Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik dicht, want je bent dood, dood, dood'

Home

Janita Monna

Pieter Boskma schreef maandenlang dagelijks twee à drie gedichten. Nu ligt ’Doodsbloei’ in de winkel, een monument voor zijn vrouw, die in 2008 overleed aan borstkanker.

’Hier’, zegt Pieter Boskma, „hier stond haar bed. Daarom heb ik hier de tafel neergezet. Ik dacht: ik ga daar werken.” Hij is er zeker van dat zijn vrouw hem aan het werk heeft gezet. „Ik stond daar, midden in de kamer en ineens was het of ik even werd aangeraakt. ’Ben jij het, liefste?’, vroeg ik.” Het zijn de openingswoorden van ’Doodsbloei’, waarvan het eerste gedicht enkele weken na de dood van zijn vrouw Monique ontstond. Of beter: het kwam als vanzelf. „Ik heb niks verzonnen.”

Na dat eerste gedicht ging Boskma de volgende dag opnieuw aan de tafel zitten in zijn huis in het Noord-Hollandse Heiloo. „Meteen kwam er weer een gedicht. Toen wist ik: het is begonnen. Ik heb alles opzij geschoven en heb zeven maanden lang als een monnik gewerkt. Elke dag exact dezelfde indeling, alles geconcentreerd op die middaguren tussen twee en zes waarin die een, twee of drie gedichten moesten ontstaan. Eerst liep ik een paar uur door de duinen. Ik keek, luisterde, snoof geuren op en paf!, dan kwam er een regel. Soms al een half gedicht. Dan reed ik snel naar huis en in de auto repeteerde ik die regels. Door het rijm kon ik het makkelijk onthouden. Thuis ging ik ermee verder.”

Het werden sonnetten, bevrijde sonnetten, zoals hij ze noemt, met halfrijm en wisselende ritmes. Ook de vorm diende zich als vanzelfsprekend aan. „Na twee gedichten wist ik: ik ga er honderd maken. Het wordt een monument voor Monique, dan kan ik niet met tien gedichten aankomen. Een enorme kreet, wilde ik, geen sereen ding. Mijn favoriete plek, het duinlandschap, verbinden met de grootste tragedie uit mijn leven. Ik schrijf ’Want je bent dood, je bent dood, je bent dood’. Ik wilde het er goed inpeperen.”

Van de 332 gedichten die hij uiteindelijk maakte, staan er 252 in ’Doodsbloei’. Niet per se alleen de beste. „In iets van deze omvang zit wel eens een zwakkere schakel. Maar die is dan nodig voor de voortgang van het verhaal, of voor wat lucht of even een liedje tussendoor. Ik vind dat niet erg, ik hou ook van die zwakkere broeders.”

Hij adviseert om de bundel te lezen als een roman. Eén die is terug te voeren op het leven van Pieter Boskma, wel autobiografisch, maar niet allemaal echt gebeurd.

De bundel bestaat uit drie delen, gevolgd door drie epilogen. In het eerste, meest lyrische deel zoekt de ’ik’ zijn dode geliefde in de duinen, aan zee: „Daarom maak ik nu elke dag voor jou / een plek waar wij weer kunnen samen zijn, / midden in de duinen, en van muziek gebouwd.” In het haast surrealistische deel twee wordt een reis naar het dodenrijk gemaakt. En in ’Opnieuw’, het laatste deel, komt de hoofdpersoon langzaam weer terug in de werkelijkheid.

„’Dit kan niet’, heb ik wel gedacht. Ik zoek altijd het randje op van wat poëtisch betamelijk is. Nu balanceerde ik in een schemergebied, tussen de doden en de levenden. Dat gaat met je aan de haal. Ik laat het haar ook zeggen: ’Je kunt geweldig scheppend zingen, / maar kijk uit, ga daarin niet te ver.’ Soms dacht ik: ’Ik ga dood of ik word gek, maar doorgaan zal ik.’ Het werken aan ’Doodsbloei’ was zowel het oproepen als het bezweren van het verdriet. Ik ben er heel diep doorheen gegaan.”

