Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Hier ben ik, ik besta!'

Home

PETER SIERKSMA

Het Excelsior-label is bereikbaar via Internet op het volgende adres: http://www.xs4all.nl./-exclsr/.

Van Frans Hagenaars en Ferry Roseboom hoeft het niet zo nodig. Over muziek moet je ook helemaal niet praten, proberen ze nog, daar moet je alleen naar luisteren. Maar de krant denkt er anders over. Want de onstuimige opkomst van het jonge, vorig jaar door hen opgerichte Excelsior-label zegt niet alleen iets over de hobby en droom van twee ambitieuze muziekfanaten, maar weerspiegelt ook de opkomst van een nieuw geluid in de Nederlandse popmuziek.

Hield na het bescheiden internationale succes van Fatal Flowers en Urban Dance Squad in de tweede helft van de jaren tachtig alleen Bettie Serveert lange tijd als eenzame 'gitaarband' stand tussen het geweld van house, metal en grunge _ nu opeens komt de ene na de andere goed en melodieus in de oren klinkende gitaarband opzetten. Met Johan (genoemd naar Cruijff en 'al die andere beroemde Johannen uit Nederland' en voortgekomen uit de wat somberder klinkende Visions of Johanna), Caesar (vorige maand de ontdekking van het Noorderslag-popfestival), het rockerige Scram C Baby en niet te vergeten het al wat langer in kleine kring bekende Daryll-Ann, lijkt de Nederlandse popmuziek voor het eerst sinds Shocking Blue, Focus en Golden Earring weer door te dringen tot het buitenland.

Bij binnenkomst in het Excelsior-kantoor aan huis bij Roseboom op een bescheiden etagewoning in het centrum van Amsterdam wordt dan ook enigszins opgewonden verteld, dat Excelsior het zojuist eens geworden is met het Amerikaanse independent-label SpinART Records over het uitbrengen van de jongste cd van Johan, 'Johan' geheten. De verwachting is dat ook de laatste cd van Daryll-Ann, 'Daryll-Ann Weeps' (waarvan in Nederland tot nu toe ongeveer drieduizend exemplaren werden verkocht, red.) in de VS zal worden uitgebracht.

Roseboom: “SpinART is een klein label, een beetje underground. Er zitten geen bekende bands bij, maar ze hebben een heel goed distributiesysteem. Zij kunnen alle winkels bereiken.” Hij voegt er aan toe dat de grotere maatschappijen zich momenteel alleen nog maar concentreren op 'mega-zaken'. Het ontdekken van nieuwe groepen en de positionering daarvan laten de 'majors' over aan kleinere labels en independents, die op hun beurt weer aansluiting zoeken met de groten als het gaat om de distributie, terwijl ze de promotie uitbesteden aan kleine eenmansbedrijfjes.

Roseboom: “We doen op dit moment echt onze stinkende best Johan, Daryll-Ann en Caesar in Amerika uit te krijgen. Om ze op te stuwen in de vaart der volkeren. Tien jaar geleden moest je goeie bands in Nederland met een lantaarntje zoeken. Terwijl Nederland als podiumland internationaal wel serieus genomen wordt, speelt het op een enkele act na in de popmuziek zelf geen enkele rol van betekenis. Maar nu komen er plotseling allerlei goede bands opzetten. Behalve onze eigen bands kan ik er zo een paar opnoemen die niks onderdoen voor buitenlandse acts: Eboman, DJ Ski, de Easy Aloha's, de Osdorp Posse, Bettie Serveert.” Rosebooms optimisme over de nabije toekomst is zelfs zo groot, dat hij onlangs een redacteur van het gezaghebbende Amerikaanse muziekblad Billboard liet noteren dat het niveau hier op dit moment weliswaar nog het beste te vergelijken is met dat van bands als Hüsker Dü in 1985, maar dat het Nirvana-tijdperk niet lang meer op zich zal laten wachten. Het blad gebruikte de opmerking als uitsmijter in een uitvoerig artikel over Excelsior en de daarbijbehorende snaargeluiden.

Om de tafel in de keuken zitten Roseboom, Hagenaars en Paul van Meelis ('voor al het zakelijk gedoe') na te praten over de deal met SpinART. Het is een nieuwe stap op weg naar... ja waarheen eigenlijk? Want tot nu toe ging het gewoon goed in Nederland, waar Excelsior met het oog op de distributie een contract tekende met het grote MCA. Roseboom: “Geld is niet de hoofdzaak. Natuurlijk, wij zijn niet gek. Als je platen produceert en uitgeeft moet je ook proberen daar zoveel mogelijk van te verkopen, zo eenvoudig is dat. Dat ben je ook aan de artiest verplicht. Maar het gaat ons om de muziek. Die moeten we leuk vinden, dat is ons criterium. Wij zijn een beetje kamikazepiloten zeg ik vaak, want we doen allemaal dingen die eigenlijk helemaal niet verantwoord zijn.”

Een jongensdroom? Hagenaars, gekleed in een grijze badstoffen pullover met 'kraagje' eronder: “Ja, wij tegen de rest van de wereld... Als je kijkt naar de grote platenmaatschappijen, daar zit geen fatsoenlijke business-gedachte achter. Er wordt alleen maar met geld gesmeten...”

Roseboom, blauwe Champion-tennissweater en gympen: “Nou, ik vind niet dat de 'majors' het verkeerd doen, maar wel dat er zaken worden gedaan op een verkeerde manier...”

Hagenaars: “Er zijn daar mensen bands aan het neerzetten voor tonnen, bands die echt helemaal nergens op slaan. Pure marketing, met muziek heeft het niets meer te maken.”

Roseboom vergoeilijkend: “Dat vind jij, maar er zijn ook mensen die die bands wel leuk vinden...”

Hagenaars: “Ook zakelijk komt het er nooit uit.”

Roseboom: “Dat zeg je nou wel, maar van Caught in the Act (een Nederlandse kloon van Take That, red.) verkopen ze wel een miljoen platen in Duitsland en dat is puur marketing. Je kunt wel blijven schelden op die commerciële popindustrie en ik ontken ook niet dat er hele foute kanten aan zitten, maar er is ook een andere kant. En dat is nou net het grappige van de popmuziek: Het is een commercieel product maar tegelijkertijd ook de meest elementaire kunstvorm die er bestaat. Want de pop spreekt wel de taal die de onze is. Oké, het is soms wel erg plat, de taal van het volk, maar... shut up zeg, het is ook de taal voor iemand die NU wat wil zeggen... die 18 wordt, die wil schreeuwen: 'Hier ben ik, ik besta!' Ondanks die rare industrie en al dat geld dat er mee gemoeid is en al die foute lui in pak met lease-auto's biedt de pop je nog steeds de mogelijkheid om in die kunstwereld jouw spoor te zetten...”

Hagenaars: “Natuurlijk. Er zijn ook goede voorbeelden. Iemand als Paul Zijlstra van Polydor krijgt het wel voor elkaar met een band als de Treble Spankers, maar toch...”

De voorgeschiedenis van Excelsior begon voor Hagenaars eigenlijk al vijftien jaar geleden, toen hij in Weesp een eigen studio (inmiddels Sound Enter-prise/Concordia geheten) oprichtte. Nadat hij als bassist van de Minny Pops ('wij waren de eersten die een drumcomputer gebruikten') in 1980 gezien had hoe een plaat in de studio verpest kon worden, ontwikkelde hij zich als geluidstechnicus. Hij werkte voor onder meer Mathilde Santing en (Ruud Gullits favoriete reggaeband) Revelation Time, trok enige tijd als huisschilder naar Saoedi Arabië om geld te verdienen en innvesteerde dat in zijn studio. Na een korte tijd 'ondergedompeld geweest te zijn in de house', ontmoette Hagenaars in zijn studio eind '89 de voorlopers van Bettie Serveert, De Artsen. En zo kwam van het een het ander. Hagenaars produceerde Bettie's eerste en tweede cd, 'Palomine' (1992) en 'Lamprey' (1994). Hij leerde Roseboom kennen als manager van Daryll-Ann, dat toen nog bij het grote Engelse label Virgin zat (verontwaardigd: “Virgin had geen geduld, zette na het einde van Nirvana al haar geld op The Smashing Pumpkins”) en dan is het een kwestie van tijd. Nadat de twee eerst spelenderwijs hier en daar eens wat singletjes hebben uitgebracht op het 'Electrolux-label' richten ze begin 1996 Excelsior op. Roseboom: “Het begon met een grapje op Electrolux, maar Frans heeft een keer geroepen: 'Als we echt wat willen, noemen we het Excelsior. Dat wil zeggen 'steeds beter, steeds hoger'...”

