Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik ben geen kapsoneslijer'

Home

ROP ZOUTBERG

“Ik tel mijn zegeningen bij de KRO. Zelfs na de publieke verontwaardiging staat Brandpunt nog recht overeind. Sommige publikaties waren pijnlijk, maar horen bij de ingeslagen koers. Er is geen dag geweest waarop ik dacht: dit zou me mijn baan kunnen kosten. Geen minuut.”

“De kijkdichtheid van Brandpunt is een griezelig besef. Je maakt geen programma in de marge, waar een paar dagen later nog eens een tweekoloms berichtje over verschijnt. Mijn diepste hartstocht is het nieuws van zijlicht voorzien, achter het conflict de straat in lopen. Dat is een veel slijtender vorm van journalistiek. Ik heb te veel cynici en tandeloze cowboy-cameramensen zien rondlopen om te denken dat dat mijn vak zou moeten worden.”

Jammer dat de beste journalist van Nederland niet bij een onafhankelijke omroep werkt, schreef iemand vorig jaar over Fons de Poel. De eindredacteur van KRO's Brandpunt vormde op dat moment de spil in een discussie over de manier waarop de actualiteitenrubriek de finale nekslag aan Elco Brinkman toediende. Vooral het tijdstip van uitzending, daags voor de verkiezingen, over het commissariaat van de CDA-lijsttrekker bij de firma Arscop resulteerde in een verontwaardigde redetwist bij de KRO-achterban. Een deel van de ledenraad vond dat een journalist, in dienst van de KRO, zeker niet zo onafhankelijk kon zijn als Fons de Poel c.s.

De spreekkamer bevindt zich naast de redactieruimte. Hij is keurig in pak-met-stropdas. Fons de Poel is nu 39 jaar en werd, tien jaar na zijn aanstelling bij de KRO, in augustus 1992 de opvolger van Ton Verlind als eindredacteur van Brandpunt. Daarvoor was hij verslaggever bij de Arnhemse Courant en De Gelderlander.

“Ik ben blij dat ik niet iedere dag een journaal, Nova of 2 Vandaag hoef te maken. Wij hoeven maar twee keer per week, kunnen ons een andere investering permitteren. Door samenhang schiet je over die incidentele verslaggeving heen. Wij zijn harder dan Nova, omdat we langer aan onderwerpen kunnen werken.”

Wat onderscheidt Brandpunt van de actualiteitenrubrieken?

“Een grote visuele investering. Natuurlijk maken wij snelle onderwerpen, maar daarnaast zijn er ook de grote verhalen, die twee weken produktietijd vergen. Dat grote verhaal is een afwijkende raamvertelling, en zit consequent in het programma. Ik heb daarnaast geprobeerd ruimte te scheppen voor onderzoeksjournalistiek. Steven de Vogel en Ton F. van Dijk doen niets anders dan dingen uitzoeken. Zij schaatsen niet op de korte baan, nemen twee maanden de tijd om bronnen in de goede volgorde te raadplegen.”

Dat is jouw invloed.

“Ik vond dat de televisiejournalistiek achterstand had gekregen op de krantenjournalistiek. Televisie werd veelal gemaakt door programmamakers, die ook nog eens journalisten zijn. Zelden zag je het omgekeerd. Televisie had een hoge mate van braafheid gekregen; keurig bij de machthebbers informeren hoe het zit en niet toekomen aan tegels lichten. Het doel van mijn onderzoeksjournalistiek is het zichtbaar maken van machtsstructuren. Een tweede, nevengeschikt doel is het laten meespelen van Brandpunt in de opinievorming. Je moet niet alleen trendvolger zijn, maar er ook voor zorgen dat je in het landschap verschijnt. Dat is een programmatisch belang. Met een redactie van maar twintig mensen vormen wij een onderdeel van nationale discussies.”

“Ik vind het een doorbraak dat wij geen genoegen meer nemen met de geregisseerde informatie. Dat is een journalistiek activistische houding. De moeilijkste vorm van journalistiek is onthullen. Het stelt hele nieuwe en hoge eisen aan televisiejournalistiek. Naarmate de feiten harder worden zul je daarop in ieder geval niet meer worden aangevallen, maar wel op de vormgeving.”

