Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Deze ramp geeft een ontzettend gevoel van verbondenheid'

Home

ANITA LOWENHARDT

"Het was inderdaad ongeveer het enige dat er nog aan ontbrak. Ik word zelf nooit zo zenuwachtig van een bommelding en het was ook niet de eerste deze week, maar als de politie het serieus neemt en zegt: 'ontruimen', dan ga je, ook midden tijdens de persconferentie. Die variant hadden we nog niet gehad en de pers zat eerste rang."

Het is woensdagmiddag in het Beleidscentrum, dat nog steeds in bedrijf is, in de kelder van het Amsterdamse stadhuis. Hier bracht Noortje van Oostveen, hoofd afdeling voorlichting van de gemeente Amsterdam en woordvoerster van burgemeester Van Thijn, sinds de ramp in de Bijlmer ontelbare uren door.

"We hebben allemaal als olifanten gewerkt. Dat geeft een ontzettend gevoel van verbondenheid, we zijn familie geworden. 's Avonds dacht ik vaak: 'Ik moet nu gaan slapen, want het is belangrijk dat ik niet afknap' en toch kon ik dan niet wegkomen. Dat had iedereen, ook de mensen in het veld van brandweer en politie. Die wilden ook niet afgelost worden. En vlak mijn collega's die buiten het Beleidscentrum bezig waren, niet uit. Zij hebben 24 uur per dag de pers te woord gestaan."

"De ramp wordt daar niet minder erg door, maar het maakt het wel draaglijker. Je leert mensen ook van een heel andere kant kennen. Mensen van wie je dat niet had verwacht, die alles opzij schuiven: we zijn vrienden voor het leven geworden."

Noortje van Oostveen is nu ruim drie en een half jaar hoofd voorlichting. Ze aarzelt even voor ze antwoord geeft op de vraag of die baan haar nog steeds bevalt. Dat komt ook doordat ze die op dit moment niet goed los kan zien van de recente gebeurtenissen. Maar het antwoord is 'ja': "In elk geval was, wat we de afgelopen anderhalve week hebben gedaan, heel zinvol."

"Het is ook nog niet afgelopen, zeker niet voor de nabestaanden van de slachtoffers, maar ook niet voor ons. De dingen van alledag dringen zich al weer op, maar de omschakeling is moeilijk. Al na een paar dagen probeerden mensen voorzichtig of je al weer open stond voor iets anders. Nee dus, maar we moeten wel afbouwen en dat zal best moeilijk zijn."

Noortje van Oostveen werd in 1944 in Zutphen geboren als jongste van vijf kinderen. Het gezin was gereformeerd, de krant was Trouw, de ARP de partij en het VU-busje stond in de kast. "Ja, kerkbezoek hoorde er ook bij, een keer per zondag. Daar had ik geen hekel aan, maar het was ook niet zo dat ik het altijd leuk vond. Net als school eigenlijk."

Ze groeide op in Zeist, maakte daar in 1963 het gymnasium af. "Toen bedacht ik dat ik misschien wel journalist wilde worden, maar ik had geen journalisten in mijn omgeving en wist dus niet hoe ik dat moest aanpakken. Ik dacht dat een studie Nederlands misschien wel een goede basis was, maar daar ben ik na drie jaar mee opgehouden. Toen ik las dat er een School voor Journalistiek begon, dacht ik: 'Dat is prachtig'."

"Ik hoorde in 1966 tot de allereerste lichting en het was enig. Wel heel klassikaal. Dat was prima voor kinderen die net van school kwamen, maar heel raar voor mensen die al gewerkt of gestudeerd hadden. Dat werd dus keten. Het eindigde ook in een puinhoop, in 1969, middenin de democratiseringsgolf."

"Ik had stage gelopen bij de NCRV en bij het Utrechts Nieuwsblad en kon bij beide beginnen, want de banen lagen toen voor het opscheppen." Het werd de NCRV: de radio-actualiteitenrubriek Hier en Nu.

Tien jaar lang deed ze verslaggeving, presentatie en regelmatig ook eindredactie voor Hier en Nu. Toen werd ze gevraagd chef van de radio-afdeling actualiteiten te worden. Ze deed het, een beetje tegen wil en dank, zoals ze later zou zeggen.

"Ja, het was even slikken, omdat ik een belangrijk deel van mijn tijd moest 'managen'. Daarom stelde ik als voorwaarde om een keer per week te presenteren. Anderzijds vond ik het leuk en belangrijk om de lijnen uit te zetten en leiding te geven aan een journalistiek team."

Na twee en een half jaar ging ze naar de tv, "omdat ik bij de radio toen wel alles had gedaan en iets nieuws wilde aanpakken."

Ze werd redacteur van het NOS Journaal en ging ook presenteren. "Nee, ik heb er nooit erg veel last van gehad dat ik opeens een 'publiek persoon' was geworden. Ik werd ook zelden of nooit op straat herkend. Achteraf denk ik dat dat komt door de vele tv-make-up en daarnaast heb ik blijkbaar zo'n gezicht van de 'girl-nextdoor'."

