Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Het geloof is een collectieve psychose'

Home

DOOR ARJAN VISSER

Anna Enquist (Amsterdam, 1945) debuteerde als dichter met de bundel Soldatenliederen. Grote bekendheid kreeg zij met haar eerste roman Het Meesterstuk, gevolgd door Het geheim waarmee zij vorig jaar de Trouw Publieksprijs won. Onder haar eigen naam, Christa Widlund, is zij werkzaam als psychoanalytica.

1 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“God bestaat niet. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat een notie als 'God' een projectie van mensen is. Ik geloof dat mensen een ouderfiguur zoeken die over hen waakt; iemand die wél heel het overzicht heeft en voor ze zal zorgen. Iets dergelijks geldt voor de vraag: waartoe zijn wij hier op aarde? We willen graag dat het leven zin heeft, maar wetenschappelijk is er geen enkele zin in te ontdekken. Het is een idee uit de kindertijd dat mensen de rest van hun leven met zich meeslepen. Ik ben er zelf gedeeltelijk in opgevoed. Mijn vader was niet gelovig, maar mijn moeder wel. Ik heb op een christelijke middelbare school gezeten, dus veel feitelijkheden van het geloof heb ik wel meegekregen. Maar dat is kennis, geen gevoel. Ik ben niet op zoek gegaan naar een andere God. Ik ben, denk ik, wel aangestoken door het idee van de Verlichtings: er is niet meer dan er is. Het enige wat je kunt doen is, wát er is zo goed mogelijk begrijpen. Dat is ook een manier waarop je kunt proberen een soort overzicht te krijgen. Al moet ik zeggen dat ik daar, naarmate ik ouder word, meer teleurgesteld in raak. Ik denk vaak aan het vrolijke idee over de wetenschap in de achttiende eeuw, waarin de mensheid vol verheugenis dacht: als we die wetenschap nu maar ontwikkelen, kunnen we straks alles begrijpen en dus ook alles beheersen. Dat blijkt toch anders uit te pakken. Er wordt wel veel begrepen _ tot in de kleinste details _ maar het vermogen om te beheersen en te sturen ontwikkelt zich niet. Dat zie je zelfs op kleine schaal gebeuren. Neem het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf van Amsterdam: allemaal fantastische trams en metro's, maar de logistiek om dat spul een beetje prettig te laten rijden _ en zo'n bedrijf goed te runnen _ schiet ernstig te kort. Beheersing, zou je kunnen zeggen, is een idee-fixe. En dat vind ik behoorlijk teleurstellend, machteloos makend ook.”

“Gaandeweg heb ik geleerd dat je altijd moet blijven strijden tegen de chaos. De postbak moet leeg, belastingformulieren moeten ingevuld, de auto moet naar de garage, ga zo maar door. En als je denkt dat je alles hebt gedaan, blijkt zich achter je rug weer nieuwe stapel te hebben gevormd. Als puber denk je alleen nog maar aan de grote lijnen, pas als je volwassen wordt, ontdek je dat je de praktijk als een loden last met je mee moet torsen. Dat de chaos blijft. Of misschien zelfs erger wordt.”

2 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Ik heb behoorlijk de pest aan verafgoden. Je ziet dat in mijn beroepsgroep wel gebeuren; 'echte' analytici neigen tot persoonsverheerlijking. Als iemand een artikel schrijft moet blijkbaar altijd aan het begin worden vermeld wat Freud daarover heeft beweerd. De analyse, dat is Freud. Ik vind dat je best respect mag hebben voor iemand die in zijn tijd vernieuwende gedachten heeft gehad, maar daar moet je het wel bij laten. Veel mensen hebben kennelijk een sterke behoefte om anderen te verafgoden. Het heeft in de puberteit ook zeker een functie; bij elke idool probeer je er als het ware achter te komen of jij ook zo wilt zijn. En zo ga je van het ene rolmodel naar het andere. In mijn studententijd adoreerde iedereen de revolutionairen zoals Che Guevara. Ik heb dat nooit zo gehad; ik heb het altijd onaangenaam gevonden omdat het verder ging dan nieuwsgierigheid. Je mag natuurlijk best eens ergens over fantaseren, maar je moet nooit de werkelijkheid uit het oog verliezen. Niet dat je geen mensen zou mogen bewonderen, er zijn genoeg schrijvers, dichters of pianisten die bij mij hoog in aanzien staan, maar ik zal nooit mijn ziel en zaligheid ophangen aan één persoon. Ik vind het ook jammer als anderen dat wel doen. Je kunt toch zelf ook nadenken?”

