Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

... ging de parlementaire enquête niet door

Home

Monic Slingerland

De parlementaire enquête naar Srebrenica is de vijftiende die in de Nederlandse geschiedenis gehouden wordt. De bekendste uit de geschiedenis is die naar de arbeidsomstandigheden in fabrieken, gehouden in 1887. Deze enquête leidde tot de Arbeidswet uit 1890.

Maar dat was niet de eerste. Het recht van enquête was vastgelegd in de Grondwet van 1848, waarmee Nederland een parlementaire democratie werd. In 1852 kreeg het Tweede-Kamerlid Bachiene het dankzij zijn welsprekendheid voor elkaar dat er voor het eerst een parlementaire enquête kwam. Het onderwerp van onderzoek was de belasting op zout.

De liberaal P. J. Bachiene uit Goes was een van de weinigen van de zeventig Tweede-Kamerleden zonder titel. Hij maakte dat eventuele gemis ruimschoots goed door zijn retorische begaafdheid. Kamerverslagen uit 1852 laten zien dat een betoog van Bachiene altijd helder was en terzake. Een opponent verzuchtte tijdens een debat dat Bachiene 'met zijn gebruikelijke behendigheid' iedere verbale aanval wist te pareren. En dan was hij bovendien nog goed geïnformeerd. Ook anderhalve eeuw geleden wisten kamerleden niet altijd even goed wat er speelde in het land. Bachiene wel, hij luisterde naar de mensen in het land, om eens een actuele formulering te gebruiken.

Dat bleek bij de bespreking van een aantal verzoeken van zoutzieders om de vernieuwde wet op de accijns op zout aan te passen. In 1852 telde Nederland 81 zoutziederijen, een aantal aan de kust, een aantal in het binnenland. Zij kregen ruw zout aangeleverd uit het buitenland, raffineerden dat en verkochten het weer, maar deden ook zelf aan zoutwinning, uit zeewater en uit de bodem.

Op de productie van zout hief de overheid belasting, een overblijfsel van middeleeuwse privileges. De regels over de hoogte van de accijns moesten hoognodig weer eens bijgesteld worden. De Kamer besprak een algehele wijziging van het belastingstelsel, waaronder ook accijnzen op suiker, vlees en gedestilleerd. Er kwamen uit het land verzoeken binnen op de belasting op eerste levensbehoeften af te schaffen en in plaats daarvan belasting te heffen op koffie, thee en chocola, een voorstel van de inwoners van Middelstum, Sappemeer en Leens. Al in 1849 had de minister van financiën beloofd dat er een herziening zou komen van de wet op de accijns van zout.

Het probleem was dat er te veel gesmokkeld werd. De zoutaccijns leverden 2 miljoen gulden per jaar op, en dat bedrag bleef steeds maar hetzelfde, terwijl de productie steeg. Er klopte iets niet. En de regering had het geld hard nodig. Economisch ging het slecht, er kon geen cent gemist worden op de begroting van 70 miljoen. Vandaar dat in april 1852 in grote haast een aanscherping van de wet op de accijns op zout werd aangenomen, nadat de scheikundige prof. Mulder technisch advies had gegeven. Bij de raffinage van zout werd veel water gebruikt, ook zeewater en het leek de Kamer billijk dat zoutziederijen voortaan ook over het zout in dat water belasting gingen betalen. De Kamer had het idee dat ziederijen nogal wat zout voor de fiscus wegmoffelden onder het mom dat het water was. Ook bestond het vermoeden dat ziederijen veel meer keukenzout uit het ruwe zout haalden dan ze opgaven. Voortaan moest er steeds tijdens het fabricageproces gemeten en gewogen worden, opdat geen korrel verloren zou gaan voor het landsbelang. Tegelijk probeerde de Kamer ook het belang van de nijverheid voor ogen te houden. ,,Wij willen de industrie niet doden', zei Bachiene, die geen voorstander was van de voorgestelde wijziging. De wet werd er snel doorgejast. In maart werd de wet opgesteld, in april aangenomen en per 1 juli 1852 ging zij in.

