Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Huub Oosterhuis bestrijdt de leer’

Home

door Marc van Dijk

Huub Oosterhuis’ liederen behoren vooral tot de geschiedenis, vindt bisschop Wiertz. Dat komt door Oosterhuis’ uitspraken, die ’volledig in strijd zijn met de rooms-katholieke leer’.

Dat priester-dichter Huub Oosterhuis zelf zegt dat hij de rooms-katholieke kerk nooit heeft verlaten, heeft de bisschop zeer verbaasd. „Ik ben de laatste om dat dan tegen te spreken”, zegt hij. „Wel ben ik benieuwd waar ik het aan moet merken. Maar heel graag, kom terug, kom terug.”

Bisschop Frans Wiertz (1942) van Roermond heeft net een bedevaart naar Lourdes gemaakt. „We hebben daar geloof ik elke dag wel een Oosterhuis-liedje gezongen”, zegt hij. „Ik persoonlijk ben niet zo geblokkeerd dat ik die liederen niet meezing. Zo zit ik niet in elkaar, ik raak dan niet stoned of in een shocktoestand of zoiets, natuurlijk zing ik mee. Maar ik vind het nog steeds terecht dat men die liedjes niet heeft opgenomen in ’Laus Deo’, nu zelfs sterker dan voorheen.”

’Laus Deo’ is de lijvige zangbundel die het bisdom Roermond in 2000 presenteerde, en die sindsdien in Wiertz’ bisdom én daarbuiten aftrek vindt. Reden tot zorg voor Huub Oosterhuis, omdat zijn liturgische teksten, geschreven vanaf de jaren zestig, in die bundel geheel ontbreken, terwijl ze in andere kerkboeken nog standaard zijn (zie inzet).

Een Limburgse parochiaan vroeg de bisschop onlangs om tekst en uitleg, en kreeg als antwoord dat „genoemde dichter nadrukkelijk afstand heeft genomen van het katholieke geloof, met name het geloof in Christus”.

Waar baseert de bisschop dat op, vroeg Oosterhuis zich af. „Ik wil hier graag een paar citaten van hem naar voren halen”, zegt Wiertz in het Utrechtse secretariaat van de rk kerk.

Volgens de bisschop heeft Oosterhuis ooit gezegd dat er eigenlijk een ’buitenkerkelijke kerk zou moeten ontstaan’. En dat hij zich ’ver verwijderd had van de christelijke kerken’. Wiertz: „Dan klink je voor mij niet als iemand die zich rekent tot het hart van de christelijke kerken.”

Maar één uitspraak van Huub Oosterhuis is voor de bisschop allesbepalend. Die blijft hij herhalen en herhalen, omdat die hem „het meest verdriet heeft gedaan”.

Oosterhuis zei het in een interview in Volzin, verschenen toen hij in 2002 een eredoctoraat ontving aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, vanwege zijn bijdrage aan de oecumenische liedcultuur en de liturgievernieuwing.

„Waarvoor ik het liefst erkenning zou krijgen”, zei Oosterhuis destijds, „is wat ik ’het demasqué van de transsubstantiatie’ noem: de ontmaskering van de roomse overtuiging dat Christus werkelijk aanwezig is in het brood en in de wijn. In die opvatting is de eucharistie volstrekt onschadelijk gemaakt, de truc der trucs geworden, zonder enige politieke relevantie. Daaraan heb ik iets gedaan. Want niet het brood is het lichaam van Christus, wij, de gemeente, zijn dat. Die straalt zijn kracht uit in de wereld.”

Bisschop Wiertz vindt dat Oosterhuis hiermee de kern van het katholieke geloof bestrijdt. „De vorige paus heeft nog geschreven dat de kerk leeft vanuit de eucharistie. Als je vindt dat daar een demasqué op z’n plaats is, dan begeef je je werkelijk heel ver af van het katholiek zijn.”

Dat Huub Oosterhuis in zijn Amsterdamse Studentenekklesia nog altijd de eucharistie viert, heeft volgens Wiertz dus weinig te betekenen. „Er komt niets voor in de plaats. Demasqué betekent onttakeling. Dat er van tevoren theater gemaakt is, bedrog heeft plaatsgevonden. Moet je je eens voorstellen wat dat betekent voor katholieken die geloven in de eucharistie. Zoals de kerk die eeuwenlang heeft uitgedragen en rondgedragen, letterlijk.”

