Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik ga niet naar Japan', zei novice Oosterhuis

Home

Marc van Dijk

De tweede fase van de jezuï¿etenopleiding, het Nijmeegse Berchmanianum, rond 1956. Omcirkeld: Huub Oosterhuis. ©

In het eerste jaar van zijn jezuïetenopleiding maakte theoloog en dichter Huub Oosterhuis een innerlijke worsteling door met zijn geloof en het kerkgezag. Een voorpublicatie uit zijn biografie, die komende week verschijnt.

De jezuïetenopleiding, waar Huub Oosterhuis op zondag 7 september 1952 aan begon, was een van de langste en zwaarste wegen om priester te worden. Een jezuïet studeerde minstens tien à twaalf jaar voordat hij de priesterwijding ontving.

Na de twee eerste weken in het jezuïetennoviciaat Mariëndaal te Velp bij Grave kregen Oosterhuis en zijn groepsgenoten - die elkaar met 'u' en 'frater' dienden aan te spreken - een toog aan.

Na nog twee weken begon de 'grote retraite', die dertig dagen duurde. Deze periode van 'geestelijke oefeningen' was erop gericht om de nieuweling te laten onderzoeken of hij wel met de juiste motieven was ingetreden. Bidden, mediteren en vooral veel zwijgen.

De beul
Ook zelfkastijding, een eeuwenoud ascetisch ritueel, diende vanaf het begin te worden toegepast. Oosterhuis: "Je kreeg een zweepje. Een paar keer in de week moest je jezelf daarmee een pak op je billen geven. Je mocht jezelf niet tot bloedens toe slaan. Het rare is dat ik het helemaal niet gek vond. Ik was bereid alles te nemen. Ik ging ervoor, maar dan ook helemaal. Het had voor mij met overgave te maken. Er werd vaak lacherig over gedaan. De medebroeder die de taak had om de zwepen en de kettingen te maken, noemden we 'de beul'."

De grote retraite was in Oosterhuis' ogen geen hersenspoeling. "Wél een confrontatie met jezelf, bijna onverantwoord heftig voor een achttienjarige."

Oosterhuis was ingetreden na zijn middelbare schooltijd op het Amsterdamse Ignatiuscollege van de jezuïeten. Godsdienstleraar pater Van Kilsdonk probeerde daar in zijn eigen woorden roepingen 'hoorbaar' te maken voor de scholieren. Oosterhuis had in het laatste jaar afstand genomen van zijn biechtvader, omdat hij hem bemoeizuchtig vond. Van Kilsdonk had Oosterhuis onder meer voorgehouden dat hij bereid moest zijn om offers te brengen. Als hij voor een celibataire levensweg zou kiezen, zou hij zijn toekomstige kinderen 'offeren' zoals Abraham bereid was geweest zijn zoon te offeren op de berg Moria.

Pas op het laatste moment, tijdens zijn herexamen Latijn, had Oosterhuis besloten dat hij gehoor wilde geven aan zijn roeping.

Lees verder na de advertentie

 
God was een koning, een onverbiddelijke koning, die bloed wilde zien

Drie keer bezoek per jaar
Oosterhuis zou zijn familie voorlopig nauwelijks zien. Hij mocht weliswaar brieven schrijven en ontvangen, maar altijd in het besef dat post geopend kon worden door oversten. Bezoek ontvangen in Velp was alleen toegestaan op daartoe aangewezen dagen, drie keer per jaar.

Jongste zus Eugenie Oosterhuis (1938) herinnert zich hoe de sfeer thuis was in de weken nadat haar oudere broer zijn intreden had aangekondigd. "Het was volop zomer, maar voor ons was de lol eraf. Moeder zat vreselijk te huilen. Eigenlijk mochten wij van haar geen van allen het huis uit. Onze oudste broer Hans studeerde toen al twee jaar medicijnen, maar hij mocht niet op kamers. Zelf kwam ik ook met geen mogelijkheid weg. Door in te treden kon Huub het huis verlaten en aan moeder ontkomen."

Naast verdriet en voorzichtige trots was er vooral ook verbazing over zijn stap. "Hij was zo rebels, zo tegendraads. Niet zozeer naar buiten toe, maar in ons gezin beslist wel. Hij had voortdurend vriendinnen. Daar gingen de meeste ruzies over. Toen hij intrad dachten wij: hoe kan dat nou in 's hemelsnaam goed gaan?"

De eerste confrontatie met het gezag liet niet lang op zich wachten. In de derde week van de grote retraite werd er tijdens de maaltijd in de refter een brief voorgelezen van de generaal der jezuïeten. Strekking: Paus Pius XII wilde dat de jezuïeten de katholieke kerk zouden gaan bevorderen in Japan.

Totale toewijding
Oosterhuis: "Wel moesten we weten dat het een zeer zware opgave zou zijn om daarheen te gaan, want het kon vijfentwintig jaar duren voordat je de taal machtig was. Ik hoorde dat allemaal aan en terwijl ik een lepel naar mijn mond bracht dacht ik: ik moet naar Japan. Dit is natuurlijk de consequentie van die roeping. Tot het uiterste gaan. Jezelf geven, totale toewijding. Het stormde in mijn hoofd: ik wil dit niet, ik kan dit niet. Eerst moest ik mijn kinderen offeren, nu moet ik mijn taal ook nog opgeven."

