Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Goed doen' is een verslaving geworden

Home

Meindert van der Kaaij

Edwin Venema.

Edwin Venema loopt al jaren mee in de filantropische sector. Hij is kritisch over de ontwikkelingen. 'Het goede doel is in veel gevallen een doel op zich geworden, waarbij continuïteit van de organisatie belangrijker is dan het halen van een doelstelling.'

Edwin Venema herinnert zich nog goed het meeslepende verhaal dat de bekende Amerikaanse socioloog Robert Putnam enkele jaren geleden hield voor een zaal vol met bestuurders van goede doelen. "Hij nam de hele zaal mee in zijn verhaal en liet ze eigenlijk in de val lopen. 'Zou het niet fantastisch zijn als morgen', zo zei hij, 'dankzij het werk van jullie, de honger en armoede de wereld uit zijn, alle dieren gered zijn en alle kinderen naar een school kunnen gaan?' Nou, de zaal stond op zijn kop: 'Jaaa, dat zou geweldig zijn'.

"De bestuurders zaten nog een beetje te zwijmelen bij het geschetste toekomstbeeld toen Putnam zijn punch plaatste: 'Dat is dan tevens de dag dat u op zoek moet naar nieuw werk en een nieuwe levensvervulling'. Ja, toen werd het even stil in de zaal."

Venema is directeur van uitgeverij Lenthe en hoofdredacteur van Filanthropium Journaal, een digitaal vakblad dat wekelijks naar bestuurders en toezichthouders uit de filantropische sector wordt verstuurd. Met het verhaal van Putnam wil hij maar zeggen dat beslissers bij charitatieve instellingen de neiging hebben om hun goede doel als een doel op zich te beschouwen. In zijn wekelijks commentaar beschreef Venema onlangs de goede doelen als een 'verslavende, charitatieve tredmolen waarin de oprichters en medewerkers weliswaar hun ziel en zaligheid kwijt kunnen, maar waarin de prestaties en impact op de samenleving niet meer het dwingende punt op de horizon zijn'.

Dat was een tamelijk ontluisterend beeld dat u van de bestuurders in de Nederlandse filantropische wereld schetste. Dat zullen ze u niet in dank hebben afgenomen.

"Dat valt mee. Ze wisten al hoe ik erover denk en ook dat ik het grootste respect heb voor hun inspanningen. Maar als journalist moet ik constateren dat het goede doel in veel gevallen een doel op zich is geworden, waarbij continuïteit van de organisatie belangrijker is dan het halen van een doelstelling. Ik constateer dat filantropie tot een enorme geldstroom is uitgedijd. Hoogleraar filantropie Theo Schuyt schat dat in de Nederlandse filantropie jaarlijks zo'n 4,7 miljard euro omgaat; zonder dat we het in de gaten hadden, is daar een hele industrie omheen gegroeid: notarissen, accountants, pr-bureaus en noem maar op verdienen er een goede boterham aan. Dat klinkt cynisch, maar het is de waarheid.

"We moeten onder ogen zien dat een gezichtsbepalend deel van de sector intussen bestaat uit professionele organisaties die als bedrijven zijn gaan werken. Het zijn werkgevers met veel financiële belangen die aan de ene kant de liefdadigheidsgedachte bij het publiek moeten blijven oproepen en aan de andere kant met de harde werkelijkheid aan de slag moeten. Een marktconform salaris voor de directeur is strijdig met de gedachte van liefdewerk-oud-papier die veel gevers nog steeds hebben. Feit is dat goede doelen werknemers in dienst hebben die schoolgaande kinderen hebben en met flinke hypotheken zitten. Daardoor voed je het mechanisme dat deze organisaties zichzelf steeds meer in stand willen houden. Dat is bijna onontkoombaar."

In de tien jaar dat Venema in de sector meeloopt, heeft hij ontdekt dat Nederland van huis uit een 'filantropisch land' is. Van het aantal charitatieve organisaties dat in ons land actief is, durft hij geen schatting te maken. Negenduizend? "Lijkt mij aan de veel te lage kant. Volgens de belastingdienst hebben 60.000 stichtingen de zogeheten Anbi-status (giften aan die stichtingen zijn fiscaal aftrekbaar - red.). Bij de Kamer van Koophandel zijn 250.000 stichtingen ingeschreven waarvan we niet weten hoeveel daarvan zichzelf als goed doel beschouwen. Dan zijn er nog ongelofelijk veel doe-het-zelvers die helemaal niets op papier hebben gezet en buiten alle boeken om werken, maar wel in familie- en vriendenkring geld ophalen voor het weeshuis waar zij tijdens een vakantie toevallig kwamen.

"Het aantal goede doelen groeit nog steeds. Dat komt doordat een wijd spectrum van speeltuinverenigingen tot aan instellingen uit zorg, onderwijs en cultuur jarenlang aan het infuus van overheidssubsidies hebben gelegen, en nu op zoek zijn naar particuliere gevers.

"De cijfers zijn duizelingwekkend. Het getal van Schuyt, de 4,7 miljard euro, is boterzacht. Veel dingen weten we gewoon niet. We hebben geen idee hoeveel geld mensen via hun testament aan goede doelen schenken. Maar vooral is het de vraag wat jaarlijks van de vermogensfondsen (fondsen die geen geld werven maar die een privékapitaal beheren en het rendement daarvan gebruiken voor een goed doel - red.) komt. Op zijn minst schenken Nederlanders één procent van hun inkomen aan goede doelen. Dat vind ik iets waar we trots op mogen zijn. We kijken weleens op tegen de VS, maar we doen eigenlijk niet voor hen onder."

