Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Die Moulijn wil alleen maar pingelen'

Home

Matty Verkamman

Met een prachtige kuif poseerde Coen Moulijn als jongen van negentien jaar, toen hij in 'De Hel van Deurne' tegen de Belgen zijn interlanddebuut mocht maken. Ruim dertien jaar later begon de bij leven al legendarische linksbuiten enigszins kaal te worden, toen hij tegen Bulgarije voor de laatste keer in het Nederlands elftal speelde. Tussen zijn eerste en zijn laatste optreden in Oranje, speelde het Nederlands elftal 93 interlands; Coentje was er in die reeks maar 38 keer bij.

De veelvuldige afwezigheid in de nationale ploeg was kenmerkend voor de pieken en dalen in de loopbaan van deze publieksspeler. Moulijn in vorm was een lust voor het oog, geen rechtsbuiten kon dan de lichtgewicht op de linkervleugel afstoppen. Moulijn was echter ook regelmatig een tobber. Zo had hij zich zelf wijsgemaakt bij uitwedstrijden van Feyenoord in Limburg nooit uit de voeten te kunnen. MVV-uit, Rapid JC-uit, Fortuna '54-uit - die ondernemingen waren bijna nooit aan Moulijn besteed. Hij kreeg dan meestal stevige jongens tegen zich, die de hardste middelen niet schuwden. Via bruut geweld kwam hij diverse keren in het gips terecht en in die omstandigheden moest de mentaal zeer gevoelige speler langdurig worden opgebeurd.

Moulijn was in 1972, als 35-jarige nog maar net uitgevoetbald, toen hij de negatieve kanten van een leven als profvoetballer benadrukte. ,,Men heeft mij wel eens de beste linksbuiten ter wereld genoemd, maar hier heeft veel negatiefs tegenover gestaan. Ik heb lichamelijk en geestelijk zo veel schoppen gekregen, dat ik ook nu nog niet ben uitgedeukt.''

In 1970 bereikte Coen Moulijn op zijn 33ste jaar de hoogtepunten in zijn lange carrière. In dat jaar won hij met Feyenoord de Europa Cup en de Wereldbeker. Toch beleefde hij eigenlijk meer plezier aan zijn jongere jaren in het voetbal; aan de periode waarin de voorhoede uit vijf spelers bestond. De tactiek evolueerde naar vier spitsen en ten slotte naar drie. Tegen het einde van Moulijns voetbaltijd had coach Ernst Happel hem zo ver gekregen zich niet louter op de aanvallende acties te richten, maar ook mee te verdedigen bij balverlies. Moulijn deed het, maar met grote tegenzin.

In de jaren vijftig en zestig had hij zich volledig mogen richten op de passeerbeweging en de hierop volgende, loepzuivere voorzet, waaruit een orthodoxe midvoor als Cor van der Gijp talloze keren kon scoren. In die jaren waren de rechtsbenige linksback Cor Veldhoen en de rechtsbenige linkshalf Jan Klaassens bij Feyenoord en ook bij Oranje bereid het vuile werk voor Coentje op te knappen. In het besef dat hun linksbuiten zo vaak de doorslag gaf, deden zij dat met plezier.

Coen Moulijn werd Mister Feyenoord en de meest bejubelde linksbuiten van Nederland. Het gekke was, dat hij aanvankelijk op het een, noch op het ander uit was. Als iel manneke van Xerxes had hij in 1955 zijn zinnen gezet op een contract bij Sparta. Een jeugdleider bij Sparta adviseerde het bestuur echter negatief, 'want die Moulijn wil alleen maar pingelen, hij geeft de bal nooit af'. Via bemiddeling van de in wielerkringen bekende Ton Vissers, zag Feyenoord in tegenstelling tot Sparta wel iets in het joch, voor wie de bal geen geheimen had.

Voor 25 000 gulden werd Coentje Feyenoorder; in zijn eerste seizoen verdiende hij een jaarsalaris van 2200 gulden. Hij begon op zijn favoriete plaats, als linksbinnen. Trainer Adriaan 'King' Koonings zette Moulijn tegen diens zin op de linksbuitenplaats. Koonings legde de jeugdspeler uit dat hij als linksbuiten minder lichamelijk risico liep. In werkelijkheid verwachtte de trainer veel meer rendement aan de buitenkant. Dat had hij goed gezien. Met zijn kittige bewegingen speelde Moulijn heel veel rechtsbacks tureluurs. Acht van de tien keer ging hij buitenom, na binnendoor te hebben gedreigd.

Behalve de botte bijl, die vooral de Amsterdammers Frits Flinkevleugel (DWS) en Wim Suurbier (Ajax) tegen hem gebruikten, was er vrijwel geen rechtsback in Nederland die een antwoord had op de trucs van Coentje. Trainer Helenio Herrera van Barcelona vond Moulijn een fantstische linksbuiten. Hij zag in hem de ideale aangever voor het Hongaarse kopwonder Sandor Kocsis. Met Oranje-bondscoach Elek Schwartz was Herrera van mening dat die kleine Nederlander minstens zo goed was als Francesco Gento van Real Madrid. Moulijn voelde zich gevleid, maar een transfer naar Barcelona werd nooit gerealiseerd. Een Nederlandse voetballer in Barcelona, dat was eind jaren vijftig, begin jaren zestig, nog ondenkbaar.

Deel dit artikel