Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’De werkelijkheid is langer houdbaar’

Home

Joost van Velzen

Voor de schrijver Detlev van Heest (oktober, 1956) was 2010 een vruchtbaar jaar. Hij leverde twee dikke romans af, die goed werden ontvangen. ’De nieuwe Voskuil’, klonk het ook al. En dat voor een parkeerwachter.

Zelf spreekt hij niet van een doorbraak, maar vaststaat dat Detlev van Heest zich in 2010 met twee indrukwekkende romans nadrukkelijk aan het literaire front meldde. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen achtereenvolgens ’De verzopen katten en de Hollander’ en ’Pleun’, twee romans die innig met elkaar verstrengeld zijn.

In ’De verzopen katten en de Hollander’ maken we kennis met ene Detlev en zijn vrouw Annelotte, Nederlanders in Tokio. Langzaam maar zeker ontstaat niet alleen een portret van de mensen in het buurtje waar ze wonen – voornamelijk ouderen – maar leren we ook het paar zelf kennen, gezien door de ogen van hem, van Detlev. ’Pleun’ is de vervolgroman. Dan wonen Detlev en Annelotte inmiddels in Nieuw- Zeeland, waar ze bevriend raken met een ander Nederlands stel, met alle desastreuze gevolgen van dien.

De kracht van Van Heest zit hem bovenal in zijn treffende omschrijvingen van schijnbaar alledaagse menselijke interacties. Lezenderwijs wordt duidelijk dat er meer aan de hand is: aftakeling, irritatie, bezorgdheid en meer van die dingen die wringen.

De stijlvorm die hij daarbij het werk laat doen, is de dialoog.

Weinig lezers zullen zich niet herkennen in het gekissebis tussen Detlev en Annelotte. Soms zit de herkenning van de alledaagsheid zelfs in een onbenullig zinnetje:

’Wie géén taart?’, riep Dora uit de grote salon.

Het zou soms inderdaad zo uit ’Het Bureau’ van J. J. Voskuil kunnen komen. Maar hoewel Van Heest bevriend was met de meester van de dialoog, ziet hij toch verschillen.

Al was het alleen maar omdat Voskuil nooit parkeercontroleur was.

„Jij haat toch auto’s?”, had een vriendin tegen hem gezegd, wapperend met een personeelsadvertentie. „Hier, dan moet je parkeerwachter worden!”

En zo ontmoeten we Detlev van Heest in uniform op het station van Hilversum.

Als schrijver van boeken. En van bekeuringen.

Leuke baan, parkeerwachter?

„Het is een schot in de roos. Ik ben lichamelijk in beweging, maar ook geestelijk is het uitdagend. Ik kom alle lagen van de samenleving tegen. Dat valt niet altijd mee; er is een hoop animositeit, ik word dikwijls uitgescholden. Zelfs als ze me kennen. Ik zeg wel eens: Ik ben een BH’er, Bekende Hilversummer. Of een BPC’er, een Bekende Parkeer Controleur. ’Een beetje mooie boeken schrijven, hè!’, riep laatst iemand die ik op de bon had geslingerd. ’Maar ik sta hier verdomme net twee minuten!’.”

Aparte combinatie, schrijver en parkeercontroleur

„De personeelschef twijfelde ook om mij aan te nemen. Ik ben afgestudeerd historicus en daarom vond hij mij overgekwalificeerd. Toch doe ik dit werk alweer drieënhalf jaar.

„Ik schrijf vier dagen in de week bonnen uit en drie dagen per week werk ik aan mijn manuscripten. Zo kan ik precies de huur betalen. Van het schrijven wil ik niet leven en in de journalistiek – mijn eigenlijke ambacht – was geen werk toen ik uit Nieuw-Zeeland terugkwam.”

In ’De verzopen katten en De Hollander’ schrijft u ergens: ’Trouw besloot dat er met mij niet meer te werken viel’. Bent u zo eigenwijs?

„Ik was toen correspondent voor Trouw in Japan. De buitenlandredactie wilde stukken waarin ik bijvoorbeeld de politieke situatie in Japan nog eens uitlegde. Ik wilde liever het dagelijks leven van de gewone mensen verslaan.”

Dat lukt u goed in uw boeken. De dialogen zijn levensecht

„Ik vaar daarbij voornamelijk op mijn kortetermijngeheugen. Zonder aantekeningen kan ik hele gesprekken letterlijk optekenen, met sfeer en al. Een journalistentrekje.”