Volgens Venema verandert ons geefgedrag zelfs niet in tijden van economische crisis. Het tweejaarlijkse VU-onderzoek 'Geven in Nederland' wijst uit dat we nog steeds ruimhartig de portemonnee trekken. "Er is nog steeds geen sprake van een verdringingsmarkt."

Er zijn in Nederland drie professionele verenigingen voor hartpatiënten. Is dat niet te veel? Zouden Nederlandse gevers er niet bij gebaat zijn als die drie gingen samenwerken? "Dat zou zeker efficiënter zijn. Ik hoor soms verhalen van wel zeven organisaties in ontwikkelingssamenwerking die bij wijze van spreken met Landrovers elkaar van de weg rijden om hulp te bieden. Dat is niet uit te leggen aan het publiek. Er zou daarom best wel meer samenwerking mogen komen, al dan niet in de vorm van fusies, maar ja ik heb de afgelopen jaren gemerkt dat in Goede Doelenland er verschillende taboes zijn en dat is er een van.

"Mensen die zich in het zweet werken voor een goed doel, doen dat omdat zij een bijdrage willen leveren aan een betere wereld en dat is een heel nobele instelling. Maar vervolgens komt daar een waas van heiligheid om te hangen. Dat is, wat ik altijd noem, de moeder-theresaisering van hun arbeid. Hun motivatie mag op geen enkele manier ter discussie worden gesteld en dat irriteert mij vaak mateloos.

"Mensen in deze sector zeggen voortdurend dat zij dat werk 'niet voor zichzelf doen'. Ik weet niet of dat helemaal de waarheid is. Het werken voor een goed doel geeft enorm veel voldoening, dat begrijp ik en het is ook een legitieme motivatie. Mensen krijgen een enorme kick van helpen, maar kom daarvoor uit. Het 'goed doen' is zelfs een verslaving, als ik dat soms zie. Het is lastig om dat op te geven. Dat is de reden waarom zo zelden goede doelen worden opgeheven, ook niet als het doel domweg is bereikt."

Een ander taboe ligt volgens Venema op het hebben van kritiek op een charitatieve instelling. "De tenen in het Land van Goed Doen zijn traditioneel lang en het zelfkritisch vermogen van de goede doelen-branche is nog zwak ontwikkeld. Dat heeft te maken met de positie van goede doelen in de samenleving. Zij zijn afhankelijk van publieke donaties en die komen alleen als het publiek vertrouwen in een organisatie heeft. Vertrouwen is het kroonjuweel van elk goed doel en alles wat dat kan ondermijnen is een reëel gevaar voor hun voortbestaan."

Venema stelt dat goede doelen de hoge verwachtingen van het publiek voor een deel aan zichzelf te wijten hebben. "Veel organisaties schilderen een te roze beeld van zichzelf en hun bereikte doelen. Zij bevestigen bij het publiek het beeld dat het liefdewerk-oud-papier is, terwijl dat allang niet meer zo is. Er zijn zo'n dertig organisaties in Nederland met tussen de vijftig en honderd medewerkers. Die tegenstelling tussen hart en hoofd noem ik de professionaliseringsparadox: de tegenstelling tussen de verwachting van het publiek dat goede doelen liefdewerk-oudpapier-organisaties zijn, en anderzijds dat zij superprofessioneel met geefgeld moeten omgaan."

Wat moeten goede doelen daaraan doen?
"Eerlijker zijn! Maak Nederlanders duidelijk dat het onmogelijk is om een keten van hulp te organiseren zonder dat daarbij kosten worden gemaakt. Dat die kosten niets te maken hebben met de 'strijkstok' - tjonge, wat haat ik dat woord - die op verjaardagen altijd ter sprake komt. Dat er grenzen zijn aan wat goede doelen kunnen bereiken. Maar ook dat er bij goede doelen rotte appels kunnen zitten die lelijke dingen doen als geld verduisteren."

Goede doelen vallen elkaar niet snel af, maar dat is wat anders dan dat zij goed samenwerken of gezamenlijk optrekken. "Dan zie je dat er in Nederland een slag is om de geefeuro. Een goed voorbeeld was de rel die enige jaren geleden ontstond toen het salaris bekend werd van de medisch-directeur van de Hartstichting. Ik snap niet dat andere organisaties niet meer voor de Hartstichting gingen staan om uit te leggen dat men zich niet op zo'n bedrag moet blindstaren. Een directeur kan een hoog salaris waard zijn. Elke keer als een instelling in zwaar weer komt, duiken de anderen weg en dat is niet goed voor de sector."

Het fuseren van organisaties die zich met hetzelfde probleem bezighouden, zou volgens Venema een regelrechte zegen zijn. Toch voelt hij er niets voor om het aantal goede doelen van bovenaf te reguleren. "Fusies zouden beslist het veld overzichtelijker maken en efficiëntie vergroten, maar deze sector moet je niet kapot regelen. Ik geloof meer in het liberale marktprincipe. Gevers stemmen met hun portemonnee. Heb je geen draagvlak of vertrouwen, dan houdt het op. Jaarlijks verdwijnen veel clubs geruisloos door gebrek aan succes. Als mensen zich willen inzetten voor zwerfezeltjes in Andorra, nou, dan gaan ze hun gang maar.

"Al die goede doelen zijn ooit ontstaan in een soort oerknal: een paar mensen die bij elkaar kwamen en die het niet pikten dat er op een gebied een wantoestand heerste en aan de slag gingen. Schitterend die passie. In dat dna van goede doelen moet je dus niet klooien, want dan gaat het kapot."

Deel dit artikel