Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Ik ben bezig met simpele en eeuwige zaken’

Home

Antoine Verbij

Even leek het of Russische schrijvers de band met hun onverwoestbare traditie hadden doorgesneden. Maar zie: de jongste generatie kiest niet voor luidruchtig experiment, maar voor romans met eeuwigheidswaarde, constateert Antoine Verbij.

Vladimir Makanin: Schrik. Vertaling Gerard Cruys. De Arbeiderspers, Amsterdam. ISBN 9789029565608; 447 blz. euro29,95

Aleksej Ivanov: De man die zijn wereld opdronk. Vertaling Anna Kouznetsova, Arjen Uijterlinde en Jos Vonhoff. ISBN 9789029081047; Meulenhoff, Amsterdam. 395 blz, euro22,50

Oleg Zobern: Stil Jericho. Vertaling Ellen Rutten en Arie van der Ent. Douane, Rotterdam. ISBN 9789072247087; 164 blz., euro13,50

Russische romans blinken niet uit in opwindende seks. Geen broeierig-hete hofmakerij en hartstochtelijke versmelting. Als er al seks in voorkomt, is die meestal groezelig en grof, besmeurd door onedele motieven en beneveld door drank of drugs.

Of seks speelt een rol als provocatie. In naoorlogse literatuur bijvoorbeeld in de schelmenromans van Edward Limonov, de kijk-mij-nou-eens-romans van Viktor Jerofejev of de romans van rebelse jongeren als Irina Denezjkina. Stoere bandeloosheid, lekker trappen op taboes.

Traditionele Russische romans duiden seks alleen maar aan. Door een suggestieve schildering van wat eraan voorafging of wat er daarna gebeurde. Belangrijker dan de seks is hoe het ertoe komt, wat mensen naar elkaar toe en weer van elkaar af drijft. De seks is secundair, die zit daar ergens tussenin, te oninteressant en te vulgair om te beschrijven.

Die haast hoofse terughoudendheid vind je bij alle klassieke schrijvers, al schreven die soms wel uitbundige pornografie voor hun bureaula (Poesjkin!). Die klassieke reserve tegenover seks zie je weer terug bij enkele nieuwere schrijvers. Misschien is dat een teken dat de nieuwere Russische literatuur terugkeert naar de traditie.

Neem ’Schrik’ van Vladimir Makanin. De hoofdpersoon bedrijft vaak de liefde. Makanin vertelt niet hoe maar waarom. „Ik lag nog een tijdje naast Lida, ik lag gewoon naar haar slapende gezicht te kijken. Ik zwijmelde. Al kijkend zoog ik de laatste heerlijke minuten in me op. Er is hier een rolluik voor het raam, maar op één plek is een opening waar de maan doorheen glipte. Met één straal, met één smal, elegant baantje stroomde de maan hiernaartoe, naar het bed...”

Deze Pjotr Petrovitsj, een oude man, is maanziek. Hij leeft teruggetrokken in een minihuisje in een datsjadorp even buiten Moskou. Tijdens zwoele nachten, als het volle maan is, dwaalt hij door het dorp en dringt hij datsja’s binnen waarin hij jonge vrouwelijke gasten weet.

Zijn gedrag jaagt schrik aan, de zomergasten raken verontrust. Ze laten hem opnemen in een kliniek. Diagnose: satyriasis, een ’oudemannenkwaal’, bekend van die ’oude en wanstaltige sater, die vanaf de schilderijen van grote schilders een slapende nimf beloert’. Pjotr Petrovitsj zit er niet mee. Na zijn ontslag uit de kliniek gaat hij er gewoon mee door.

Het gaat hem namelijk niet om seks. Het gaat om de strijd der generaties. Petrovitsj maakt deel uit van het leger van grijze hoofden dat het stuurloze gedoe van het postcommunistische Rusland hoofdschuddend beziet. Om dat uit te beelden ensceneert Makanin een even hilarische als geniale episode, gebaseerd op een historische gebeurtenis.

In 1993 verschansten vertegenwoordigers van het oude regime, in opstand tegen hervormer Jeltsin, zich in het zogeheten ’Witte Huis’ in Moskou. Jeltsin liet tanks aanrukken en schoot ze eruit, gadegeslagen, aldus de pers, door een leger oude, hoofdschuddende mannen.

Makanin geeft Petrovitsj een sleutelrol in die gebeurtenis. Met een van zijn nimfen is hij in het Witte Huis omdat haar drugsdealer daar werkt. Daar beleeft hij het bloedige gevecht. Terwijl zijn nimf naar drugs hunkert, neemt hij haar en gaat dan boven op het dak staan plassen, naakt, in het volle licht van, nee, niet de maan, maar de zoeklichten van Jeltsins leger.

Van het voorval herinnert Petrovitsj zich vooral de schuddende grijze hoofden, daar ver beneden hem. Het is een prachtige metafoor voor de wisseling van de wacht die zich destijds in Rusland voltrok. Geschreven in die inmiddels bekende, quasi-slordige verteltrant van Makanin, misschien wel de grootste Russische schrijver van het moment.

Al lijkt er inmiddels, uit de diepten van de Oeral, een talent op te duiken dat zich met al even traditionele middelen een weg naar de top baant. Aleksej Ivanovs ’De man die zijn wereld opdronk’ is een onopvallend spectaculaire roman. Hoofdpersoon Sloezjkin, 28, keert na zijn studie terug naar zijn geboortestad Perm en wordt daar leraar aardrijkskunde. Lastige collega’s, lastige leerlingen en een lastige vrouw, Nadja, die hem voor een mislukkeling houdt.

