Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Geloof doet het verstand geweld aan'

Home

Van een medewerkster AMSTERDAM - Natúúrlijk kun je het bestaan van God niet bewijzen. Ook niet weerleggen trouwens. Volgens Herman Philipse, hoogleraar wijsbegeerte aan de universiteit in Leiden, beschouwen veel mensen deze stellingen als vanzelfsprekend. Onzin, zo vindt hij. God bestaat niet, kan niet bestaan. En het is dus ook onmogelijk om moraal te funderen op zoiets als 'de wil van God'.

Dit is de kern van zijn boek 'Atheïstisch manifest' (Prometheus). Dinsdagavond discussieerde Philipse er in Maison Descartes met Marja Brouwers en Antoine Bodar over. Eén hoofdstuk uit Philipses boek is een rechtstreeks uitvloeisel van een spraakmakende discussie op de opiniepagina's van de NRC waaraan ook Bodar deelnam. Brouwers schreef een recensie over het boek voor Vrij Nederland waarin zij fel uithaalde naar deze 'wijsgerige blunder'.

Moderne gelovigen betogen volgens Philipse vaak dat religie en God buiten de rationaliteit staan. Deze 'these van de buiten-rationaliteit' werd in de achttiende eeuw naar voren gebracht om het geloof te beschermen tegen conflicten met de wetenschap. Om aan deze these te kunnen vasthouden moet de term 'God' zodanig worden beschreven dat tegenspraak tussen geloof en wetenschap wordt uitgesloten. Maar dat is onmogelijk. Iedere beschrijving verwijst naar iets wat in beginsel kenbaar is. Aan het woord 'God' kan dus geen beschrijvende inhoud worden toegekend zonder in conflict te komen met de rationaliteit en de wetenschap. En als God geen beschrijvende inhoud kan hebben, kan hij niet bestaan. Deze redenering dwingt ons volgens Philipse tot 'semantisch atheïsme'.

“Met de fundamentalisten is hij van mening dat geloven alleen maar een zaak van letterlijkheid kan zijn,” zei Marja Brouwers. Maar, meende zij: “Je hebt wetenschap en je hebt poëzie. Over het verwoorden van gevoelens en ervaringen, die niet redelijk te verwoorden zijn, hoeft toch geen kwaliteitsoordeel te worden uitgesproken.” Maar Brouwers' grootste bezwaar was toch wel dat het er volgens haar helemaal niet toe doet of God bestaat of kan bestaan. In ieder geval niet als het gaat om fundering van de moraal. De publieke moraal staat los van de wijze waarop individuen die wensen te funderen. Dat moeten ze zelf weten maar “in het openbare leven hoeft niemand te worden gedwongen consequenties te trekken uit de persoonlijke overtuigingen van een ander”.

Antoine Bodar vond ook: “Geloof is niet te vangen in waarheidsdenken. Logisch-filosofisch is er een dilemma, maar voor het geloof heeft dit geen consequenties.” Als je God op het spoor probeert te komen, kun je beter zoeken in kunst, literatuur en natuur, maar niet in de wetenschap. “Geloof doet het verstand geweld aan.” Philipse wierp tegen dat het hem toch heel verstandig leek met het verstand na te denken over wat het hart ingeeft. “Zolang je alleen ervaart, hoef je je niet te storen aan de logica. Maar zodra je iets zegt, krijg je ermee te maken.” Daar zit wel wat in, vond Bodar. “Natuurlijk is zwijgen beter.” Toch kan spreken waarheid oproepen zonder per se waar te zijn. “Een gelovige kan vaststellen dat men in zwakheid krachtig kan zijn. Om dat te ervaren moet je in dat leven gaan staan.”

Het laatste woord was voor Bodar. Glimlachend sloot hij de grenzen van zijn privé-sfeer: “Philipse kan de liefde in het atheïsme omhelzen. Ik vind dat ze bij God woont.”

Deel dit artikel