'Het legerkorps is dood, lang leve het legerkorps'

home

HUIB GOUDRIAAN

DEN HAAG - De spaanders die de landmacht na het bezuinigend hakken nog resten, zijn ondergebracht in een Duits-Nederlands legerkorps. Bij het ceremonieel van de indienststelling, morgen in Münster, krijgt deze vorm van Duits-Nederlands fuseren een nadrukkelijke presentatie: bondskanselier Kohl en premier Kok zijn erbij.

Vijftig jaar na de Tweede Wereldoorlog, in het herdenkingsjaar van de overwinning op Hitler-Duitsland, is vergaande militaire integratie met Duitsland geen punt meer. Fysiek betekent het voor de Nederlandse soldaten voorlopig, dat er meer met Duitsers wordt geoefend, en dat in Münster 225 Nederlandse militairen met eenzelfde aantal Duitsers de staf van het bi-nationale korps vormen. De eenheden in het veld blijven in hun huidige kazernes en zullen niet worden gemengd.

Luitenant-generaal Ruurd Reitsma, die in Münster het bevel over het Eerste Duits-Nederlandse Korps (1 GE/NL Corps in Navo-jargon) zal aanvaarden, vindt wèl, dat Duitse en Nederlandse eenheden eventueel gemengd op VN-vredesmissie kunnen worden gestuurd. “Het besluit om aan een internationale vredesmissie mee te doen, blijft een nationale zaak, maar er zijn wellicht handige combinaties te maken, als Nederlandse eenheden bijvoorbeeld naar Split in Kroatië gaan.” Volgens Reitsma vergt de nauwe samenwerking in de staf wel enige aanpassing: er waren al minstens acht bijeenkomsten om elkaars manier van werken door te nemen. De voertaal wordt Engels, er zijn 'aanpassingsverschijnselen', maar er is het moeilijk te overschatten voordeel, dat Nederlandse militairen al veertig jaar in Duitsland oefenen en met Duitse eenheden samenwerken.

Hoe intensief het Nederlandse legerkorps destijds met het Duitse Eerste Legerkorps gezamenlijk oefende, herinnert zich generaal b.d. G. L. J. Huyser, voormalig chef defensiestaf en oud-legerkorpscommandant (1981-1983). “Bij de grote herfstoefeningen van de Navo was het geïntegreerde optreden met het Duitse legerkorps een voorbeeld voor de bondgenoten. De derde Duitse Pantserdivisie was meer een Nederlandse dan een Duitse eenheid. En de Nederlandse 41ste Brigade leek meer tot de derde Duitse Pantserdivisie te behoren dan tot zijn Nederlandse divisie. Feilloze samenwerking tussen het Nederlandse en Duitse korps, samen verantwoordelijk voor de verdediging van de Noord-duitse laagvlakte, was trouwens absoluut noodzakelijk, en dat werd ook waargemaakt.”

In het heetst van de Koude Oorlog hield Nederland een legerkorps van verscheidene divisies van elk 15 000 man op de been. Tot begin jaren negentig waren er twee divisies, de eerste en de vierde, die gezamenlijk het Eerste Legerkorps vormden. Na de ineenstorting van het Sovjet-communisme werd het mes in de landmacht gezet, en begon de reorganisatie van dienstplichtigen- naar beroepsleger. Alleen de eerste divisie bleef over. Huyser oordeelt: “De vorige minister van defensie, Ter Beek, die met rigoureuze bezuinigingen het 'vredesdividend' wilde binnenhalen, zou in het Guinness Book een goede tweede kunnen worden (met als eerste de Anti-Revolutionaire minister Van Dijk in 1921) als Nederlands minister van defensie die het meeste bezuinigde. De inkrimpingen onder Ter Beek waren groot en betekenden dat de Koninklijke Landmacht met meer dan 50 procent werd gereduceerd.”

Samenwerking

Als gevolg hiervan werd op 18 juli van dit jaar het Nederlandse legerkorps opgeheven, terwijl een nieuw Duits-Nederlandse legerkorps werd opgebouwd. Al in 1992 had Ter Beek samenwerking gezocht met de Bundeswehr, nog voordat het kabinet-Kok intensivering van de banden met Duitsland hoog in het vaandel zette. Nederland en Duitsland brengen nu elk een divisie van 15 000 manschappen in, met gelijkwaardige gevechtskracht. Ook de Nederlandse luchtmobiele brigade valt in vredestijd onder het nieuw gevormde Duits-Nederlandse korps.

“Het legerkorps is dood, lang leve het legerkorps”, zegt Huyser. Hij uit zich heel positief over de bereikte integratie met Duitsland. “De resultaten zijn verbluffend goed. Er is een totaal geintegreerde legerkorpsstaf, waarin Duitse en Nederlandse militairen op gelijkwaardige basis werken. Zo er nog verschillen in tactische opvattingen mochten zijn, zal de stroomlijning daarvan geen problemen opleveren. Er is veel gelijksoortig materieel en er is een bijna zelfde werkcultuur. Alleen bepaalde zaken, zoals de krijgstucht, blijven een nationale verantwoordelijkheid.”

Gelukkig maar, vindt Huyser, dat de aanvankelijke vrijage van Ter Beek met het zogeheten Eurocorps op niets is uitgelopen. “Het Eurocorps, waaraan Duitsers, Fransen, Belgen en Spanjaarden deelnemen, heeft geweldige taalproblemen, grote cultuurverschillen, zeer uiteenlopend materieel en afwijkende doctrines. Het Duits-Nederlandse legerkorps is meer de naam 'Eurocorps' waard. Wie weet komt België er nog wel bij, en ook Denemarken. Wel vind ik de Nederlandse inbreng kwantitatief te gering.”

Nostalgisch terugblikkend op het vroegere Nederlandse legerkorps, vertelt de oud-legerkorpscommandant: “Het Eerste Legerkorps werd opgericht in 1952 en zou de belangrijkste bijdrage worden van Nederland aan de Navo wat landstrijdkrachten betreft. Het nam de traditie van het vooroorlogse Veldleger over; illustratief hiervoor was het innemen van de IJssellinie als verdedigingslinie. Later, toen de Weser en het Dortmund-Ems kanaal en vervolgens de Elbe de verdedigingslinie werd, moest het legerkorps zich bij ontplooiing over grote afstanden naar het oosten verplaatsen. “Bij mobilisatie kostte dit veel tijd: een achilleshiel waardoor het legerkorps nooit een echte voldoende van het Navo-bondgenootschap kreeg. Maar naar de mate waarin we 'gemechaniseerd' gingen denken en de snelheid van verplaatsen toenam, verwierven we meer aanzien.”

Door invoering in de jaren tachtig van de zeer moderne tank Leopard 2, de gepantserde luchtdoelartillerie en het pantserinfanterie-rupsvoertuig YPR 765 kreeg Nederland materieel een van de beste korpsen van de Navo. En Nederlandse soldaten behaalden vaak eerste prijzen bij schiet- en sportwedstrijden. Het blijft Huyser dwarszitten, dat secretaris-generaal Luns van de Navo het legerkorps hardnekkig een hippie-leger bleef noemen, vanwege de lange haardracht in de jaren zeventig. “Beroepshalve kreeg het legerkorps alle waardering, maar in Brussel kon er geen goed woord af.” Zijn deze echo's uit het verleden verstomd? Heeft de Nederlandse soldaat zich ontworsteld aan het softe imago? Huyser: “Velen van de beroepsmilitairen in het nieuwe korps heb ik zien 'opgroeien'. De officieren en onderofficieren die de nieuwe beroepssoldaten opleiden, zijn allemaal vaklui.”

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie