Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Het liefst hadden we nog even doorgemolken'

Home

WOUTER BAX

ROUVEEN/STAPHORST - Sommige boeren in de Overijsselse dorpen Rouveen en Staphorst hadden eigenlijk nog best een paar jaar door willen gaan met het melken van hun koeien. Maar met het verdwijnen van de laatste ontheffing voor melkbussen in Nederland wordt een moderne koeltank verplicht. En zo'n grote investering is meer iets voor een volgende generatie.

“Voor zover je van een schok kunt spreken, geldt dat vooral voor de melkveehouders in Staphorst”, zegt W. Wevers, directeur van de coöperatieve zuivelfabriek Rouveen. Hij legt uit dat al 30 jaar geleden te voorzien was dat het vervoeren van melk in de traditionele melkbussen een aflopende zaak was. Maar in Staphorst werd daarover niet gesproken: “Daar kwam dat nog minder ter sprake dan hier in Rouveen.”

Van de ongeveer 70 boeren die hun melk nog in bussen aan de straat zetten, neemt melkrijder E. Mulder er zo'n 25 voor zijn rekening. De route van zijn trekker met lange platte wagen voert langs de dicht op elkaar staande boerderijen in Rouveen en Staphorst. De karakteristieke melkrekken waarvoor de nostalgische yup twintig jaar geleden een lieve duit over had om als plantenbak te gebruiken, hebben hier nog hun functie: de melkbussen staan er omgekeerd op om uit te lekken.

Het is wintertijd, dus Mulder hoeft de melkbussen vandaag maar één keer op te halen en af te leveren. In de zomer noopt de warmte hem om 's morgens en 's avonds te rijden, om het goedje niet te laten bederven. Per rit gaan er zo'n 180 bussen door zijn handen. Bij elke boerderij lost hij de lege bussen van de vorige dag en zet de loodzware volle bussen op de wagen. Zes jaar heeft hij dat elke dag gedaan, en hij doet het met een verbluffende snelheid. Echte melkrijders wijsheid is dat: de bus bij zijn twee handgrepen pakken, een keer blazen, en met één grote klap op de wagen zetten.

Deze ochtend staat een boerin in donkerblauwe klederdracht en met een reclamebord op de boerderij voor Staphorster stipwerk met de fotocamera in de aanslag om het werk van Mulder te vereeuwigen. “Tja, het komt toch nooit weer, hé. Jammer vind ik het wel.” Ze lacht een beetje verlegen. “Ik en mijn man zijn nu in de zestig, het liefst hadden we nog even doorgemolken, maar als we daarvoor een koeltank moeten kopen, laat dan maar zitten.”

De coöperatieve zuivelfabriek Staphorst, tot februari van dit jaar nog een kaasfabriek, heeft nu als enige functie nog de ontvangst van de bussen melk.

“Zaterdag is de laatste dag”, zegt de verkoopster van het kleine kaaswinkeltje aan de fabriek dat nog is gebleven. Zij, eveneens in klederdracht, krijgt een andere baan bij de fabriek in Rouveen. Ook voor de doorgaans jonge jongens die nu met hun trekkers met wagen staan te wachten tot ze kunnen lossen, is er wel ander werk. “Maar ja”, zegt Mulder, “wel een stuk verder van huis en in ploegendienst.”

Zelf gaat hij gewoon door bij het veembedrijf waar hij 's middags zakken veevoer lost, ook zeer zwaar sjouwwerk.

Hij zet de volle bussen op een stalen band die ze via een luik de fabriek invoert. Geholpen door twee mannen worden de bussen daar met een slim kantelmechanisme geleegd in een verzamelbak. Vervolgens worden ze met heet water uitgespoeld, en rechtop gezet. De deksel gaat bovenlangs mee in de machine en belandt automatisch op de goede bus. In hetzelfde tempo waarmee Mulder de bussen heeft gelost, zet hij ze nu weer op de wagen, soms met vier tegelijk. “Van CZF-Rouveen is Mulder de laatste melkrijder”, zegt directeur Wevers. “Ik heb er ooit twaalf gehad.”

De 70 boeren die stoppen, leverden jaarlijks een kleine zes miljoen kilo melk. Maar voor zijn kaasfabriek, samen met een collega in Hoogeveen de laatste zelfstandige zuivelcoöperatie van Nederland, is hij van de 'bussenboeren' niet meer afhankelijk. Van de 75 miljoen kilo melk die hij jaarlijks binnenkrijgt maakt hij zo'n 250 verschillende soorten kaas, vooral veel kruidenkaas. “Eigenlijk vind ik het wel goed dat bussenmelk nu verleden tijd is”, zegt Wevers. “Het is moeilijk om de kwaliteit constant te garanderen. Bovendien kunnen we nu afrekenen met het idee dat ze hier achter lopen. Had ik vroeger als ondernemer een leuk nieuw product te melden, dan begon iedereen altijd weer over die melkbussen. Trots op mijn bedrijf?”. Wevers maakt een correctie. “Wij kennen hier alleen gepaste trots.”

Zaterdag nodigt Wevers alle boeren uit om het melkbussentijdperk voorgoed uit te luiden. “Dan maken we een mooie groepsfoto, drinken koffie en krijgen de boeren nog een aardigheidje. Het is toch een bijzonder moment. Velen stoppen met het bedrijf, de oudste boer is 78 jaar, maar ze hebben tot op het laatst perfecte kwaliteit geleverd.” En de melkbussen vinden hun weg wel in het circuit van tuindecorateurs. “In de afgelopen jaren zijn er al honderden getransporteerd naar de Nederlandse emigranten in de VS. Om melk in te doen?” Wevers lacht beminnelijk. “Nee jo, alleen maar om een echte melkbus te hebben.”

Deel dit artikel