Maar Sloezjkin zit er niet mee. Hij slaat zich grappen makend, ruziënd, en drinkend door het schrale leven in de grauwe buitenwijk. Hij is nog te lamlendig om plezier te beleven aan de carrousel van partnerruil waar zijn vriendenkring zich uit wanhoop en verveling aan overgeeft.

Maar dan ontspint zich een geschiedenis die onverwacht grote, existentiële proporties aanneemt. Sloezjkin wordt verliefd op een leerlinge, Masja. Die liefde bereikt een hoogtepunt tijdens een trektocht die hij met een aantal leerlingen onderneemt. Maar als het er dan op aankomt, als zij naakt bij hem op schoot zit, houdt hij zich ineens in.

„Masja glijdt van mijn knieën, gaat op haar rug liggen en trekt me naar zich toe. Ik wil Masja. En Masja wil mij. En niets staat me in de weg haar te nemen. En ik stel me voor hoe het zal zijn: bliksem, dans en honingdruppels. Maar ik neem Masja niet. Om een reden die ik zelf ook niet begrijp. Ik weet gewoon dat het zo moet zijn.”

Die trektocht is de grandioze apotheose van de roman. Ruim honderd pagina’s lang duurt de tocht op een krakkemikkige catamaran over de onberekenbare rivieren van de Oeral. De groep doorstaat ontberingen en gevaren. De onderlinge verhoudingen staan voortdurend onder druk, en Sloezjkin kan maar aan één ding denken: aan Masja.

In die extreme situatie voelt Sloezjkin ineens wat het leven voor hem is. „Ik ben bezig met simpele, wijze en eeuwige zaken: ik lap mijn schip op, houd het vuur brandend, kook voedsel. De wereld is helder en fel: blauwe lucht, witte sneeuw, zwarte kolen, gele gierstpap. Dit is alles wat ik heb. Dit neemt niemand me af. Geen vrouw, zelfs al is ze beeldschoon.”

Ivanovs roman verrast op vele manieren. Schijnbaar bleke personages nemen ineens felle kleuren aan. Een doodsaaie buitenwijk blijkt gevuld met heftig leven. Alledaagse handelingen veranderen in heilige rituelen. Triviale dialogen onthullen levenfilosofische diepten. De grotendeels afwezige seks maakt ruimte voor de zuiverste erotiek.

Hier is een schrijver aan het werk die uit weinig veel maakt. Met spaarzame middelen, een eenvoudige toon en een afwisselende structuur bouwt hij een zeer toegankelijk verhaal op dat spannend is en uiteindelijk enorm ontroert. Dat klinkt misschien als een soap – er komt inderdaad een televisieserie van – maar dan wel een van grote klasse.

Uitgeverij Meulenhoff verdient lof voor het binnenhalen van de buiten Rusland onbekende Aleksej Ivanov. Nog meer durf vertoont de kleine Rotterdamse uitgeverij Douane, die de wereldprimeur van de ook in Rusland onbekende Oleg Zobern (28) voor haar rekening nam. Douane is Arie van der Ent, bekend vertaler en propagandist van de Russische letteren.

Net als Makanin en Ivanov werkt Zobern in de verhalenbundel ’Stil Jericho’ met traditionele Russische middelen. Een losse structuur, een ongepolijste stijl, simpele materialen uit het leven van alledag. Tegelijk vertonen de verhalen een grote variatie. Zobern put bijvoorbeeld ook dankbaar uit de rijke traditie van het Russische absurdisme.

Ook bij Zobern blijft de seks ongearticuleerd. „Toen het geloop in de wagon was opgehouden en de stemmen waren verstomd, klom Sasja naar zijn eigen plaats, ging op zijn zij liggen, tegen het schot, naast de roodharige. ’Je denkt zeker dat ik een hoertje ben of zo?’ vroeg ze zacht en lijzig. Sasja trok met trillende handen het vest van de roodharige uit, frunnikte aan het haakje van haar beha.” En dan klimt Sasja al weer uit bed.

Zobern is nog wel erg een talent in de dop. Hij probeert van alles maar het meeste lukt niet echt. Het eerste verhaal, het titelverhaal, overrompelt: een absurde tocht van twee jongelieden door Rusland, door de tijd en door de onherbergzaamheid van het leven. En met een prachtige rol voor een gebutste toeter. In de daarop volgende zestien verhalen haalt hij dat niveau niet meer.

Maar Zobern staat wel voor wat uit het immer borrelende reservoir van Russische schrijvers naar boven komt drijven. Dat zijn schrijvers die niet verhullen dat ze in de klassieke traditie staan. De tijd dat postcommunistische schrijvers radicaal met de traditie braken, lijkt voorbij. De excentrieke experimenten van auteurs als Vladimir Sorokin en Viktor Pelevin zijn passé.

In de nieuwere Russische romans maken mensen elkaar gewoon weer op ouderwetse manier het leven onmogelijk. Ook zonder seks. „Vetka schudde haar krullen. ’Gaan we nog of hoe zit het?’ ’Waarheen?’ vroeg Sloezjkin terwijl hij wodka inschonk. ’Waarheen, waarheen? Naar het bedje. Samen neuken.’ ’Nee, Vetka,’ zei Sloezjkin droevig. ’Dat is niet goed’.”

Deel dit artikel