Dat stelt teleur wanneer je onthullende televisie maakt.

“Dat juich ik toe. Wij brachten een auto in beeld om te laten zien hoe oom Arie in een auto rijdt. Mensen riepen: 'Dat mag niet!' Natuurlijk is de keuze van beelden vaak arbitrair: ik treed niet terug voor de suggestie die televisie oproept. Die wìl ik oproepen. Er zit heel veel schijnheiligs in de kritiek op de vormgeving van onze Brinkman-uitzending. Hoe groter het nieuws, hoe forser de onzin-argumenten waarop je gepakt wordt. Wanneer je vlak voor de verkiezingen meldt dat de beoogde premier commissaris is van een frauduleus bedrijf, kan ik als eindredacteur vermoeden dat daarna op alle mogelijke manieren het vuur wordt geopend. Ik was blij met de discussie over de vormgeving. Het ging over haasjes en konijntjes, het was te ridicuul voor woorden.”

“Naarmate nieuws groter is, moet je het kennelijk soberder brengen. We zouden er nu geen haasje meer inzetten. De Arscop-affaire was het resultaat van zestien verhalen checken. Wij waren niet met Brinkman bezig! We onderzochten een andere politicus, maar ons onderzoek liep stuk. Bij het checken van commissariaten stuitten we toevallig op Arscop.”

“Op de feiten werden we niet aangevallen. De krantenkoppen gingen over manshoge konijnen, men zocht een stok om te slaan. De halszaak die er van gemaakt is door een aantal criticasters was bespottelijk. Onzin. Ridicuul. Flauwekul. Professoraal gesnavel. Een deel van onze achterban voelt zich zeer verwant met het CDA, maar de uiteindelijke opzeggers waren absoluut niet representatief voor de KRO. Zij vormden nog geen procent van het totale ledental.”

De Arscop-affaire had een andere impact gehad wanneer de Vara het had uitgezonden.

“Misschien. Het CDA opende de aanval op de KRO, hùn KRO. Ze vonden het schandalig. We weten nu dat het een laatste poging was om via het underdog-effect Brinkman te redden. Zijn kop hing al làng. Wanneer wij om politieke redenen dit verhaal niet hadden gebracht, had ik mij diep gegêneerd afgewend van dit bedrijf. Er is nooit twijfel geweest over de uitzending van de Arscop-zaak. Ik heb nooit tegenover Braks met mijn portefeuille hoeven zwaaien. Met hem praat ik daar niet over. Ik zie Braks zelden, hooguit op een receptie. Hij heeft na afloop gezegd dat hij de affaire vervelend vond, maar er is geen rechtstreekse telefoonlijn van Gerrit Braks naar mij geweest. Ik ben professioneel afgeschermd voor invloeden vanuit het bestuur.”

“Ik heb nooit een dag pijn gehad aan de affaire, maar je denkt toch niet dat ik met plezier de persoon van Brinkman op deze manier schilder? Ik ken Brinkman behoorlijk goed. Brandpunt kwam op het spoor van een belangwekkend verhaal, dat we móésten uitzenden. Wij hebben gelijk gehad.”

Fons de Poel vertelt het verhaal van zijn jeugd, waarin het katholiek-zijn zich beperkte tot de gang naar de kerk en hij nèt geen misdienaar werd. Zijn ouders waren links van het midden en hadden uiteindelijk met de kerk niet zo gek veel meer op. Hij heeft wel de notie van een katholieke cultuur, komt uit het gebied van de zachte 'g', waar wielrennen en biljarten even belangrijke sociologische factoren waren als het grapje dat de priester op de 'wekelijkse spreekbeurt' maakte.

“Katholicisme staat ook voor gemoedelijkheid en elasticiteit in de omgang. Dat voel ik bij de KRO, en niet wanneer ik de tent van Veronica binnenstap, net zo min als bij de NCRV. Ik ben heel sfeergevoelig. Ik zou mij niet thuisvoelen in gezelschappen waar je over je schouder moet kijken, in een milieu waarin de ellebogen het werk doen.”

