Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’God schiep niet, hij scheidde’

Home

Lodewijk Dros

Alle vertalingen, commentaren en studies zeggen hetzelfde: de Bijbel begint met Gods schepping. Fout, meent professor Ellen van Wolde. „God is niet de Schepper.”

’God schiep de hemel en de aarde.’ Hoe verschillend Nederlandse bijbelvertalingen ook zijn, in de weergave van de eerste woorden van de Bijbel zijn ze opvallend eensgezind. En toch kán die openingszin niet meer, vindt Ellen van Wolde. Want God schiep niet.

Van Wolde (1954) spreekt morgenmiddag haar oratie uit; sinds begin dit jaar werkt ze als hoogleraar exegese van het Oude Testament aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze hoopt dat haar bevindingen een stevig debat veroorzaken. Want haar conclusies over de ouverture van het bijbelboek Genesis zijn niet alleen nieuw, maar raken ook het hart van menig gelovige. „Het traditionele beeld van God de Schepper is onhoudbaar.”

Daarnaast haalt Van Wolde nog een vertrouwd element uit de joods-christelijke theologie onderuit. „Het monotheïstische beeld van de ene God, dat klopt niet. Er is sprake van een godenverzameling, met goden en een oppergod.”

De titel van haar inaugurele rede ’Terug naar het begin’ is dubbelzinnig. „In het begin” is de Hebreeuwse titel van Genesis, en Van Wolde wilde bij haar overstap van de universiteit van Tilburg naar die van Nijmegen opnieuw beginnen als tekstuitlegger. In haar rede heeft ze, zeer ongebruikelijk, een credo opgenomen, een academische geloofsbelijdenis: „Ik geloof in onbevangen lezen en leven, in het steeds weer opnieuw beginnen, in jezelf leeg maken van eerdere opvattingen, om telkens opnieuw alles als nieuw gewaar te worden”.

Van Wolde: „Ik wilde iets uitzoeken zonder het oordeel al klaar te hebben, zonder de mal van de traditie op de tekst te leggen.”

Zo stuitte ze op de openingsverzen van het bijbelboek waarop ze ooit promoveerde. Preciezer: Op het werkwoord bara. Dat betekent volgens iedereen ’scheppen’, maar voor Van Wolde voldeed die vertaling niet meer. „Het klópte gewoon niet.” Bij het werkwoord was God het onderwerp (God schiep...), gevolgd door ’steeds twee of meer lijdende voorwerpen’. Waarom schiep God niet één ding of dier, maar steeds meerdere? Omdat, stelde Van Wolde vast, God niet schiep, maar scheidde. De aarde van de hemel, het land van de zee, de zeemonsters van de vogels en het gekrioel op de grond.

„Er wás dus al water, er waren al zeemonsters. God maakt wel eens iets, maar niet de hemel en de aarde.” Het gebruikelijke idee van scheppen-uit-niets, creatio ex nihilo, is een groot misverstand.

Die hypothese was, zoals Van Wolde het zegt, ’mijn eerste vonk, in juni 2008, in mijn studeerkamer’. De tweede vonk volgde in het najaar. „Ik zei tegen mezelf: dat kun jij wel denken, dat God ’scheidde’, maar kunnen de priesterschrijvers van het Oude Testament in plaats van scheppen wel ’scheiden’ bedoeld hebben? Paste dat in hun wereldbeeld?”

Van Wolde vroeg zich nog iets af. „Waarom zou ik de eerste zijn die in vele eeuwen tekstuitleg de waarheid boven tafel krijgt?” Van Wolde geeft zelf het antwoord. „Ik kan dat omdat er voor mij als onderzoeker nu zoveel middelen voorhanden zijn. Lexica, analysemethoden en niet te vergeten: nieuwe uitgaven van Mesopotamische teksten. De oudere waren nog gestempeld door de bijbelse opvattingen van de wetenschappers. Nu die wetenschap is geëmancipeerd, krijgen we beter inzicht in die teksten.” En daaruit blijkt dat ook in andere scheppingsverhalen uit het Nabije Oosten de godheid de hemel scheidt van de aarde.

Aan Nederlandse vakgenoten heeft Van Wolde nog niets prijsgegeven (’het is zó leuk om te zeggen: ik kom met iets, en dan te zwijgen’), op het internationale forum heeft ze de eerste reacties al wel binnen. „Over twee weken verschijnt het Journal of the Study of the Old Testament. Daar hebben specialisten het gelezen, ze vonden het vernieuwend en overtuigend. Ze wilden het snel publiceren. Het wordt het openingsartikel – een ereplaats in dat Journal.”

Hoe is de mens geschapen? Daar gaat Van Wolde in haar studie uitgebreid op in. „Laat ons mensen maken”, staat er. Van Wolde: „God en de goden zijn betrokken bij het maken van mensen die tot op dat moment nog niet bestonden.” Voor dát maken is een ander werkwoord gebruikt, asa. Dat betekent wél ’scheppen’. Maar als de mens er eenmaal is, gaat God weer ’scheiden’. Dus niet: God schiep de mens als zijn evenbeeld (NBV), maar: „God maakte een scheiding tussen de mens die zijn beeld is en zichzelf en hij maakte een scheiding tussen mannelijk en vrouwelijk.”

In haar boek verkent Van Wolde een intrigerende passage in een ander bijbelboek, van de profeet Jesaja, over God die het licht en het donker, de vrede en het kwaad maakt. „Dit heeft grote problemen veroorzaakt in de bijbelse theologie, van Calvijn tot heden, omdat hier zou staan dat God zelf het donker en het kwaad heeft geschapen.” Volgens Van Wolde is God niet de auteur van het donker en het kwaad, maar degene die „het licht vormt en van het donker scheidt, de vrede maakt en van het kwaad scheidt”.

Wat zijn de gevolgen van Van Wolde’s opmerkelijke ideeën?

„God als almachtige, de schepper die alles met een doel maakt, vergt een nieuwe doordenking”, zegt ze voorzichtig. Stelliger is ze over het beeld dat de christelijke filosofie sterk heeft beziggehouden, dat van God als schepper uit het niets, als de eerste veroorzaker van alles. „Die stelling is gefalsifieerd.”

Van Wolde vergelijkt de mogelijke doorwerking van haar tekstinterpretatie in de theologie met het inzicht dat Charles Darwin stapsgewijs opdeed. „Het begon met een eerste punt van twijfel, in 1842, toen hij God nog voor schepper hield, maar wel zag dat er een variëteit aan soorten was. Langzamerhand durfde Darwin al verdergaande conclusies te trekken.”

Alle gedoe in dit Darwinjaar over schepping of evolutie, met als curieus hoogtepunt het tekenen door Andries Knevel van een verklaring waarin hij het creationisme vaarwel zegde, doet Van Wolde lachend af. „Arme Knevel. Al die strijd voor niets geweest, want God ís helemaal niet de Schepper van hemel en aarde.”

De oudtestamentica realiseert zich dat haar bevindingen pijnlijk kunnen zijn voor gelovigen die juist die Schepper koesteren. „Misschien trap ik mezelf wel op het hart. Ik beschouw mezelf als gelovige, en die Schepper was me dierbaar, als een notie van vertrouwen. Dat vertrouwen wil ik bewaren.”

Lees verder na de advertentie

Deel dit artikel