Dat het binnen de jezuïetenorde moeilijk zou worden om gedichten te blijven schrijven, wist Oosterhuis al. "Je mocht geen ambities koesteren, ook geen poëtische aspiraties. Ik had wel het idee dat ik er afstand van moest doen, in principe. Maar Japan was een ander verhaal. Ineens moest ik definitief weg uit mijn taal en uit alles wat ik hoopte te schrijven."

 
Wel moesten we weten dat het een zeer zware opgave zou zijn om daarheen te gaan, want het kon vijfentwintig jaar duren voordat je de taal machtig was

In enkele gedichten in zijn bundel 'Gedroomde God' (1983) refereert Oosterhuis aan de worsteling die volgde, met verwijzingen naar 'The Hound of Heaven', een gedicht van Francis Thompson dat hij voor zijn besluit tot intreden had gelezen, zoals in deze regels:

The Hound of Heaven,

uit oude boeken blafte U mij toe

dat U mij aannam als Uw zoon,

dat U mij wou

maar in een klooster in Japan.

Er werd over God gesproken in krijgsmodellen; de jezuïeten streden als het leger van Jezus onder het vaandel van het koninkrijk Gods, tegen de troepen van de duivel. "God was een koning, een onverbiddelijke koning, die bloed wilde zien. Zijn stem, daar ging je niet lichtzinnig mee om," zegt Oosterhuis.

Maar hij hoorde óók een geluid dat heel anders klonk dan het grimmige blaffen van 'The Hound of Heaven'. "Elke dag zongen we Latijnse gezangen uit het Romeinse missaal. Levavi oculos meos in montes - Tot U sla ik mijn ogen op. Refugium factus es nobis - Onze toevlucht zijt Gij geworden. Prachtige, vertroostende collages van psalmcitaten."

Grafstenen
In het voorjaar kreeg het kerkhof van Mariëndaal een opknapbeurt. "Toen ik samen met andere novicen grafstenen aan het schoonmaken was, wist ik het ineens zeker: ik ga niet naar Japan. Ik dacht: die Moria-God die offers eist bestaat niet, of in elk geval wil ik niet bij hem horen, of weet ik wat - ik kan moeilijk verwoorden wat ik precies dacht."

In zijn Abel Herzberglezing zei Oosterhuis later over dit moment: "Even kon mij het bestaan van God niet schelen." Maar die woorden heeft hij in zijn eigen exemplaar van de gedrukte versie van die tekst weer doorgestreept.

In de gedichten is het moment ook te herkennen:

Mij even oprichtend uit mijn gebogen houding

zag ik die middag de hoge blauwe lucht,

de hemel open,

en schafte U af, de bedachte, gedroomde,

en legde een hand op mijn mond.

En boog mij opnieuw naar de grond

en poetste nog een graf

zo schoon als een gootsteen.

En door de lozing verdwenen

de eerste resten van Uw systeem.

Vlak voor Pasen moesten Oosterhuis en zijn studiegenoten biechten. "Op Witte Donderdag knielde ik neer op de biechtstoel van de magister, pater Simon Maas.
Hij vroeg: 'Hoe gaat het met u, frater Oosterhuis?'
Ik zei: 'Ik ga niet naar Japan.'
Hij begreep er niets van. Hij vroeg me hoe ik erbij kwam dat ik naar Japan moest. Dat had ik uit de brief van de generaal opgemaakt, zei ik. Hij zei dat daar helemaal geen sprake van was. Hij werd een beetje bleek en zei: 'Dat mag je nooit meer doen: in je eentje over zo'n groot probleem malen.'

"Ik had een half jaar in een waan geleefd. Hoewel, het was niet louter waan. Ik heb in die maanden een aantal dingen voor mijn leven opgelost. Later heb ik nog eindeloos veel mensen ontmoet die verschrikkelijke angsten hadden voor God en voor zondigheid en voor seksualiteit en weet ik wat allemaal. Daar heb ik nooit meer last van gehad.

"Het klinkt misschien gek, maar ik heb sindsdien nooit één moment níét geweten wat ik moest doen. Het was de eerste keer dat ik besloot om nee te zeggen tegen het gezag, het systeem, zo van: ze kunnen van alles zeggen, maar daar hoef ik me niet aan te houden. Het geldt niet voor mij. Dat heb ik altijd in me gehad, als jongetje al, maar nooit eerder had ik het zo sterk gevoeld."

Dit is een bewerkte voorpublicatie uit het boek van Marc van Dijk: De paus van Amsterdam. Biografie van Huub Oosterhuis, uitgeverij Atlas Contact; vanaf donderdag verkrijgbaar. Boekpresentatie op 17/10 van 20-22 uur in de Ignatiuskapel (in het Montessori Lyceum Amsterdam, ingang Pieter de Hoochstraat 59). Aanmelden kan via De paus van Amsterdam

Deel dit artikel