3 Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Gij zult niet dit en gij zult niet dat, wat een idiotie is dit eigenlijk? Wie zegt dat? Ik begrijp het wel: dit is de neerslag van een cultuur. Deze gebodenreeks heeft eeuwenlang structuur gegeven aan ons soort maatschappijen. Het is de noodzaak die mensen voelen om zich vast te klampen aan iets wat stevigheid geeft. Dan is zo'n rijtje heerlijk, al is het maar om naar te streven: ik haal het niet, maar ik kan er toch in ieder geval mijn best voor doen. Dat is iets algemeen menselijks, een kader om in te leven. Bij veel mensen _ en bij mij in hoge mate _ is dat idee van een religie vervangen door wetenschap, rationaliteit. Daardoor zegt ook dit gebod mij helemaal niets. Laat die christelijke mensen zelf maar uitmaken of ze de naam van de Here hun God ijdel gebruiken of niet. Als ik vloek, zijn er misschien mensen die dat stoort, maar dat is met zoveel dingen in het leven. En waarom zou godverdomme een lelijk woord zijn? Het is taal. Je kunt het gebruiken of je kunt het laten. Ik heb er helemaal geen emotionele connotaties mee. En ik vind de druk die het christelijk volksdeel wat dit soort zaken betreft op de rest van de mensen wil leggen dan ook behoorlijk irritant. 'Vloeken is aangeleerd'. Vlieg op zeg. Ik zag ooit dat op één van die bordjes daaronder was geschreven: 'Bidden ook'. Dat vond ik zó goed! Dat had ik zelf willen bedenken. Van die Bond tegen het Vloeken heb ik, net als collega-schrijvers, nog eens een pen toegestuurd gekregen. Bij die pen zat een briefje met daarop het dringende verzoek vooral geen blasfemische woorden meer te gebruiken in mijn boeken. Nou ja! Hoe halen ze het in hun hoofd? Wat stellen die mensen zich bij zo'n actie voor? Onzin! Getiranniseer!”

4 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Ik heb mijn werk zo ingedeeld dat ik een aantal heel erg volle dagen en een aantal minder volle dagen heb. En het is vaak zo dat ik het, áls ik dan eindelijk een weekend vrij heb, juist weer erg druk krijg met allerlei andere dingen. Mijn psychotherapeutisch werk kent een vast schema, omdat ik op bepaalde tijden mijn patiënten ontvang en spreekuren moet doen, maar de rest _ het schrijven _ loopt altijd door. Dat bevalt mij prima. Ik heb ook geen specifiek gevoel bij die zondag. Nooit gehad. Ik herinner me de zondag als een saaie dag. Maar ook als een dag waarop ik niet naar school hoefde. Ik weet nog wel dat ik de maandagochtend verschrikkelijk vond. Weer naar school. De gedachte daaraan kon mijn zondagavond al bederven.”

5 Eer uw vader en uw moeder

“Eer je kinderen eerst maar eens, dat lijkt me veel belangrijker. Een kind is hulpeloos. Ouders moeten rekening houden met hun kinderen, zich proberen te verplaatsen in hun kinderen. Ze moeten voor veiligheid zorgen en trouw zijn, zodat het kind een goede start heeft. Maar je kunt dit gebod ook overdrachtelijk begrijpen en zeggen: hier staat dat je respect moet hebben voor de generatie boven je. Je moet niet alleen maar naar de toekomst kijken maar ook eens achterom. Als je het zo brengt, zou ik mij heel goed in dit gebod kunnen vinden. Tegenwoordig is het net alsof de waarde van een ouder iemand wegvalt, zodra de productiviteit minder wordt. De bejaardenzorg in Nederland is waardeloos geregeld. Bejaarden worden weggestopt in ontluisterende paleizen. Dat vind ik echt heel erg, al zie ik ook niet zo goed hoe het anders kan. Moeder terug in huis? Zo is de maatschappij niet meer ingericht. Bovendien weet ik niet of dat voor al die oude moeders nou zo leuk zou zijn. Maar goed, er zou in ieder geval wat meer respect opgebracht kunnen worden. Het lijkt wel of het bestaan van oude mensen slechts gezien wordt als een last in plaats van een verrijking. Oudere mensen hebben toch iets meegemaakt wat wij niet hebben meegemaakt. Ze waren er in een tijd waarin wij nog niet bestonden, dus daar zou je ook nieuwsgierig naar kunnen zijn. Misschien heeft het iets te maken met angst voor de eigen ouderdom dat maar zo weinigen zich hiermee bezig willen houden."

