Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Het mag wel wat flexibeler’

Home

Ruud van Heese

Roel Bekker is als secretaris-generaal belast met de vernieuwing van de rijksdienst. Vorige week hield hij zijn oratie als bijzonder hoogleraar in Leiden. Tussen politicus en ambtenaar zit het niet altijd even lekker, stelde hij in zijn rede.

’Hij heeft het intellectuele kaliber van Winnie the Pooh”, typeert topambtenaar Sir Humphrey Appleby tegenover enkele andere ’old boys’ uit Oxford zijn politieke baas, minister Jim Hacker. „Tenminste”, voegt hij eraan toe, „als hij scherp is. Soms is Sir Humphrey tegenover Hacker zelf complimenteuzer. „U zou bijna zelf een ambtenaar kunnen zijn”, prijst hij dan.

De karakters en citaten komen uit de televisieserie ’Yes, Minister’ die de Britse omroep BBC begin jaren ’80 voor het eerst uitzond. Roel Bekker (62) was van meet af aan een fan van de serie, waarvan de makers zich lieten inspireren door de dagboeken van Richard Crossman, in de jaren ’60 minister in de Labourregering van Harold Wilson.

„Het is een goede cartoon”, zegt Bekker over de televisieserie, waarin de ambitieuze Hacker keer op keer subtiel in het pak wordt genaaid door zijn secretaris-generaal die hem met onnavolgbare volzinnen alle voornemens uit het hoofd praat waarvan de ambtelijke organisatie nadeel zou kunnen ondervinden.

Bekker kon het dan ook niet laten om vorige week in Leiden in de oratie waarmee hij het hoogleraarschap in de arbeidsverhoudingen bij de overheid aanvaardde, te verwijzen naar het duo Hacker/Appleby. „Zoals bij elke cartoon worden de zaken in ’Yes, Minister’ uitvergroot, overdreven. Maar elke goede cartoon bevat óók een kern van waarheid.”

Bekker weet waarover hij praat. Al sinds 1970 loopt hij – met een onderbreking van zes jaar in de jaren ’90 – mee in ambtelijk Den Haag. Sinds 1 april 2007 is hij secretaris-generaal voor de vernieuwing van de rijksdienst. Die operatie leidt tot het verdwijnen van tegen de 13.000 arbeidsplaatsen. De kleinere departementen moeten flexibeler gaan opereren en meer en beter beter werk afleveren.

„Het is hard nodig dat de overheid beter gaat presteren”, zegt Bekker. „Ik ben ervan overtuigd dat de productiviteit bij de rijksoverheid omhoog kan. Ik denk dat er te veel onheuse grappen worden gemaakt over luie ambtenaren. Maar er zijn in de ambtenarij echt nog wel plekken waar harder kan worden gewerkt.”

Bekkers verhaal gaat echter over meer dan harder werken alleen. De traditionele organisatie van de rijksdienst, met een bijna onwrikbare departementale indeling, is niet in staat oplossingen te genereren voor de grote maatschappelijke vraagstukken die zich aandienen, meent hij. Bekker: „Nu kunnen we een probleem eigenlijk alleen oplossen als het past bij de ambtelijke organisatie. Zo niet, dan is dat pech.”

„Als er vroeger woningen nodig waren, zorgde Volkshuisvesting ervoor dat die er kwamen. Dat was simpel. Maar toen we groeikernen gingen aanleggen, moesten er én woningen én scholen én openbaar vervoer komen. Dat was een stuk gecompliceerder en leverde dus wel eens problemen op. En nu komen er echt spectaculaire uitdagingen op ons af. Moet je een groot maatschappelijk vraagstuk dan maar onopgelost laten, alleen maar omdat het toevallig niet past binnen de traditionele departementale indeling die wij kennen? Je blijft niet zo maar vanzelf in de top van de eredivisie. Kijk maar naar Feyenoord. Je moet je steeds weer opnieuw aanpassen aan de ontwikkelingen.”

Bekker weet wel dat het kabinet er iets aan probeert te doen. Twee zogenoemde programmaministers – Rouvoet (jeugd en gezin) en Van der Laan (wonen, wijken en integratie) – mogen ambtenaren van andere departementen aan het werk zetten voor hun beleid. De hoogleraar Bekker noemt het een ’interessante poging, die nog niet helemaal is uitontwikkeld’. „Het nog te vroeg om deze aanpak definitief te omarmen of in de ijskast te zetten”, zegt de professor. Maar de topambtenaar Bekker weet: „De loyaliteit van ambtenaren ligt nog steeds bij het departement waarbij ze in dienst zijn.”