Als Hagenaars rond lunchtijd vertrekt voor een afspraak in verband met de release van het nieuwe singletje van Johan ('Everybody knows'), laat Roseboom een verdieping hoger het kantoor zien. Het bureau ligt vol flyers, fanmail (uit Langweer: 'Hallo Excelsior-lieden!') en posters. Een van de wanden wordt geheel gevuld met cd's en platen. “Ja veel platen”, beaamt Roseboom. “Frans en ik zijn erg verknocht aan vinyl. Mooier kan niet.”

Terwijl hij vertelt hoe hij (geboren in 1965 in Heemskerk, maar stammend uit een oud Drents herdergeslacht en opgegroeid in het Veluwse Putten) middels een stage tijdens het eerste jaar op de School voor journalistiek te Kampen in Amsterdam verzeild raakte en daar bleef hangen omdat hij plaatjes draaien in De Melkweg leuker vond dan stukjes tikken voor de Avro-bode, toont hij trots het logo van het platenbedrijf: “Kijk, het heeft iets koninklijks. Ik wilde graag een Oudhollands logo... iets als Verkade en King. Vandaar die kleuren. Verder wilde ik het kroontje van Amsterdam erop.”

Onvermijdelijk komt het gesprek vervolgens op Daryll-Ann, door Roseboom met veel gevoel voor understatement 'verreweg de beste band ter wereld' genoemd. Hij leerde een paar jongens van de band (gitarist Anne en bassist Jeroen Vos) al kennen op de middelbare school in Ermelo met de toepasselijke naam Christelijk College Groevenbeek, waar hij als zanger met hen in een punkbandje speelde; 'Houthakkers United'. Lachend: “Ik was te slecht, dus ben ik toen maar hun manager geworden.” Hij pakt de jongste cd 'Daryll-Ann Weeps' (een woordspeling op het katerige gevoel van de band na het mislukte Virgin-avontuur en de studio in Weesp) en zet het korte nummer 'Safe beef' op. Als je goed luistert hoor je over alle gitaarritmes en patronen heen nog een prachtig subtiel Les Paul-solootje klinken. Het riedeltje doet denken aan The Specials ten tijde van 'Stereotype' (1981). Roseboom (zelf als jochie in die tijd gek van de Noord-Ierse barré-akkoorden van The Undertones) staat er trots bij en roept: “Geniaal, echt geniaal! Dit is toch een warm kloppend hart?! Zo moet muziek zijn, niet glad en gelikt zoals bij Kula Shaker, The Bluetones of Suede _ nee, het moet een oprechte echo zijn van de tijdgeest, een wanhoopskreet, of iets moois, recht uit het hart; het moet je emotioneel beroeren. Anders is het niks.”

Bij vertrek komt net de bassist van Caesar, Sem Bakker, de trap op lopen. “Hij is van Trouw!” roept Roseboom vanuit het trapportaal zijn vriend toe. En tegen de verslaggever: “Zijn vader, Nico, stond laatst nog met een stuk in Trouw. In Letter en Geest geloof ik. Hij is theoloog. Het ging over heidendom en religie. En er stond een foto bij van, kom, hoe heet die film ook al weer... 'Blue in the face'.” “O ja, en dan nog iets. Laatst stond er op de kerkpagina nog een stuk over pop en religie. Over een man die Prince van diepzinnige gedachten betichtte. Maar dat is onzin hoor. Als Prince het over het kruis heeft, moet je daar niets achter zoeken. Dan bedoelt hij, vrees ik, gewoon zijn kruis. Daar zit niets verhevens bij. Het lijkt me ook te veel eer voor hem. De bassist knikt vriendelijk en schudt zijn lange Cobain-achtige haren. Roseboom: “Je moet er nooit te veel achter zoeken, achter popmuziek. Gewoon lekker spelen, meer niet.”

Deel dit artikel