit aan Koerdische stammen, die loyaal waren aan de regering.

Akcam zag overigens documenten waarin de regering verbiedt om Assyriërs te deporteren. Akcam: „Maar in de praktijk werd vaak weinig onderscheid gemaakt.” Hij levert een griezelig detail. Begin jaren negentig van de vorige eeuw verbrandde het Turkse leger duizenden Koerdische dorpen te verbranden.

Ook toen waren er Koerdische stammen, die loyaal waren aan de regering en speciale corpsen van ’dorpswachters’ vormden, tegen de guerrilla-organisatie PKK.

Ze hielpen mee met de verdrijving van andere Koerden en de verbranding van hun dorpen.

Veel ’dorpswachters’ behoren tot dezelfde stammen, die in 1915 de Armeniërs vermoordden.

Binnen de Ottomaanse bureaucratie leefde weerzin tegen de deportaties. Twintig gouverneurs van provincies en districten weigerden de orders uit te voeren. Vijf zijn vermoord.

Het moorden gebeurde vooral onderweg, in het Oost-Turkse alpenlandschap. Maar in Diyarbakir begon de slachting al in de stad zelf.

Verslagen van processen, na afloop van de Eerste Wereldoorlog, vormen een rijke bron voor Akcam. Hij vond erin dat de gouverneur van Ankara een opdracht had gezien om Armeniërs te vermoorden.

Akcam vindt de Turkse verweren niet overtuigend. Het land was in een strijd op leven en dood verwikkeld, zo luidt het, en de Armeniërs heulden met de Russische vijand.

Akcam: „Er hebben tienduizend Armeense vrijwilligers gevochten aan Russische zijde. De meesten kwamen uit Amerika en Europa, er waren ongeveer drieduizend Ottomaanse Armeniërs bij.

Maar er vochten ook Armeniërs mee in het Ottomaanse leger tegen de Russen. Armeniërs redden zelfs het leven van Enver Pasha, (een van de leden van het driemanschap, dat het Ottomaanse Rijk regeerde).

Enver stuurde een dankbetuiging aan de Armeense patriarch.

Er zijn Armeense opstanden geweest maar er waren ook Koerdische opstanden.

Er wáren Armeense wraakacties in 1918. Volgens de Turkse generale staf zijn daarbij in drie provincies vijfduizend Turken gedood. Maar na de Tweede Wereldoorlog zijn er ook miljoen gedeporteerde Duitsers omgekomen en betekent dat soms dat er geen holocaust is geweest?”

Akcam pleit voor een verzoeningsinitiatief van de Europese Unie: „Het moet in kleine stappen gaan. Je zou dorpen hun oude, Armeense namen kunnen teruggeven. Breng discussies op gang.

Turkije heeft de keus tussen twee uitersten, Duitsland dat alles erkent en Japan dat alles ontkent. Ergens daartussen moet Turkije zijn houding bepalen. De meeste Turken begrijpen wel dat er iets verschrikkelijks is gebeurd.”

Deel dit artikel