Een echte stap vooruit wordt volgens Bekker gezet als alle ambtenaren in dienst treden bij de rijksoverheid in plaats van bij een bepaald ministerie. Nu geldt dat alleen voor het topmanagement. „Net zoals in het bedrijfsleven al lang gebeurt, moet je ook bij de overheid mensen daar inzetten waar ze nodig zijn en waar ze het meeste rendement opleveren. En wáár ambtenaren nodig zijn, wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beleidsafspraken in het regeerakkoord bij het aantreden van een nieuw kabinet. Maar bij de overheid is de overgang naar zo’n situatie moeilijk. En wat krijg je dan? Dat departementen die op een bepaald moment ergens handen te kort komen toch weer mensen van buiten de rijksdienst gaan inhuren.”

Bekkers kritiek geldt niet alleen de departementale en ambtelijke organisatie. Hij toont zich zeer bezorgd over de verhouding tussen tussen politiek en ambtenarij. Het zit niet altijd even lekker tussen die twee. Meer en meer, signaleert Bekker, zijn ze van elkaar verwijderd geraakt. Idealiter vormen politicus en (top)ambtenaar een sterke tandem. De politicus voorop aan het stuur, de ambtenaar achterop – flink meetrappend, onderwijl de politicus af en toe nog een adviesje influisterend omtrent hindernissen op de te volgen route. De twee vertrouwen en respecteren elkaar.

Maar dat ideaalbeeld ziet Bekker nu te weinig, Politici beschouwen ambtenaren nog te veel als een kostenpost én als een hinderpaal voor hun mooie plannen. „Bij de verkiezingen van 2006 boden partijen tegen elkaar op met bezuinigingen op het ambtenarenapparaat. En als de Tweede Kamer een motie aanneemt waarin wordt uitgesproken dat de inspectiediensten met 25 procent moet worden ingekrompen, dan is dat ook niet echt een signaal dat men je werk zo waardeert.”

„Politici willen snel kunnen reageren op actuele maatschappelijke behoeften en laten zien dat ze er bovenop zitten”, aldus Bekker. „Ambtenaren daarentegen willen een zaak eerst eens even goed uitzoeken, en ook niet te veel op zichzelf staande maatregelen nemen. Dat wrikt. En als zaken fout lopen gooien politici het nogal eens op ambtelijk onvermogen. Ambtenaren op hun beurt wijzen erop dat zij van een politiek besluit nog het beste proberen te maken.”

„Ik begrijp de politici wel”, zegt hoogleraar en topambtenaar Bekker. „Het ís natuurlijk ook frustrerend als je steeds oploopt tegen mensen die je uitleggen waarom iets niet kan. Een politicus wíl nou eenmaal wat tot stand brengen. En ik vind dat ambtenaren daar wat flexibeler mee om moeten gaan. Ik kom nog steeds ambtelijk cynisme jegens de politiek tegen. Dát moeten we ook niet hebben. Politici hebben echt een heel lastig vak. En iedereen is er bij gebaat als politici en ambtenaren goed met elkaar overweg kunnen.”

Maar dan moeten politici óók veranderen, vindt Bekker. „Ze zouden hun (top)ambtenaren meer als gelijkwaardig moeten beschouwen. En politici zouden wat meer oog moeten hebben voor de bestuurlijke kanten van hun vak. Iets meer afstand nemen. Wat rationeler te werk gaan. Een mooi voorbeeld vormt de opwinding over probleemjongeren in Gouda, enkele maanden geleden. Daarbij kwamen de (lokale) bestuurders in het gedrang doordat de (landelijke) politici over elkaar heen buitelden.”

En wat als het echt niet blijkt te werken tussen een politicus en een (top)ambtenaar? „Dan moet je zo’n situatie niet eindeloos laten voortduren”, zegt Bekker. „Ik pleit er niet voor om ambtenaren een contract te geven zoals voetbalcoaches krijgen. Die kunnen van de ene op de andere dag worden weggestuurd. Maar de arbeidsverhoudingen bij het rijk kunnen een stuk moderner. Nu modderen we bij de overheid nog wel eens te lang door. Eerst worden er allerlei ingewikkelde dingen uitgehaald. Het wordt een prestigekwestie en de reputatie van mensen gaat eronder lijden. Je krijgt ophef over de financiële regeling die wordt getroffen. En vervolgens wordt de minister bang voor de Tweede Kamer en geeft hij zijn secretaris-generaal opdracht een list te verzinnen. Alsof die zomaar iemand kan laten verdwijnen. Hij is toch geen Hans Klok.”

Lees verder na de advertentie
(Trouw) © KIPPA

Deel dit artikel