De uitspraak over de truc der trucs diskwalificeert voor Wiertz persoonlijk Oosterhuis’ gehele oeuvre. De bisschop benadrukt dat het iedereen vrij staat om die liederen te zingen, ook in zijn bisdom, dat hij het ’dwaas’ vindt om iemand die Oosterhuis’ teksten gebruikt te beschuldigen van onorthodoxheid, of van wat dan ook. „Op zichzelf hinderen die liedjes me niet”, zegt hij. „Maar die uitspraken doen pijn. En er zijn mensen bij wie die liedjes ook pijn doen. Dan moet er voor die mensen toch ook een andere mogelijkheid zijn. Dan kies ik voor de mensen die bij het hart van de kerk horen. Die zeggen: ’Bij ons niet’.”

Er zijn misschien ook parochianen die niet zitten te wachten op een ’Oosterhuis-vrije’ bundel, en die na de introductie van Laus Deo in hun parochie geen mogelijkheid meer hebben om die liederen te zingen. Daar maakt de bisschop zich geen zorgen over. Van een ’langzame verdrijving’ is geen sprake, zegt hij. „In de dertien jaar dat ik bisschop ben is dat nooit ter tafel gekomen.”

Wiertz kent Oosterhuis’ werk, zegt hij, zeker het oudere. „Sommige psalmbewerkingen zelfs wel uit het hoofd.” Maar een onderscheid tussen dat vroege, traditionelere werk en de nieuwe, vrijere teksten viel en valt volgens de bisschop niet te maken bij de samenstelling van zo’n bundel. „Het is de persoon Oosterhuis die maakt dat de mensen die liedjes aanvankelijk wel zongen. En dat ze nu geleidelijk zeggen: ’Laat nou maar even’.”

Aan één tekst van Oosterhuis kan de bisschop niet terugdenken zonder glimlach. „’Hij ging van stad tot stad’, dat herinner ik me nog van het seminarie. Dan zongen wij altijd: ’Hij sprong van tak tot tak, hij sprak’. Dichterlijke vrijheid. Dat was overigens niet om Oosterhuis onderuit te halen, hoor. Het klinkt gewoon leuk.”

Op een voorstel om samen enkele teksten van Oosterhuis te lezen, reageert Wiertz resoluut: „Nee, ik ga volstrekt niet in op zijn teksten. Want dan krijg je een soort persoonlijke subjectiviteit van wat je mooi vindt en wat niet. Het zijn altijd heel vage poëtische teksten, je kunt me ook gedichten van Lucebert voorleggen. Ik heb het over z’n uitspraken. Als ik hem vol trots hoor over een demasqué, dan kunnen die teksten zo mooi zijn als ze willen, maar dáár zegt hij wat hij vindt. Dat wil ik niet afzetten tegen de exegese van welke tekst dan ook.”

Fel: „Ik ga niet kissebissen over woorden en beeldspraken, dat is een heel ander echelon. Duidelijk?”

In zijn brief aan de Limburgse parochiaan schreef de bisschop: „In de laatste laatste, lange periode van Oosterhuis’ leven komt Christus niet meer voor in zijn teksten.” Wiertz nu: „Als hij het woord ’Christus’ probeert ’om te duiden’, denk ik: wacht even, dat is de kern van de christelijke openbaring, niet alleen voor katholieken.”

Oosterhuis’ woorden en beelden zijn consequent ontleend aan of geïnspireerd op de Bijbel, maar dat is voor de bisschop niet genoeg. „Wij kennen twee bronnen van openbaring: de Schrift en de traditie. Die zijn even belangrijk. Natuurlijk moet het geloof steeds weer vertaald worden. Maar je kunt niet enkel uit de taal putten van mensen die nu leven. Als je tegen een kind alleen maar tutu en tata zegt, omdat het die geluiden maakt, leert het nooit praten.”

Volgens Wiertz staat de jongste generatie ’wel open voor het mysterie, maar missen ze de woorden ervoor’. „Die hebben we de afgelopen dertig, veertig jaar vakkundig kapotgeslagen. Alle mogelijke begrippen, genade, zonde, verlossing, Christus zelfs. Die woorden zijn de mensen uit handen genomen. Je kunt niet alles uit een tekst schrappen wat je niet denkt te begrijpen. En dat is wel gebeurd.”

Mensen willen weer weten wat de wereldkerk eigenlijk leert, denkt de bisschop, in de taal die daar bij hoort. Wiertz: „Oosterhuis mag blij zijn dat hij deel uitmaakt van de Nederlandse geschiedenis. Ja, vooral van de geschiedenis.”

Deel dit artikel