“Soms wil ik scoren. Dat is een druk die je jezelf oplegt, die je voelt wanneer minder dan 500.000 mensen kijken. Bij het toenemend geweld aan informatie en amusement op televisie is het zeer moeilijk een rol te blijven spelen. Ik heb geprobeerd bij Brandpunt een heel sterk wij-gevoel neer te zetten, heb veel nieuwe mensen aangenomen. Tot mijn vreugde is er een chemie ontstaan. Wanneer een collega iets goed doet, wordt het onmiddellijk erkend. Ze wachten hem op op Schiphol wanneer het een moeilijke reis was.”

“Ik dring erg aan op vriendschappen. Aan een televisieprogramma kun je bijna altijd zien of het leuk is op een redactie. Je ziet inspiratie, wederzijdse bevruchting. Ik wil over de grenzen van het normale heen. Het ware oogsten is de uitkomst zelf; dat je een paar grote journalistieke zaken hebt gedaan.”

Heel postmodern, van het ene hoogtepunt naar het andere.

“Ik heb mij er nu bij neergelegd dat het soms minder mag zijn. Je kunt niet van week tot week in de illusie leven dat je het beste programma maakt. Dat is waanzin. Ik wil bewegende televisie; er moet van alles gebeuren. Dat is het verschil tussen een halve dag en drie dagen filmen. Ook bij een lullig onderwerp wil ik dat het verheven wordt boven quootje-halen-tussenshotje-quootje-halen-tussenshotje-quootje-tussensh otje. Ik heb op de redactie veel termen geïntroduceerd. Daar geloof ik in, in trefwoorden, op basis waarvan je elkaar beoordeelt. Dampen is gelijk aan zinderen, het onderwerp moet leven. Stapelen is een andere term: in een stapeling een samenhang schetsen bij een nieuwsgebeurtenis. Opmerkelijk is een verhaal waar je niet al zes keer overheen gestruikeld bent. Opmerkelijk is het portret van mensen in Kirchizië, die nog Nederlands spreken. Dat is waanzinnig.”

Je bent de jonge uitvoering van Paul Witteman.

“Witteman en ik zijn zeer verschillend. Paul is de beste interviewer van de televisie. Ik kan een aardig gesprek houden, kan redelijk lullen, maar ben zeker geen fan-tas-ti-sche interviewer. Ik ben een ander soort journalist. Paul is briljant. Hij oogt ook aardig, veel aardiger dan ik. Dat heb ik niet meegekregen. Ik ben een vriendelijke jongen, maar als ik mezelf zie denk ik: wat een verbeten kop.”

Een zedenpreker.

“Ik straal dat uit: iets heel serieus. Er kan bij mij niet zo heel snel een lach af. (Doet een poging) Wanneer ik lach ben ik niet natuurlijk. Paul Witteman en ik zijn zeer complementair, wij zouden in staat zijn samen het allerbeste te maken.”

“Sinds die affaires word ik door mensen op straat verbonden met een hardere journalistieke lijn. Mensen denken: met De Poel moet je opppassen. Ik ben nog iedere dag verbaasd. Ik ben geen kapsoneslijer, ik ken geen dédain. Het feit dat mensen mij kennen, en een oordeel over mij hebben, verwondert mij iedere dag.”

“Ik ben dicht bij mezelf gebleven en heb tegelijkertijd mezelf overgeslagen. Ik werk heel hard, en dat gaat ten koste van veel. Ik hoop die fout ooit nog eens te herstellen, dat ik afstand kan nemen van mijn semi-bekendheid. Mijn beroep is mijn leven, en ik veronachtzaam daardoor andere dingen. Dat is het lot van menig journalist. Er bestaat geen leukere hartstocht dan iedere dag verhaaltjes bedenken. Ik moet wat kunnen met de werkelijkheid, anders vind ik er niets aan. In mijn hart zou ik het liefst voor een regionale krant werken en iedere dag een stadskroniek schrijven. Het begint bij mij altijd met scheppingsdrang.”

Deel dit artikel