“Dat geldt in zekere mate ook voor mij. Het is niet een angst waar ik elke dag mee rondloop, maar ik vind de ouderdom niet bepaald een prettig vooruitzicht. Het lijkt me niet leuk om allerlei gebreken te krijgen, maar het is vooral de gedachte niet meer overal heen te kunnen gaan, die mij bang maakt. Ik denk dat alle menselijke angsten teruggaan naar een primaire angst voor lichamelijke schending, voor pijn. En als je dan denkt aan doodgaan, dat is de ultieme schending van het lichaam. In die zin ben ik bang voor de dood. Ik denk niet dat het geloof in een hiernamaals daaraan iets had kunnen veranderen. Natuurlijk, mensen die in staat zijn daarin te trappen, die doodgaan in de overtuiging dat straks alles mooier en beter wordt, hebben een voordeel. Maar tegen welke prijs?"

“Nee, ik zie dat hele geloof toch als een collectieve psychose. Eigenlijk is het een waan, maar het wordt niet als een psychiatrische ziekte aangemerkt omdat zoveel mensen er last van hebben. Ik zeg dat natuurlijk een beetje raillerend, maar is het dan niet wonderlijk dat je reële kwaliteiten toedicht aan iets wat helemaal niet in de realiteit geworteld is? Als therapeut zou ik op het intake-formulier van een patiënt die _ op een ander gebied _ dergelijke symptomen vertoonde een code invullen op de DSM-IV: ernstige waan.”

6 Gij zult niet doodslaan

“Als iemand uit noodweer iemand anders iets aandoet, kan ik daar alle begrip voor opbrengen, maar waar ik helemaal niet tegen kan is het in een wet verankeren dat de één het leven van een ander mag nemen. Het idee van de doodstraf is iets waartegen ik mij altijd heb verzet. Ik heb zelfs heel lang niet naar landen willen gaan waar de doodstraf werd toegepast. Ik kan niet begrijpen hoe bijvoorbeeld in de meest conservatieve, christelijke staten van Amerika dit gebod zo met voeten wordt getreden. 'Gij zult niet doodslaan' en als je dat toch doet, slaan we jou dood. Dat is toch niet logisch?”

7 Gij zult niet echtbreken

“In principe, als richtlijn, kan dit een heilzame regel zijn voor het menselijk verkeer. Wees trouw. Zorg ervoor dat je in vriendschappen, verbintenissen en verhoudingen op elkaar kunt rekenen. Dat hoef je niet eens af te spreken, ik denk dat je het wel aanvoelt. Bij het uitkiezen van je vrienden hou je daar al rekening mee. Trouw heeft iets met tolerantie te maken. Een trouwe vriend is iemand die achter je blijft staan, ook als hij het niet met je eens is, of als je iets vervelends hebt gedaan. Ik ben trouw in mijn vriendschappen. Maar ik ben ook trouw aan mijn werk. Ik hou er gewoon niet van om veel te switchen. Je hebt mensen die heel snel zeggen: dit zint me niet, hup weg ermee. Dat lijkt mij strijdig met dit gebod.”

8 Gij zult niet stelen

“Het moeilijke van dit soort regels is toch dat je ziet dat het wél gebeurt. Allerlei zogenaamd hooggeplaatste mensen doen niet anders dan graaien en zich dingen toeëigenen waar ze eigenlijk geen recht op hebben. Maar als een staat aan zijn onderdanen oplegt dat stelen niet mag, moeten de gezagdragers het zelf ook niet doen. Wat dat betreft kan ik me behoorlijk ergeren aan de Europarlementariërs die nog even op vrijdagochtend naar Straatsburg gaan om een handtekening te zetten zodat ze nog een paar honderd gulden reisvergoeding kunnen opstrijken. Zo zijn er talloze voorbeelden. Het zijn misschien regelingen die mensen volgens de statuten toekomen, maar ik ontkom toch niet aan de gedachte dat er iets onrechtvaardigs in zit. Niet dat ik mijn gedrag daarbij aanpas, zo van: als zij daar zo slordig mee omgaan dan . . . Ik wil zelf bepalen hoe nauw ik het neem, daar heb ik hogerhand niet voor nodig. Nee, ik erger me vooral en ik vind ook echt dat dergelijk gedrag een verkeerde invloed heeft. Het zijn toch de akelige kantjes van de maatschappij. Je ziet het ook bij al die gouden handdrukken van de laatste jaren. Als iemand het even niet meer ziet zitten in zijn baan, laat hij zich voor een paar miljoen aan de kant zetten. Wees toch volwassen! Neem je verantwoordelijkheid. Als je het ergens niet naar je zin hebt, of merkt dat je het werk niet aankunt, ga dan iets anders beginnen. Maar zorg zelf voor je inkomen.”