Toen greep kamerlid P. J. Bachiene zijn kans. In maart had hij al danig van zich laten horen, bij de bespreking van het wetsvoorstel. Nu de wet ingevoerd was en zoutzieders klaagden dat ze bijna failliet gingen, kon hij zijn punt maken.

Hij kwam met een voorbeeld. Een zoutzieder op Zuid-Beveland moest voor de controle van de fiscale ambtenaren meer zout afgeven dan op het hele eiland te krijgen was. Het onderzoek was een kwelling geweest, schetste Bachiene. Er is proces-verbaal tegen de zieder opgemaakt, volkomen ten onrechte, want alles bleek in de haak. Hij moest zijn fabriek stilleggen en die was na alle consternatie nu tijdelijk gesloten. Bachiene betoogde ook dat de regels voor de metingen tijdens het transport van zout onmogelijk waren uit te voeren. Hij had met een aantal binnenschippers gesproken en die hadden hem uitgelegd hoe de gang van zaken was. Het zout moest vaak overgeladen worden, ook in bakken waarin andere goederen gezeten hadden. Als er iedere keer gemeten moest worden, was dat niet alleen zeer tijdrovend, er kwam, door de verontreiniging, ook vaak een ander getal uit.

Een ander probleem bleek het zeewater, waarover zieders accijns moesten betalen. Dat water was niet elke keer even zout. Net zomin als het ruwe zout dat naar de ziederijen kwam steeds dezelfde samenstelling had. Professor Mulder had in zijn scheikundig laboratorium leuke proefjes zout gedaan, maar de praktijk was weerbarstiger, stelde de Kamer sip vast.

Nee, het op het eerste gezicht briljante idee om belasting op zeewater te heffen, was toch niet zo goed. Zo werden de ziederijen aan de kust benadeeld ten opzichte van hun collega's in het binnenland en dat terwijl hun ligging juist gunstig was. De wet dreigde de ziederijen uit Groningen en Friesland en Zeeland weg te jagen.

Het was niet goed geweest, halsoverkop een herziene wet in te voeren, hield Bachiene de Kamer voor. Hij kon het niet laten, even een sneer te geven. Het was beter geweest, eerst een onderzoek te houden naar de bedrijfsvoering en pas daarna een wet in te stellen. Helaas was het nu nodig, de omgekeerde volgorde aan te houden. Op 15 november 1852 vroeg hij om een parlementaire enquête, die de eerste in de geschiedenis zou zijn. Was dat niet een beetje snel, vroegen zijn medekamerleden zich af? De wet was nog maar nauwelijks inwerking, pas een halfjaar.

Handig als hij was, kreeg Bachiene het toch voor elkaar. Hij had ook nog gezegd dat het geen excuus mocht zijn dat er geen tijd was, want het werk zou gedaan worden door een commissie, net zoals in Engeland gebeurde. Hij werd geholpen door het betoog van minister Van Bosse van financiën. Met 26 voor en 25 tegen stemde de Tweede Kamer in met een enquête naar de praktische uitwerking van de herziene wet op de zoutaccijns. De enquête zou per 1 september 1853 gehouden worden. De commissie zou onder voorzitterschap komen van Floris van Hall. Uiteraard kwam ook Bachiene in de commissie en verder de liberaal Blussé, de katholiek Van Nispen van Sevenaer en de liberaal Poortman.

Over deze enquête is in de Handelingen van de Tweede Kamer daarna geen letter meer te vinden. Koning Willem III ontbond het kabinet Thorbecke, dat hij te liberaal vond, in april 1853. Floris Van Hall werd de nieuwe minister-president. De enquête ging niet door. In de nieuwe Kamer ontbrak Bachiene.

Deel dit artikel