"Overigens is er bij het Journaal ook geen ruimte voor glamour. Iedereen is gewoon de hele dag bezig met het maken van nieuws. Het is gewoon werk, zeg ik altijd, heel nuchter en zakelijk. Ook de presentatoren zijn leden van het team en tot vlak voor de uitzending bezig met de totstandkoming van de rubriek."

Met presenteren hield ze na vijf jaar op. "Veel op het scherm verschijnen, daar slijt je van. Je moet in twintig minuten wel een topprestatie weten te leveren en er gaan veel dingen mis, waar de kijker niets van merkt, omdat je dat als presentator opvangt. Na zo'n uitzending ben je wel soms een jaar ouder. Daarbij was ik absoluut niet verslaafd aan de buis en toen ik werd gevraagd voor de eindredactie van het half zes-Journaal, heb ik dat gedaan."

Niet voor lang, want een jaar later solliciteerde ze naar haar huidige functie in Amsterdam. "Toen ik het in de krant las, leek me dat wel heel leuk, vooral omdat het Amsterdam was. Ik was echter niet uitgekeken op het Journaal en ik wist niet zeker of ik het echt leuk zou vinden. Ik heb gesolliciteerd om daar in gesprekken achter te komen en werd, tot mijn stomme verbazing, aangenomen."

"Het was een hele stap, maar ik dacht: Ik ben nu 45 en als ik ooit nog iets anders wil, moet ik het nu doen. In mijn achterhoofd had ik bovendien: als ik hier opstap, kan ik altijd nog terug naar de journalistiek, daar heb ik niet voor de rest van mijn leven afscheid van genomen."

Zondagavond 4 oktober zat Noortje thuis te eten, toen de telefoon ging. "Het was mijn collega Joe Simmons, die weekenddienst had. Hij zei: 'Noor, ik weet het nog niet precies, maar er schijnt een vliegtuig te zijn neergestort. In de Bijlmer'. Dat had hij gehoord van een stadhuisportier, die in de Bijlmer woont. Ik vroeg hem te proberen nadere informatie te krijgen, belde meteen de burgemeester en daarna onze ambtenaar rampenbestrijding, die het bericht bevestigde en zei: 'Ik heb reden om aan te nemen dat het zeer ernstig is. Ik ga het Beleidscentrum open doen'. Dat was, in deze kelder, overigens pas zo'n anderhalf jaar klaar voor gebruik. Daarna belde ik Joe Simmons: 'Naar het stadhuis. Nu'. Vijf minuten later waren we er allebei en belden we, volgens schema, nog vier anderen. Alle andere voorlichters kregen een telefoontje met de mededeling: 'Nu slapen. Morgen ben jij aan de beurt'. Intussen gaf ik hier beneden - waar we een open verbinding hadden met de commandowagens van brandweer en politie en later met het stadsdeel Zuid-Oost - de informatie die ik kreeg door naar boven, waar mijn collega's de hele wereldpers te woord stonden."

"Het waren hele moeilijke uren, omdat de informatie zo schaars was: om hoeveel woningen en om hoeveel mensen het ging. Die eerste nacht en de volgende dag hebben we doorgewerkt. We hadden die eerste week, het etmaal rond, een vaste club van acht voorlichters en drie assistenten, een stagiaire, tijdelijke medewerkers en de hulp van voorlichters van stadsdelen en gemeentelijke diensten. 's Nachts waren er boven, bij voorlichting, meestal drie mensen en een, mijn vervanger, hier beneden, overdag een man of tien. En in het voorlichtingscentrum zaten vier medewerkers. Ik was hier dan 's ochtends weer om half zes voor de eerste briefing, gevolgd door de persconferentie van half zeven. We hadden dagelijks twee persconferenties: 's ochtends en 's middags om vijf uur. Dat heeft goed gewerkt, hebben we gehoord."

Toch was er ook kritiek, zoals van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, over het feit dat verslaggevers, met name het eerste etmaal, door de autoriteiten werden tegengewerkt. "Die brief kwam op de maandag na de ramp binnen. Aan de ene kant weet je niet wat je leest: 'Dit? Nu?' Anderzijds neem je er nota van. Ook bij ons was wel duidelijk dat er dat eerste etmaal misschien wel wat mis is gegaan. Dat hebben we ook ruiterlijk toegegeven. Aan de andere kant weet ik dat het vanaf dinsdag heel aardig is gegaan. Kijk, mede doordat je moe bent, zijn we op dit moment allemaal uiterst gevoelig voor lof en voor kritiek."

"Ja, ik vind Amsterdam nog steeds fantastisch. Neem nou de betrokkenheid van die hele stad bij wat er in de Bijlmer is gebeurd. Die verbondenheid. Het is heel belangrijk dat daar, zeker voor de nazorg, gebruik van wordt gemaakt."

Deel dit artikel