Dat vrienden zich zorgen maakten schemert ook in deze regels door: „Ik blijf steeds meer thuis, zie soms een week geen mens, / wat ik gek genoeg vaak na een week pas in de gaten heb.” Boskma: „Ik zat in zo’n diepe dommel aan de oevers van de dood dat er momenten waren dat het wel eens verleidelijk was om eruit te stappen. Maar dan dacht ik: ho, nou je kop erbij, Bosk. Die gedichten zijn uiteindelijk ook een soort kunstgrepen om controle te houden, de werkelijkheid naar je hand te zetten.”

Er klinken verschillende stemmen in ’Doodsbloei’ en dieren zijn vanzelfsprekende aanwezigen. Een hert, ossen, vogels en vooral de havik – ’Een havik wiekt traag, ook hij heeft het koud’ – die hij vaak zag op het duin waar hij haar as verstrooide: „Je krijgt een soort gevoeligheid voor dingen. Als die havik er was, voelde ik: Monique is er. Eén keer kwam dat beest op me afvliegen toen ik op een smal bospaadje liep. Hij hing vlak voor me, ik kon ’m haast aanraken! Voor mij is zoiets geen toeval. Zo’n beest wordt personage in het verhaal.”

Zoals ook de Dood personage werd: „Het werken aan deze gedichten bracht me sympathie voor de Dood, het is een buitengewoon tragische figuur. Hij moet iedereen altijd maar halen, wordt door iedereen gehaat.” Boskma laat de Dood dan ook in staking gaan; hij wil ook sterfelijk zijn: „Waarom mag iedereen de pijp uit, behalve ik? / Ik eis het recht op een laatste adem.”

Bewust wilde hij de bundel licht houden, en geestig. „Maak maar een grapje, ook over de dood, waarom niet? In een van die laatste gedichten maakt de ik de Dood aan het schrikken door keihard ’hoeiboei’ in z’n oor te roepen. Dat soort grapjes zijn ook functioneel, ze laten zien dat er lichtere toetsen zijn in alle tragiek.”

Over God heeft hij de laatste gedachte nog niet gedacht. Wel steekt hij af en toe in de Mariakapel vlakbij zijn huis een kaarsje op voor Monique. „Ik ben rooms-katholiek van huis uit. En ik heb een religieuze natuur, maar de banden tussen God en mij zijn niet echt aangehaald. Ik wilde hem wellicht wel vooral die tragedie flink inpeperen: wie van ons ook stierf, het is Gods grootste fout.”

Hij heeft soms heimwee naar de tijd waarin hij zo monomaan werkte. „Ik was totaal verslaafd geraakt / aan de tocht die ik had gemaakt, / zij het met lood in iedere schoen”, schrijft hij. „Het is zo fantastisch om in zo’n flow te zitten die maar doorgaat.” Sinds hij klaar is, heeft hij nog niet weer geschreven. „Ik ben wel met iets bezig, daar was ik al aan begonnen voordat Monique ziek werd. Het wordt waarschijnlijk weer een lang gedicht. Ik vind dat zó lekker om te doen, die epische dingen.”

In januari knalde hij, zoals hij het zegt, de rouw uit, weer vol het leven in: „Door de kus van een meisje. Als een meteoor stoof ik door de stad, van drankgelag naar drankgelag. Leven in liefde is dubbel zo mooi.” Zijn epiloog is ook gericht aan de vrouwen. „Vrouwen begrijpen dat sensuele het beste: ’De zwoele kanten van de rouw / passen het best bij hun wezen.’ En bovendien, ik ben weer op de markt, ha, ha!”

’Doodsbloei’ is volgens Boskma beslist geen depressief boek, en zeker niet moeilijk. „Ook mensen die nooit gedichten lezen, kunnen dit lezen.” Aan het slot schrijft hij:

Het liep niet af, zo simpel is het,

het gaat nog altijd door: het gemis

en de woede, wanhoop en droefenis,

het eenzame, tandenknarsende verzet.

Toch is er uiteindelijk een positieve boodschap: „Het went. De allergrootste heftigheid is eraf. Poëzie heeft het rouwproces versneld. Ik ben die poëzie eeuwig dankbaar. Geen idee hoe ik anders de afgelopen twee jaar van mijn leven door had moeten komen.”

Deel dit artikel