9 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

“Tsja, dat weet ik niet hoor. Het overdreven nadruk leggen op 'altijd eerlijk zijn' kan ook een heel agressieve kant hebben. De waarheid spreken is een erg egoïstische gedachte. Als ik mij nu even verplaats in een christelijk iemand die naar dit gebod luistert dan zie ik toch iemand voor me die met name denkt aan zijn eigen zieleheil: ik ben goed, want ik spreek de waarheid. Terwijl het in het menselijk verkeer niet zo is dat je alleen maar met jezelf te maken hebt, maar ook met degene tegen wie je praat. Ik vind het ook belangrijk dat je probeert je te verplaatsen in de ontvanger van de boodschap, in zijn waarheid en in het vermogen van deze man of vrouw om te horen wat een ander zegt. Een arts kan zeggen: ik ga mijn ongeneeslijk zieke patient de totale waarheid vertellen want dat ben ik verplicht. Of hij kan ervoor kiezen zich te verplaatsen in die patient en proberen zich voor te stellen hoeveel waarheid hij kan verdragen.”

“Toen mijn kinderen klein waren heb ik hen ook niet willen vertellen wat er nu allemaal precies in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Dan kun je wel zeggen: je moet altijd de waarheid spreken, maar dat moet je ook maar durven als ouder. En een kind moet het ook maar aankunnen. Iets anders wordt het als je geheimen bewaart die met een kinderleven te maken hebben. Daar gaat mijn laatste boek ook over. Als je een kind op het verkeerde been zet, kun je zo'n leven behoorlijk verstoren. Ik geef als ik over Het Geheim een lezing houd altijd het voorbeeld van adoptie. Vroeger was het gebruikelijk om niet aan een kind te vertellen dat het was geadopteerd. Nee, dat moest gebeuren als een kind zo oud was dat het kon begrijpen waarom het ter adoptie was afgestaan. Dat gaf grote problemen. Tegenwoordig is de aanpak anders. Nu pleit men ervoor om het zo vroeg mogelijk, op elk niveau van zo'n kinderleventje, te vertellen. Maar wel zo dat een kind het ook begrijpen kan.”

10 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd,noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Mensen het begeren verbieden is nou werkelijk het slechtste wat je kunt doen. Natuurlijk moet je verlangen naar dingen die je niet hebt; dat is nu precies wat je op de been kan houden. Begeren kan je aanzetten om iets te ondernemen, iets te bereiken. Dat is alleen maar goed volgens mij. Wij ontwikkelen ons toch omdat we niet tevreden zijn met hoe het is? Als je iemand prachtig piano hoort spelen, denk je: dat wil ik ook. En dan ga je oefenen, les nemen, zodat je op een dag misschien net zo prachtig speelt. Ik word voortdurend door allerlei begeertes gedreven. Ik lees een roman en verlang er naar ook zo mooi te kunnen construeren. Of ik spreek een collega over een psychotherapeutische behandeling en denk: had ik die wijsheid maar. Natuurlijk leidt dat ook tot frustraties, want er zijn ook dingen die ik niet kan. Goed, dat ontdek ik dan, ik zie er niets negatiefs in. Je kunt gelukkig zijn met wat je hebt, maar toch bezig blijven met wat je nog zou willen. Zo heb ik net een _ vrij lang _ kort verhaal geschreven. Ik was tevreden tijdens het schrijven, terwijl ik ook uitkeek naar het einde. Het een sluit het ander niet uit. Ik kan heel tevreden zijn met de toestand van verlangen.”

Deel dit artikel