Hoe verklaart u uw voorkeur voor gewone, maar vooral ook fragiele mensen?

„Ik ben op mijn best als mensen het niet kunnen bolwerken. Daar, bij de underdogs, ligt mijn sympathie. Het zijn in mijn boeken bijna allemaal figuren die het op een of andere manier ’niet maken’. Die voorkeur voor de zwakkeren zal ook mijn extreme dierenliefde wel verklaren. In Nederland worden 135.000 egels per jaar doodgereden! En wat zegt de regering? Nog meer asfalt! Dieren worden gezien als een gevaar voor de automobilist in plaats van andersom. Ik kan niet tegen het onrecht dat dieren aan onze moderne beschaving zijn overgeleverd.”

Toch bent u niet één van hen. In uw werk als parkeerwachter niet, en als Nederlander in Japan niet

„Blijkbaar kan ik daarom gemakkelijker met ze omgaan. Ik ben daar bij de gratie van de bijzonderheid. Dat maakt het voor Japanners trouwens juist eenvoudiger. Zij uiten zich gemakkelijker tegen iemand van buiten dan tegen een landgenoot.”

Vooral door uw realistische dialogen en uw liefde voor dieren bent u meermaals vergeleken met J.J. Voskuil, met wie u bevriend was

„Dat is natuurlijk een vleiende vergelijking. Sommige recensenten spraken van epigonisme, maar dat is een totale diskwalificatie. Als ik een epigoon ben, ben ik een epigoon of plagiaris van de werkelijkheid. Er zitten genoeg verschillen in onze boeken en onze persoonlijkheid. Mijn boeken zijn meer journalistiek. Mij boeit het echte leven. De producten van de verbeelding vervelen mij al gauw. Waarom zou je van de werkelijkheid barokke literatuur maken?”

Uw boeken lijken dat echte leven inderdaad te beschrijven. Preciezer: úw echte leven. Zijn ze waar gebeurd?

„Het is vrijwel helemaal zo gebeurd. Ik ging met mijn vrouw van een plaats waar ik mij helemaal senang voelde – Japan – naar een paradijselijk oord – Nieuw Zeeland – waar ik gelukkig moést worden. Dat moést dus ook worden opgeschreven. Niet met de intentie om dat als roman uit te brengen, maar meer omdat ik voor mezelf helder wilde krijgen waaróm de dingen niet goed gaan. Schrijvend zoek ik naar vaste grond onder mijn voeten. In die zin ben ik weer wel meer schrijver dan journalist. Door heel persoonlijk te schrijven maak je je kwetsbaar, maar tegelijk gaat er een geweldige kracht van uit als je al je zwaktes durft te benoemen. Ik ben uit mijn schulp gekropen. En voor een semi-heremiet als ik is dat al heel wat.”

Toch word je als lezer nieuwsgierig naar de vraag of u verschillende stijlen aankunt. Zou u bijvoorbeeld een fictie-roman kunnen schrijven die niet over uzelf gaat?

„Ik ga daar niet aan beginnen. Je schrijft niet voor de eeuwigheid, maar ik vind dat een verhaal wel enige houdbaarheid moet hebben. De werkelijkheid is langer houdbaar dan fictie. Als ik schrijf, schrijf ik op wat ik waarneem, zintuiglijk waarneem. Met die waarnemingen moet je als schrijver niet gaan knoeien. (Grinnikend) „Een goed boek is net een proces-verbaal.”

Maar dan bent u toch snel uitgeschreven?

„Ach, Gerard Reve heeft meer dan een dozijn boeken over zichzelf geschreven. Ik vind het zonde als een schrijver dat niét doet. Als ik een boek lees, wil ik lezen over die schrijver. Ik wil weten hoe die schrijver in elkaar zit, hoe hij faalt, aanmoddert. Neem Arnon Grunberg. Een fantastisch talent, een heel intelligente man. Maar hij verstopt zich in zijn boeken. Het gaat nooit écht over hemzelf. Hij ontmaskert zichzelf niet. Jammer. Maar ja, hij moet er van leven. Hij is helaas geen parkeercontroleur.”

Lees verder na de advertentie
"Ik schrijf vier dagen in de week bonnen uit en drie dagen per week werk ik aan mijn manuscripten." (WERRY CRONE)

Deel dit artikel